Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1969, 2de jaargang, nr. 1

HET VERDWENEN
MOLENHUIS
TE SINT-JAN-TEN-BOVEN
 

«Hoe woonden onze voorouders ?» — Dit is een vraag die mij steeds heeft geintrigeerd, en mij nooit heeft losgelaten.  Met onze voorouders bedoel ik dan de landelijke bevolking, die werkzaam was in onze streek — in de kleine gemeenten en die de pioniers waren van de eerste ter plaatse verblijvende gemeenschapskernen.  Deze «kleine», moedige mensen, die in de middeleeuwen steeds hadden af te rekenen met het afbranden en plunderen van hun schamele bezittingen, vonden telkens de moed om de oorlogsverwoestingen te boven te komen en de puinen te herbouwen - ook al dienden zij soms hun streek voor vele jaren te verlaten.

In het noorden van het Meetjesland had men vooral af te rekenen met de steeds terugkerende overstromingen, die soms voor tientallen jaren naeen deze landstreek teisterden.  Bekijk de data van de oorlogsverwoestingen — zowel door vijandelijke als bevriende troepen bedreven — en van de veelvuldige overstromingen die in het noorden plaatshadden; en men moet tot het besluit komen dat onze voorouders (welke de redenen ook wezen) steeds terug kwamen om hun woonsten en gronden te herbouwen.  Dat zij daarin een verbeten wilskracht hebben aan de dag gelegd staat buiten kijf.  Deze diep-menselijke kant van de zaak verdient m.i. dan ook meer aandacht vanwege de plaatselijke geschiedkundige vorsers, temeer omdat dit de meest echte en levende zijde is van de geschiedenis.

Een en ander noopt er mij toe een schuchtere poging te wagen om dit onderwerp: "Hoe woonden onze voorouders", in de komende jaren te onderzoeken.  Dit alles natuurlijk overeenkomstig de middelen waarover wij beschikken.

Een eerste aanleiding, die zich leende tot ons doel was het afbreken van het oude molenhuis te Sint-Jan-ten-Boven (Sint-Jan-in-Eremo).  Een mulder was — in de bouwperiode van dit molenhuis — reeds een geziene ambachtsman.  Zijn goed beroep bezorgde de man zekere geldelijke voordelen; die zich dan vooral uitten in het ombouwen, verbouwen, of nieuwbouwen van de woon- en werkruimten.  Het oorspron­kelijke molenhuis — waarvan hier sprake — zal wel in hout geweest zijn; om kort daarna te worden vervangen door een stenen huis.  Dit zal waarschijnlijk gebeurd zijn circa 1450, na het oprichten van de nieuwe plaats Sint-Jan-in-Eremo.  Volgens de opgegraven grondvesten bestond het huis uit twee kamers: I en II.  Deze waren van elkaar gescheiden door een houten schutsel.  In plaats II stond de haard met in de linkerhoek een bedstede voor twee personen.  De kelderingang bevond zich in plaats I.  De kelderruimte is de enig overgebleven plaats van het eerste stenen huis.  Het gewelf is bolvormig, met een vloer in stenen van lichte rode kleur.  De stenen van het eerste gebouw waren 28 cm. x 14 cm. x 7 cm.

Het tweede huis moet zijn gebouwd rond 1550; het werd op dezelfde grondvesten opgetrokken.  Langs de achterzijde werden evenwel — over de volle breedte van het huis de plaatsen III en IV, en een bakhuis V bijgebouwd.  De haard bleef in plaats II ; hij was 2m20 breed en uitbekleed met delftse tegels.  De tegels vormden een paneel met de voorstelling van een kat - hetgeen thans nog te zien is in het nieuwe gebouw.  Links van de haard stond de bedstede voor twee personen; daarnaast een ingebouwde kast, waarvan de achterzijde dienst deed als scheiding met de broodkast die zich in plaats III bevond.  De gangmuren werden — in de gestage evolutie van het huis — bijgebouwd ± 1850.

Een en ander kunnen wij besluiten uit ons onderzoek, waaruit bleek dat: ten eerste, er geen hechte verbinding was tussen gangmuren en voor- en achtergevelmuur ; ten tweede, de gebruikte stenen waren naar vorm en naar kleur onmiskenbaar de toenmalige nieuwe type steen, die wij thans «scheldesteen» noemen.  Ter gelegenheid van deze verbouwing werd toen ook de kelderingang verkort, zodat de kelder toen te bereiken was vanuit de nieuwe gang.  Ook de haard werd bij deze gelegenheid verbouwd tot een gewone schouw voor een «leuvense stoof».  Buiten het kat-paneel werden alle andere tegels verspreid langsheen de plinten van de diverse buitenmuren.  Voorplaats I — die volgens de overlevering der verschillende bewoners — steeds de beste kamer was, had een prachtige schouw die volledig was uitbekleed met de typische kleine zwarte steentjes met afmeting 14 cm. x 6,8 cm. x 3 cm.  Deze schouw zal zeer waarschijnlijk geplaatst zijn bij de nieuwbouw.

Naast de hogergenoemde schouw in plaats I was vroeger een deur, die toegang gaf tot het bakhuis (V). Dit zou er kunnen op wijzen dat deze beste kamer eertijds keuken-woonplaats is geweest, toen de deur nog gebruikt werd.  Het bakhuis zelf was zeer groot en had een oven, dienstig voor het bakken van tientallen broden.  Door een spijtig misverstand hebben wij evenwel geen volledige opmeting kunnen doen van dit bakhuis, een interessant object dat wij thans niet meer kunnen overdoen.

Plaats III en IV werden pas wat later gebruikt als keuken-woonplaats.  Het venster naast de buitendeur in plaats III werd ook later aangebracht.  In deze plaats maken wij geen gewag van een houten schutsel, omdat dit van zeer jonge datum was.  Dit om de koude tegen te houden die tijdens de wintermaanden, bij het openen van de buitendeur werd binnengelaten.  In plaats III stond ook een zeer steile trap voor het bereiken van een slaapkamer (boven plaats IV) en de zolder.  De slaapkamer had langs de trapzijde een scheidswand in hout.  Onderste en bovenste kamer hadden elk een identiek venster.  Plaatsen III en IV hadden het vloerpeil 18 cm. lager dan de voorplaatsen.  Beide plaatsen waren voorzien van een waterafloop : III neven de buitendeur en IV in de eerste rechterhoek.  De besproken slaapkamer boven IV had het plafond 0,85 cm. boven de zoldervloer ; de rest van de zolder was één vlakte.

De vloeren in het huis waren: voor I en II de traditionele rode tegels; voor III en IV donkergrijze tegels.

Het dakwerk bestond uit een gewoon hanebalkdak, waarbij de volgende onderdelen in eik waren: hanebalken, pootstijlen, bind- of trekbalk.  De andere dakdelen waren in «achtkant».  De zoldervloer bestond uit planken van 0,30 m. x 4,30 m. x 0,03 m.  Zij waren bevestigd met gesmede nagels.  De vloer lag op eiken (kinder)balken van 18/12 cm.  De lengte van de balken was aangepast aan de verschillende kameroverspanningen.

De voorgevelvensters hadden een gemiddelde afmeting van 1,90 m. x 1,00 m. en hadden allen een blauwstenen dorpel — met uitzondering deze op de verdieping, en het bakhuis.  Rond de voordeur was een pilasteromlijsting gemetst met kleine zwarte stenen van 14 x 6,8 x 3 cm.  Voordeur en achterdeur waren respectievelijk 2,65 en 2,60 m. hoog.  Het geheel was een huis, dat het toenmalige beroep van mulder eer aan deed.  Het was een waardig en stevig huis, waarin het goed om wonen was... voor die tijd.

R.T.

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice


Meest recente bijwerking: 27 March 2018