Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1969, 2de jaargang, nr. 2

Persoonlijke visie op bizonderheden betreffende

DE NOOD GODS VAN WATERVLIET
 

Dit fameuse drieluik waarop men nooit is uitgekeken kwam terug in de kerk van Watervliet in het jaar 1968, na een grondige en langdurige restauratie in de ateliers van het Koninklijk Instituut van het Kunstpatrimonium.  Daar deed men aan echt wetenschappelijk onderzoek in teamverband want het was onbegonnen werk dit aan één persoon over te laten.  In het Bulletin (iX-1966) van het Instituut verscheen over dit prachtig drieluik niet min dan vijf artikels, geschreven door acht auteurs, rijk geïllustreerd, in totaal 90 bladzijden.  De samenwerking van zo een équipe vorsers heeft ons dus heel wat wijzer gemaakt en toch zijn er nog tal van onopgeloste problemen die onze nieuwsgierigheid prikkelen: wie is de schilder, wie is de opdrachtgever, de schenker, de inspirator; wanneer kwam het in Watervliet; is het gemaakt op bestelling, of aangekocht op een atelier nadat het gemaakt was, of aangekocht en voltooid met twee zijluiken; is gans het triptiek van dezelfde hand; zijn er nog meerdere portretten dan dat van de schilder; houden de gebouwen in het landschap verband met bestaande gebouwen? en nog meer dergelijke vragen.  Daarbij maken we veronderstellingen door onze intuitie ingegeven, zien we mogelijkheden die niet te bewijzen vallen, of die toevallig gestaafd worden door nieuwe (onzekere) bevindingen.  Natuurlijk de wetenschapsmens zwijgt wanneer het wetenschappelijk of historisch bewijs ontbreekt maar dat verbiedt niemand te ploeteren in het onbekende en zijn vermoedens, meningen en mogelijkheden, onder voorbehoud althans, te verwoorden.  Van zodra alles zeker en bewezen is houden twijfel en discussie op en staat men voor een reeks feiten, zo dood als een monument, die de letterkunde stagneren.  Als men zich in het gebied der onzekerheid beweegt wordt het «sport» van een ander gedachte te zijn dan de vorser, want het gebied der onzekerheid is het terrein van iedereen, van de amateur en zelfs van de leek: de vorser weet immers niets, evenmin als de gewone nieuwsgierige.  Vooraf is het nuttig goed onderscheid te maken tussen de termen: historisch feit, wetenschappelijk zeker, waarschijnlijk, mogelijk, niet bewezen, veronderstelling berustend op een feit, vermoedens gesteund op een traditie, gewoonte, gratis vermoeden, louter fantasie.

De Nood Gods van Watervliet

1. In de 90 blz. neerslag van het wetenschappelijk onderzoek vinden we niet veel over de invloed die de eerste pastoor Adrianus Withooge gespeeld heeft.  Feit is dat deze eerste pastoor begraven ligt in het koor van Watervliet (1510) naast de stichter der kerk Jeronymus Lauwerijn (1509).  Meestal veronderstelt men dat Lauwerijn de schenker is van het drieluik.  Daarvoor is echter geen enkel bewijs.  Zelfs geen aanduiding (wapenschild, opschrift noch patroonheilige).  Lauwerijn kan natuurlijk de schenker zijn: hij bouwde immers een ganse kerk !  Maar rijke mensen zijn dikwijls niet zo nederig dat ze anoniem blijven.  Pastoors daarentegen zijn soms wel eens nederig maar zelden rijk genoeg (of vrijgevig).  In het schilderij steekt ook heel wat teologie.  Kunstenaars zijn doorgaans geen grote teologen.  Er is meer kans dat priesters daarvan iets kennen.  Dit is nu een typisch altaarstuk.  In de Romeinse Liturgie begint de canontekst na de consecratie met deze woorden: «... Daarom gedenken wij het lijden, de dood en de verrijzenis van Christus».  Dit is precies wat de drie luiken van het schilderij voorstellen.  Bovendien wordt de dood van Christus voorgesteld op het ogenblik dat Maria haar dode Zoon gaat omhelzen.  Dit is niet toevallig.  De dood van de Heer ware nog beter voorgesteld op het ogenblik dat Christus sterft op het kruis.  Maar het triptiek was bestemd voor de Mariakerk van Watervliet, vandaar dat Maria wordt voorgesteld als deelgenote in het Verlossingswerk.  Deze aanduiding maakt het waarschijnlijk dat het altaarstuk door iemand is besteld en niet toevallig gekocht op een venditie.

In de XVIe eeuw was de Kruisweg als devotieoefening nog niet gekend.  Heel recent is daarbij de uitbreiding tot 15 staties, de 15de zijnde de Verrijzenis.  Maar op de Nood Gods van Watervliet vinden we de eerste statie: Jezus voor Pilatus op de gesloten luiken, de 15de statie op het rechtse zijluik plus de kruisdraging en de kruisdood op de andere luiken: t.t.z. het prototype van een moderne kruisweg.  Wie heeft de schilder daartoe geïnspireerd, temeer dat 'Jezus vóór Pilatus' in die tijd een uiterst zeldzaam onderwerp is in de kunst.  «Toeval» is een te gemakkelijke uitleg. Waarom zouden we niet mogen veronderstellen dat Adrianus Withooge daarvoor werd geraadpleegd.  Het ligt toch voor de hand dat de pastoor de aangewezen persoon is om de schilder voor het devotionele voor te lichten en te inspireren; hij had er zeker de tijd voor want er waren nog maar een handvol parochianen.

De criticus Paul Vanaise zegt dan ook terecht dat de eerste pastoor niet uit te sluiten is als eventuele opdrachtgever of schenker.  We willen er aan toevoegen: zeker niet als inspirerende teoloog.

Daarom is het mijn inziens volledig gewettigd, wanneer de kruisweg als oefening van devotie soms nog wordt bedreven (ik denk aan goede vrijdag en Allerzielen) daarvoor dit triptiek te gebruiken.  Het zal de overweging van het lijden veel meer bevorderen dan de kruisweg die in de XIXe eeuw aan de pilaren van de kerk werd aangebracht en die noch religieuse, noch kunstwaarde bezit, de architektuur van de kerk geweld aandoet en storend werkt te midden van 20 andere mooie schilderijen.  Vermelden wij nog dat onze voorgangers in de XIXe eeuw meenden het geloof te redden met een prachtige 'Aanbidding der Wijzen' van dezelfde Meester van Watervliet te verkopen om die waardeloze 14 staties-kruisweg te kunnen betalen ! Die 'Aanbidding der Wijzen' prijkt nu in het Museum van Antwerpen.

2. De achtergrond van het middenpaneel stelt een landschap voor dat Jerusalem moet betekenen.  Welnu het grote gebouw vertoont een toren en een puntgevel die zeer typisch zijn en een bizondere gelijkenis vertonen met de Jerusalemkerk te Brugge.  Die toren is in de werkelijkheid bekroond met een koperen bol.  (Momenteel wordt hij gerestaureerd).  Op het schilderij echter ziet men elders in het landschap, boven de rug van Sint Jan, een staketsel met een bol.  Op de toren wordt er gewerkt, en wat gemeend werd een klok te zijn heeft er de schijn van een windas of ander tuig te zijn om de bol boven te trekken.

In de werkelijkheid heeft de ronde toren nog twee aangeplakte torentjes langs de voorkant.  Daarvan ziet men ook op het schilderij een begin van opbouw.  Waarschijnlijk is het schilderij geschilderd tijdens de voltooiing van de toren. Als er een dokument gevonden wordt over de voltooiing van die toren heeft men meteen ook de datum van het schilderij.  Er bestaat dus een sterk vermoeden dat de bruggeling Lauwerijn de schilder uitgenodigd heeft naar Brugge om een kijkje te nemen op de Jerusalemkerk.  Wat op zijn beurt een argument zou zijn voor het mecenaat van Lauwerijn of diens brugse omgeving.

De Jerusalemkerk dateert van 1428.  De bol op de toren is zeker later te situeren.  Best mogelijk kon dit het begin van de XVle eeuw zijn, wat overeenkomt met de tijd van het schilderij.  De Jerusalemkerk heeft laat-gotische vensters.  Op het schilderij staan ze met ronde bogen.  Maar dat is goed te begrijpen, want de schilder heeft reeds renaissancetendenzen.  Ook de kerk van Watervliet had in de XVIIe eeuw rondbogige vensters.  Wie weet hebben er vroeger ooit spitsbogige ingezeten.  Feit is dat bij de restauratie der kerk in 1893 gans de kerk is voorzien van neogotieke spitsbogen en veel te zware monelen, evenals met een grote spitstoren.  De Meester van Watervliet heeft echter de Jerusalemkerk bekeken met renaissance-ogen en als hij in zijn verbeelding de bol reeds op de toren ziet verandert hij meteen al de spitsbogige vensters in ronde vensters.

Als aanvulling van de artikels der vorsers van het Instituut menen we te mogen besluiten dat
1.  Adrianus Withooge, de eerste pastoor van Watervliet kandidaat mag gesteld worden op de lijst van de mogelijke schenkers, opdrachtgevers, teologische raadgevers en inspirators.
2.  De gebouwen in het landschap houden wel verband met bestaande gebouwen, zeker wat betreft de Jerusalemkerk van Brugge.

Ignace STOCKMAN.

Separator

Hier kan u dit kunstwerk in kleur en in detail heel goed bewonderen.

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice


Meest recente bijwerking: 27 March 2018