Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1968, 1ste jaargang, nr. 4

colofon
 

VLAS IN HET MEETJESLAND

Onze vlasnijverheid stamt uit Frankrijk.  Toen de linnenweverij van Champagne dodelijk getroffen werd door de Honderdjarige Oorlog, begon men haar na te volgen in ons land, nl. in Henegouwen en te Nijvel, omstreeks 1370.  Van daaruit verspreid, kende de vlasnijverheid pas een grote bloei in Vlaanderen, vanaf het einde der 15e eeuw.

Vooral de Leiestreek had veel aan die nijverheid te danken, maar ook elders, bv. in het Meetjesland en in Waasland, was zij niet onbelangrijk.  Dit bleef zo, natuurlijk onder wisselvallige omstandigheden, tot bij de opkomst van de Engelse mechanische spinnerijen en weverijen in 1836.  Daarmee begon het groot verval van deze oude huisnijverheid.

De strijd voor de omvorming van deze huisnijverheid tot fabrieksindustrie heeft aanvankelijk gefaald in ons land, bij gebrek aan het nodige kapitaal.  Het was weer eens : Arm Vlaanderen !  Pas omstreeks 1848-50 en volgende jaren zou een gedeeltelijke omschakeling van de Vlaamse ekonomie volgen, maar dan bijna uitsluitend in de steden. (1).

In het Meetjesland stierf de vlasnijverheid een zeer langzame dood.

Vóór 1880 werd er te Knesselare bv. nog vrij veel vlas gezaaid, nl. 75 à 100 ha. op een totale oppervlakte van 1654 ha.  Grootvader, Eduard Claeys, kweekte nog vlas omstreeks 1900, in de wijken Eentveld en Kluize.  In 1910 vond men hier nog slechts 12 ha. van dit gewas, en daarna hoe langer hoe minder; in 1929 : nog amper 4 ha.  Kort na 1930 verdween deze teelt volledig, zodat onze kinderen hier nu het vlas niet eens meer kennen.

Nochtans was het vlas een zeer verspreid gewas in het Meetjesland van de 18e en 19e eeuw.  Het is slechts na de grote krisis in de vlasnijverheid, bij het midden van de 19e eeuw, en dan nog uiterst langzaam, dat ook de produktie van het vlas stilaan vervalt.

Maar dat verval is ontzettend groot geweest, vooral wanneer men in aanmerking neemt, dat onze talrijke huiswevers hier te lande, op het einde van de 18e en bij het begin van de 19e eeuw, praktisch al het vlas zelf verbruikten, dat hier ter plaats gewonnen werd.

Er was veel werk aan het vlas, dat immers heel wat verschillende bewerkingen moest ondergaan.  Zo moest het eerst gezaaid en gewied worden, daarna «gesleten» of uitgetrokken.  Bij het einde van dit slijten had er steeds een soort veldfeest plaats, waarbij er gezongen, gedanst en jenever (klare) gedronken werd.  's Avonds werd er «slijtpap» gegeten, ofwel bakte men tarwemeelkoeken op een plaat boven de haard(2).

Vlas wordt het best gewonnen op gronden, waarop er tevoren een schaduwrijk gewas geteeld is, omdat het onkruid dan enigszins in zijn ontwikkeling belemmerd is geweest.  Daarom werd het hier bij ons meestal op aardappelland gezaaid, dus na de aardappeloogst.  Het kwam ook wel eens voor, dat men tussen het vlas wortelen zaaide, als bijteelt.

Net zoals het graan, werd het vlas soms uitgevoerd, hoewel verschillende edikten, in de loop der jaren, zich daartegen verzetten.  Die uitvoer is hier evenwel nooit in het voordeel geweest van de grote bevolkingsgroep, die zich met de vlasnijverheid bezighield.  Zo was bv. de uitvoer van vlas naar Frankrijk toegestaan in 1786, niettegenstaande het plakkaat van 1766 dit had verboden.  Onmiddellijk echter kwamen er een massa klaagbrieven aan, bij het hoofdkollegie van de Oudburg te Gent, dat ze daarop aan de centrale regering overmaakte.

Men schreef dat er groot gevaar bestond, dat de spinners en wevers hier zonder werk zouden vallen.  Indien dit gebeurde zou, volgens de klagende gemeenten, gans het Meetjesland in ellende verzinken, vermits het grootste deel der kleine landgebruikers zich slechts kon bezighouden met spinnen of weven, tijdens de wintermaanden.  Daardoor zouden de belastingen niet meer kunnen betaald worden, werkplaatsen en fabrieken zouden stilliggen en de weversbevolking zou noodgedwongen emigreren (3).

In 1740 waren er te Knesselare 127 landbouwproducenten in totaal en 79 hiervan verbouwden toen vlas (4).  Te Ursel, onder 't Gentse (Wessegem, een zuidelijk deel van Ursel), telde men dan 18 producenten, waarvan er 12 vlas kweekten.  In 1804 waren er te Maldegem 44 ha. bezaaid met dit nijverheidsgewas (5), terwijl een statistiek van 1810 ons volgens beeld ophangt van de vlaskultuur in ons gewest (6):

Ursel: 60 ha. Knesselare: 23 ha.
Ronsele: 11 ha. Maldegem: 22 ha. 50 a.
Zomergem: 134 ha. 35 a. Adegem: 37 ha. 50 a.
Oostwinkel: 50 ha. Aalter: 62 ha.

Het grootste gedeelte van dit vlas werd toen overal ter plaatse verbruikt. Alleen te Knesselare voerde men in 1810 10.236 kg. vlas uit, maar overal elders was de uitvoer zeer gering, bv. te Adegem : 450 hektoliter, te Maldegem : 400 hl, te Ronsele : 5.200 kg. en te Zomergem : slechts 1.300 kg.  Uit deze statistiek valt onmiddellijk af te leiden, in welke gemeenten de vlasnijverheid hier toen het sterkst vertegenwoordigd was.  Gezien de wevers meestal vlas verbruikten, afkomstig van hun eigen gemeente, moet Zomergem een enorm grote vlasnijverheid gekend hebben in de eerste helft der 19e eeuw (lijnwaadnijverheid).

In 1840 telde men te Adegem niet minder dan 96 ha. vlas (7), hoewel de kultuur van dit gewas op dat ogenblik in deze gemeente reeds met één vierde verminderd was, in vergelijking met het jaar 1825.  In 1839 was de vlasteelt hier wat verwaarloosd geweest, wegens de minder gunstige, al te geringe prijzen voor het vlas.

In het algemeen zijn nochtans de bezaaide oppervlakten met vlas, althans voor onze dorpen, blijven stijgen tot in 1866.  De producenten gingen dus nog langer door met hun bezaaiïngen, ook toen de meeste hand- en huiswevers reeds stilgevallen waren.  Maar vanaf 1870 gaat ook de vlasteelt tamelijk snel dalen.  De oorzaak hiervan ligt vooral in de opkomst van de katoen.  Enkel de gewesten met echt kwaliteitsvlas (Leiestreek, Kortrijkse) konden zich toen nog langer handhaven(8).

De officiële tellingen vertonen duidelijk de stijging tot 1866 en de latere teleurgang van onze vlaskulturen:

Bezaaide oppervl. vlas in ha. en a.:
Jaar
van de
telling
Ursel Knes-
selare
Mal-
degem
Ade-
gem
Oost-
winkel
Zomer-
gem
Ron-
sele
1846 49.54 81.27 119.88 69.87 37.64 119.22 9.30
1866 109.30 100.45 213.42 93.14 35.06 206.54 14.12
1880 56.64 74.07 183.09 90.09 31.92 116.52 6.88
1895 30.83 52.63 124.52 69.64 22.59 50.20 7.20
1910 9.34 12.19 8.08 6.10 4.55 6.65 0.43
1929 3.53 4.04 23.38 24.46 3.57 5.35 0

In 1737 en 1767 telde men te Knesselare telkens 137 weefgetouwen van huiswevers; dit getal steeg tot 450 in 1846.  Het geweven linnen werd naar de markt van Tielt gebracht.  Als gevolg van de grote handelskrisis, bleven er slechts 80 weefgetouwen van de 450 in werking, gedurende de jaren 1847-48.  Geen wonder dat een groot deel van de bevolking in ellende verviel (9) !

Het vlas werd hier op de akkers «gesleten» op de volgende primitieve wijze: Eerst trok men twee kleine greepjes vlas en knoopte deze stevig aan elkaar, om een bindbandje te hebben, dat tegen de linkerarm gelegd werd; dat bindbandje bestond dus uit twee lengten vlas.  Daarna trok men tien à twaalf handvollen vlas, die telkens in dat bandje gelegd werden en tenslotte voorlopig daarmee dichtgeknoopt. Die bonden vlas bracht men naar de reepplanken, of handrepen.

Een dergelijke handreep, van circa 1850, afkomstig van de hoeve Martens, Kasteelstraat, te Egem, was in februari 1968 te zien op de Nationale Vlastentoonstelling, in het Rijksarchief te Kortrijk.

Volgens de grootte van de vlasakker gebruikte men hier één tot zes reepplanken tegelijk, nagenoeg één reepplank per 100 roeden.  Die reepplanken waren ongeveer 1,80 m. lang en 40 à 50 cm. breed; de ijzeren reepkam in het midden was wel 25 cm. hoog en telde van 18 tot 25 rechte, vierkante tanden.

Bij elke handreep hoorden er twee mannen en één vrouw.  Beide mannen zaten schrijlings op de uiteinden van de reepplank (die verhoogd was, omdat zij niet op de grond rustte, maar wel op vier bondjes vlas), het gezicht naar mekaar toegewend en met de voeten bijna tegen elkaar, elk van hun kant vlak tegenover de tanden rij.  Die mannen moesten «uitrepen», t.t.z. het vlas ontzaden, door het doorheen de reeptanden te trekken.

Regelmatig en beurtelings rukten zij. elk langs één kant van de reepkam, de handvollen vlas door de tandenrij, om de zaadhulzen en het vlaszaad te verwijderen.  Dit gebeurde tot het vlas «uitgereept» was, d.w.z. vrij van zaad en zaadhulzen.

De vrouw die daarnaast zat (één voor de twee repers), bond het gereept vlas nu weer goed samen in bondjes van ongeveer de helft der vorige grootte; deze kleinere bundeltjes konden nu stevig vastgeknoopt worden met één gewone lengte vlas.  Hier was het bindbandje dus eenvoudig één gewoon, klein greepje vlas.

Het vlaszaad in de hulzen werd natuurlijk goed bijgehouden naast de handrepen; men voerde het tenslotte naar huis, waar het, openliggend op zeilen, flink gedroogd werd.  Wanneer het goed droog was, zou het gedorsen worden met de gewone dorsvlegel (men noemde dat hier «breken») en vervolgens gezuiverd of «schoon gemaakt», met de wan- of korenmolen (= «windemeulen» ).  Het zuivere vlas- of lijnzaad (voor lijnolie en lijnkoeken) werd dan verkocht en het kaf (hulzen en afval) zou men gebruiken als dierenvoeder ; gewoonlijk werd het vermengd in het voeder voor de runderen.

De bundels gereept vlas voerde men van de akker met een wagen naar het water, voor het roten.  De boeren rootten hier het liefst in putten, wanneer zij er hadden, omdat het vlas dan zeker bleef liggen en zij het niet kwijtgeraakten.  Er zijn zo te Knesselare nu nog enkele putten bewaard, bv. aan de Kwadamstraat, en die nog altijd «rootputten» genoemd worden.

Men rootte echter ook wel in stromend water, bv. in de Eentveld- of Drongengoedbeek en in de Woestijne- en Berdelenbuisbeek.  Dit deden vooral de kleinere gebruikers, die zelf geen putten hadden.  Zij beweerden dat de kwaliteit van het vlas beter was, indien in stromend water geroot.

Roothekkens waren hier onbekend.  De bondjes vlas werden van de akker naar de put of de beek gebracht en in het water gelegd.  Daarboven bracht men een laag stro aan, ter bescherming, en op dat stro legde men nog zware graszoden, om vlas en stro te doen zinken en op hun plaats te houden (vooral in de beken, opdat niets zou wegdrijven).

Naargelang het water, bleef het vlas zeven à acht dagen roten.

Dan werd het opnieuw bovengehaald en langs de oeverkant op hopen gelegd om te «verzijpen», zodat het water terug in beek of put kon vloeien.  Eén of twee dagen later bracht men het naar een effene weide waar de natte bundeltjes opengemaakt werden en zorgvuldig uitgespreid op het gras, in lange, rechte rijen; het vlas werd dunnetjes en zeer symmetrisch opengelegd.

Na vier tot zeven dagen, volgens de weersomstandigheden en wanneer het dus goed droog was, kwam men het vlas omdraaien.  Het «vlas keren» gebeurde met een lange, lichte stok of pers van ongeveer één roede lang, dus 3,5 m. à 4 m.  Men schoof die in het gras op één uiteinde onder het vlas, om telkens een heel eind van de rij in één zwaai te kunnen omdraaien.  Nu kon ook de andere zijde volledig uitdrogen, maar dit duurde deze tweede maal niet zo lang, ongeveer vier of zelfs drie dagen.

Toen bond men het droge vlas samen in grote bundels, ditmaal met banden van gedorsen roggestro.  Het werd naar huis gevoerd, om binnen en goed droog bewaard te worden.

Geroot vlas werd hier blijkbaar, volgens mijn zegslieden, niet in kapellen geplaatst; het «keren van de kapellen» was hen onbekend.

Wanneer het vlas zeer goed uitgedroogd was, en dan vooral in de winter, werd er «gebrakeld», met de handbraak of vlasbreker, in Westvlaanderen ook «de knappe» genoemd.  Dit tuig diende om de houterige stengel van het vlas in korte stukjes te breken.  In het Vlasmuseum te Kortrijk berust er een mooi specimen, vóór 1830 gebruikt door de familie Engels, uit Kaprijke, waar het ook gevonden werd.

In 1900 was die handbraak te Knesselare een soort grote tafel, met daarop twee ijzeren rollen of cilinders, dicht bij elkaar geplaatst en beide nagenoeg één meter lang.  Er was een zwing of «draailing» aan, om beurtelings heen en opnieuw terug te draaien.  Het vlas werd voortdurend tussen die cilinders over en weer gedraaid, zodat het gans verpletterd en gebroken werd.  Aldus vielen de «lemen», of korte, harde deeltjes en stoppels eruit.  Die «lemen» zouden gebruikt worden door de metselaars, in «plakmortel», de grondlaag bij het bepleisteren.

Tot in 1860-80 en vroeger, toen men die handbraak hier nog niet kende, moest men brakelen met de oude braakhamer of «boothamer».  Dit noemde men dan «vlas boten».  Het tuig, ook kerfhamer geheten, werd gebezigd om door voortdurend kloppen op het platliggende vlas, de houtstengels te breken.

Het blok van een «boothamer» was hier bijna vierkantvormig, ongeveer 14 op 16 cm. en 10 à 12 cm. dik.  Er waren 8 of 10 ribben (kerven) op het vlak van dat blok waarmee men sloeg; vandaar ook de naam «kerfhamer».  De steel van die hamer was een weinig gebogen en 80 à 90 cm. lang.  Er zijn nog zulke boothamers te Nevele, in het heemmuseum «Rietgaverstede» van ons medelid, dhr. Ant. Janssens.

De latere «bootmolen» kende men hier blijkbaar niet, noch de naam, noch het tuig. Men gebruikte eveneens de benaming «handcilinder» niet, voor vlasbreker of braak.

Vervolgens moest er gezwingeld worden, met behulp van een zwingelberd en een zwingel (zwingelmes).  Het zwingelberd bestond uit een grote, zware plank, die op de grond lag; vaak legde men er dan nog zware stenen bovenop, om ze vast op haar plaats te houden, opdat ze niet zou «verrijden»; ofwel waren er enkele ronde gaten in geboord (2, 4 of 6), waardoor men pinnen of puntige stokken in de grond heide.  Midden daarop was er een lichtere, rechtopstaande plank aangebracht, met schutsels en daarin had men, op tafelhoogte, een gleuf gemaakt, doch wel zodanig dat de bovenhelft en de benedenhelft van die opstaande plank niet helemaal vertikaal tegenover elkaar stonden; het «versprong» een paar centimeter.  Men stak telkens weer een handvol vlas door die gleuf en kapte met de zwingel langs de andere zijde van de plank kwestie van de vingers te beschermen.  Die zwingel zelf was een mes uit zeer dun (6-8 mm.) maar sterk hout; hij had ook de vorm van een kapmesje (25-30 cm. lang, 10 cm. breed of minder), met een rechte snijkant en een ietwat gebogen «averechtse kant» ; de steel of handvat was rond en dikker, een weinig gekromd naar de greep van de hand en ongeveer 10-12 cm. lang.

Vóór het zwingelberd plaatste men hier meestal nog twee stokken op kniehoogte; daartussen spande men een strakke koord of ijzerdraad, ten einde de zwingel tijdig tegen te houden, zo nodig, om niet in de benen of knieën te kappen.

Wanneer de zwingelmolens in dienst genomen werden, was de vlasnijverheid hier reeds helemaal vervallen.  Enkel bij Raymond Verniest, in Eentveld, is er hier nog een zwingelmolen geweest.  Zelf heb ik er nog een andere gezien, als kind, bij Honoré De Coninck, die zwingelde te Adegem, in de jaren 1925-30.  Ook te Maldegem moeten er geweest zijn.
______________

«Slijtpap» was hier zeer goed bekend: van onverdunde zoetemelk, met veel mastellen en boekweit in, zodat hij goed «vroom» was; dus van volle melk, een weelde voor die tijd.

De slijters en slijtsters zongen tijdens de dag:

«Slijtpap zullen wij eten,
slijtpap zullen wij hên (= hebben);
ze zullen ons wel zien eten,
maar ze gaan der niet van hên !»

Slijten was een zwaar werk; vaak begon men reeds te trekken om 3 of 4 uur in de morgen, wanneer het een grote vlasakker («vlaschaard») was.  Vooraf werd er steeds besproken dat de gelegenheidswerklieden, boven voeding en loon, enkele flessen jenever zouden krijgen, om op het veld in de loop van de dag uitgedronken te worden, als traktatie en «om de moed erin te houden».  Gewoonlijk was dit aantal flessen een even getal: 2 - 4 - 6 - 8, waarvan de helft geschonken werd door de boer en de helft door de koper van het vlas.  Omstreeks 1900 werd al het vlas hier immers per partij verkocht.  Het was normaal dat de boer zich dan ook aan de afspraak hield en daar werd nauwkeurig op gelet.

Zo arbeidde men in 1903 op de grote vlasakker van boer Van Hecke, wijk Zeldonk, te Oedelem, vlak bij de grens met Knesselare.  De landbouwer vertoonde zich echter niet en schonk geen drank, in tegenstrijd met zijn belofte.  's Middags mochten de werklieden in de schuur van de hoeve elk een haring eten met aardappelen en daarbij water scheppen uit een emmer.  Zij waren terecht zeer verbitterd en zongen luidkeels volgend liedje, in de namiddag en in de avond van die dag:

«Boer Van Hecke, boer Van Hecke,
hij drinkt zijn djenuiver (= jenever) liever zelve !
't Is ne gierigaard,
't is ne leugenaar(d)
't is ne pletsekop
en hij es mane (kaalkop, maan) !»

Toen kregen «de weerlozen» ook geen slijtpap van de woedende boer ! — Een ander liedje bij het slijten te Knesselare was:

«Wie kuist er de reepe
en wie dient er den dem ? ... (= de man aan de reepplank)
... N ... N, 't schoonste meiske
van heel de Malsem !»

(of: de Dries, de Kleiten...; men veranderde de wijkbenaming en de meisjesnaam, naargelang de omstandigheden).  Dit liedje was vooral bedoeld om jonge mensen ermee te plagen, die samen aan het repen waren, bij een handreep (10).

ALF. RYSERHOVE.

__________________________
(1 Prof. Dr. E. Sabbe, Voorwoord, Tentoonstell. Nat. Vlashistoriek van de 9de tot de 20ste eeuw; Brussel, 1968.
- Reeds vóór de Geuzenberoerten mochten de Grauwzusters van Tielt éénmaal per jaar overal vlas bedelen en inzamelen van huis tot huis binnen de parochies Aalter, Bellem, Knesselare en Ursel.  Zij werden in dit oud voorrecht bevestigd door Mgr Triest, bisschop van Gent, bij akte van 23 april 1626 (Stad Tielt, Oud Archief, nr 1262).  Dit bewijst het belang van de vlaskultuur in die dorpen, want elders zamelden die Zusters boter en vlees in.  Terug naar de tekst
(2 Naar nota's van Lic. Dan. Verstraete.  Terug naar de tekst
(3 Idem. - R.A. Gent, Fonds Oudburg, nr 121 : Sortie du lin.  Terug naar de tekst
(4 Idem, Oudburg, nr 1930, Tellingen.  Terug naar de tekst
(5 Gemeentearchief van Maldegem.  Terug naar de tekst
(6 R.A. Gent, Fonds Départ. de l'Escaut, nr 1638.  Terug naar de tekst
(7 RA Gent, Fonds Adegem, nr 135.  Terug naar de tekst
(8 Naar nota's van Lic. Dan. Verstraete.  Terug naar de tekst
(9 Gemeentearchief van Knesselare. - A. Ryserhove : Knesselare, blz. 58.  Terug naar de tekst
(10 Zeer veel gegevens van dit beknopt artikel zijn te danken aan de zegspersoon Alois Claeys, Knesselare, 85 jaar oud.  Terug naar de tekst
 

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice


Meest recente bijwerking: 27 March 2018