Ghijsels/Gyssels genealogie
Algemene familiegeschiedenis

D. Hoe woonden en aten
onze voorouders ?

a. De woningen.

Op het platteland waren de woontoestanden toch ook niet alles.  De kleine boerderijen hadden een huisje, eertijds in leem en hout zonder vensters, later uit steen en met een schamel venster, meestal bestaande uit slechts 2 of 3 plaatsen.

Bij de familie Gysels krijgen we voor het eerst zicht op de grootte van een huis in het jaar 1761, toen een staat van goed werd opgemaakt ten sterfhuize van Judocus Ghysels filius Frans (zie B IV, blz. 213).  Hun woning bestond uit 5 plaatsen: de keuken, die wel zeker het woongedeelte zal geweest zijn, de kamer, waar we naast het bed ook het wafelijzer, zelfs "een schrapa, keire, room- en melckstande, een waschcuype en een trogh..." aantreffen, de zogenaamde "noortcaemer" met de "slaepynghe van de kinderen, een queiren, twee picken, twee hauwmessen, eene bijle (stel U voor: in de slaapkamer van de kinderen zulk gevaarlijk alaam!!), twee spaen ende ander rommelynghe...", de kelder en tenslotte de zolder.

Ook bij de Waarschootse Petrus Gysels, filius Jacobus en Joanna De Munck (zie A VII 1, blz. 79), bestond de woning omstreeks 1778 uit dezelfde delen.  Twintig jaar later, net voor de eeuwwisseling, betaalde Petrus voor datzelfde huisje waarin ze dagelijks met tienen leefden, belastingen op een totaal van 4 deuren en vensters.  In de veronderstelling dat er maar een deur was, dan had die woning ook slechts 3 vensters.

Huizen van landbouwers hadden over het algemeen 8 of 10 en dikwijls zelfs meer deuren en vensters.  Ook al stond Petrus op de belastingsrollen ingeschreven als landbouwer, zijn woning was eerder een wevershuisje, waarvoor hij 3,456 frank belasting betaalde.  Toen Petrus in 1804 stierf, betaalde zijn weduwe nog een symbolische frank huisbelasting; ondertussen werd de woning ook uitgebreid.

Jacobus Franciscus, de zoon van bovenvermelde Petrus (zie A VIII 1, blz. 84) woonde in de herberg "De Zwaen", tevens gemeentehuis, en een tijdlang ook met een winkel eraan verbonden. Hij was veldwachter en boerde er ook een beetje bij. Hij had heel wat meer ruimte, alhoewel hij geen kinderen had; zo bestond zijn woning uit een voorkamer, de herberg, de herbergkelder, de grote bovenplaats, de kamer van de griffie, een slaapkamertje naast de griffie, de slaapkamer van de dienstmeid, het opperste, het achteropperste, de kookkeuken, het achterhuis, de zolder boven het achterhuis, de kelder achteraan, de zolder boven de kelder en de vout.

Bij de 18e eeuwse woningen was het dak gedekt met stro of riet. Het vuur werd aangemaakt in de open haard; die diende voor verwarming en voor het bereiden van de spijzen. Veel belang werd gehecht aan het overvloedige brandhout. Op het erf en rond de velden stonden hele rijen struiken, waarvan de waarde geschat werd bij een verdeling. Ook de voorraad hout en "de schelfpeirsen" werden in die boedelbeschrijvingen opgenomen.

Voor de verwarming was men in onze streken afhankelijk van hout. Vandaar dat men bij boedelbeschrijvingen zoveel belang hechtte aan het groeiend houtgewas en aan de houtvoorraad.  Geregeld waren er ook notariële verkopingen van hout uit de bossen en daar zien we telkens wel iemand van de familie zijn voorraad op doen. Naast hout werd ook heel wat turf gebruikt en koolzaadolie in de olielamp zorgde voor de verlichting.

De stal was heel dikwijls aangebouwd en niet zelden met een rechtstreekse deur aan de woning verbonden, vooral bij "kortwoonsten". De schuur stond meestal een eind verderop. Een huis met 2 plaatsen was niet veel meer dan een gelijkvloers dat zowel voor keuken, woonplaats, washuis als slaapplaats dienst deed en een schamele zolder waar de kinderen sliepen op kafzakken of stro. De vloer bestond uit aarde of leem en op de hoog- en feestdagen bracht men er wel eens stro binnen. Stenen vloeren zijn vooral in de 19e eeuw in de betere woningen verschenen.

Een wat grotere boerderij had meestal een betere woning maar toch was het heel normaal dat al de huisgenoten samen in slechts één kamer of op zolder sliepen. De inwonende meiden van de hereboeren moesten gewoonlijk tevreden zijn met een slaapplaats ergens in de schuur of op een zolder boven de stal. Maar lang niet elke dagloner had een behoorlijk onderdak. En van hygiëne was zeker geen sprake.

Degelijke verlichting was duur, vandaar dat men veel gebruik maakte van raapzaadolie en de vetkaars, uit slachtafval vervaardigd. Deze laatste gaf flauw licht en allerlei onaangename geurtjes.

Op het einde van de 19e eeuw bemerken we een felle verhoging van het aantal inwoners in onze steden: daardoor komt er een nijpend tekort aan woningen, waarbij niet zozeer de huurprijzen stegen, maar wel de kwaliteit van de woonsten daalden.  Uit die tijd dateren de rijen werkmanswoningen, vaak gebouwd door fabriekseigenaars, met de bedoeling de arbeiders nog meer aan hen te binden en sterker in hun handen te hebben!

Ook op het platteland was die behuizing niet veel beter. Maar daar had men meer ruimte en gezondere lucht.
 

b. De voeding en de gezondheid.

De gewone arbeider of dagloner besteedde in de 17e eeuw meer dan de helft van zijn totale inkomen aan voeding, hoofdzakelijk brood.  Het dagelijkse menu bestond uit moeilijk verteerbaar grofkorrelig roggebrood met smout als smeersel, in de vastentijd zelfs vervangen door olijfolie.  Bruin brood uit tarwemeel of masteluinbrood (uit een mengsel van rogge en tarwe) was te duur voor een arbeider.  Pekelharing werd in grote hoeveelheden verorberd.

Vlees daarentegen bleef een uitzondering en dan was het meestal nog taai vlees om te koken in soep. Varkensvlees was geregeld meer dan dubbel zo duur als osse- en rundsvlees en kwam enkel op tafel bij feesten. Ook eieren, melk en boter werden weinig verbruikt. En peulvruchten, vooral bonen, waren veruit de enige groenten die met ruime saus en ajuin werden opgediend.

Tot in de 18e eeuw bleef bier uit kruiken de volksdrank bij uitstek, weliswaar van lage kwaliteit.  Betere biersoorten werden enkel bij kermissen gedronken.  Dat voor onze normen hoge bierverbruik is niet alleen een gevolg van de vele gezouten spijzen - pekel was hét grote bewaarmiddel in die tijd - maar ook van het grote besmettingsgevaar dat ongekookt water inhield.

Vooral na de hongerwinter van 1709-1710 werd de aardappel hét volksvoedsel.  Deze nieuwe teelt, uit Amerika ingevoerd, bood enorme voordelen: het gewas was zeer productief, had minder kalorieën en was een welkome afwisseling met de broodgranen.  Het was bovendien ook stukken goedkoper.  Tegen het einde van die eeuw was reeds meer dan 10% van de akkerbouw gebruikt voor de aardappelteelt en aten de mensen ruim 1 kg per dag en per hoofd van dit volksvoedsel.

De geneeskunde stond echt nog in haar kinderschoentjes.  Zo was er in de meeste grote gemeenten slechts een chirurgijn om de zieken te verzorgen.  Chirurgijns waren barbiers die een soort praktische stage hadden doorlopen bij collega's, maar toch weinig onderlegd waren in de medische problemen.  Ze lieten zich nochtans goed betalen: een aderlating, b.v. kostte meer dan het dagloon van de gewone arbeider.  Ziek worden betekende dan ook voor gewone lui afstevenen op de armoede.

In de 17e eeuw was het beroep van vroedvrouw ook algemeen verspreid, dit om het aantal sterfgevallen bij de geboorte te beperken.  De "achterwaarsterigge" werd geacht het nooddoopsel te kunnen toedienen, vandaar dat de kerk veel belang hechtte aan de kennis van de doopformules.  Het was vroeger het gebruik de boreling zo vlug mogelijk te laten dopen. Indien het kon zelfs dezelfde dag; peter en meter werden opgetrommeld, en bij bar slecht weer of ontij door een buur of kennis vervangen.

Halverwege de 18e eeuw kwamen als gevolg van de verhoogde levensstandaard de koffie, de the en de cacao in onze streken, in de 19e eeuw werd die dan wel wat slapper gemaakt wegens geldgebrek, maar toch nog meestal gebruikt om het droge en zeer bruine, zemelrijke brood te weken.  Bij het einde van de 18e eeuw kwam de suiker op. Het verbruik daarentegen werd in het begin van de 19e eeuw geschat op 1,6 kg per jaar en per persoon.  Zout haalde echter 5 à 10 kg per persoon en per jaar.  Dit bracht natuurlijk een hoog drankverbruik mee: gemiddeld zo'n 200 tot 300 liter bier per jaar en per persoon.

Naarmate de 19e eeuw naar haar einde liep, was er een duidelijke stijging te merken in de koopkracht van de gewone man; van die periode af komt er vlees op tafel, af en toe ook vis, eieren en groenten.  Aardappelen, brood en karnemelkpap waren echter de voornaamste voedingsmiddelen.  De kleine boer verkocht zijn vlees, zijn boter en zijn eieren op de markt om met de opbrengst zijn pacht te kunnen betalen en de minderwaardige kwaliteit vlees aten ze zelf op.  Na voedsel was huishuur en/of hoevepacht trouwens ook een van de grootste uitgaveposten bij de gewone man.

In de periode 1750-1880 was het gemiddeld vleesverbruik per man tussen 10 en 15 kg per jaar; in 1930 was dat gestegen tot 40 kg en in 1975 zelfs tot 78,7 kg per jaar.  Uiteraard daalde tegelijkertijd het procentuele aandeel van de voeding in het totale uitgavenpakket: zo was in 1830 gemiddeld 66% van de uitgaven voor voeding bestemd, rond de hongerjaren van 1845 zelfs 76% en op het einde van de 19e eeuw ongeveer 60%.  In 1949 was dit 45,7%, in 1960 42% en in 1980 nog 25%.

De verhoging van de koopkracht wordt onder meer ook geïllustreerd door de arbeidsduur, nodig voor de aankoop van 50 kg rogge: rond 1850 was daar 60 uren arbeid voor nodig; in 1900 nog 20 uur; in 1950 volstond 10 uur arbeid; in 1980 was 2 uur werken ruim voldoende!  Anderzijds wordt daarmee ook aangetoond dat de prijzen van de granen bij de producent hoegenaamd niet meegeëvolueerd zijn, wat dan wel gedeeltelijk gecompenseerd werd door een hogere opbrengst.

Bekijken we de koopkracht en de levensstandaard door de eeuwen heen, dan komen we tot het besluit dat het einde van de twintigste eeuw ons tot een summum van materiële welstand bracht.  We zijn er ons echter nauwelijks van bewust! En wie nooit tekort gehad heeft, nog minder.

A. Situering in de tijd
B. Situering van het woongebied
C. Activiteiten van onze voorouders
D. Hoe woonden en aten onze voorouders?
E. Onze voorouders en de conscriptiewet
F. De familie Gys(s)els demografisch bekeken.



Naar de top van deze blz.


shopify visitor statistics
De Inleiding
De Inhoudstafel
Algemeen Overzicht
Tak A
Tak B
Doorzoek deze website

Meer stambomen



MijnPlatteland homepage
MijnPlatteland homepage

Contact     —     Copyright Notice