Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1969, 2de jaargang, nr. 3
 

UIT HET
VROEGERE
SCHOOLLEVEN
 

Eeuwen lang werd het onderricht te Knesselare en elders in het Meetjesland verstrekt door de kosters en parochiegeestelijken.  De plaatselijke pastoor gaf «lering» (= godsdienstonderricht) in de kerk en, tijdens zijn vrije uren, onderwees de koster sommige dorpskinderen in lezen, schrijven, rekenen en zang. In Frans-Vlaanderen noemt men de onderwijzer nog altijd «de schoolkoster».

Het schoollokaal was een betrekkelijk grote plaats, in het huis van de koster zelf.

Het aantal leerlingen was eerder gering, vooral in de zomer, want er bestond geen schoolplicht en de kinderen moesten zeer vroegtijdig werken.  Meisjes en knapen van zes à zeven jaar worden reeds aangeduid als «spinsters» of «koeiers» van beroep.  Dit wordt trouwens ook bewezen door het groot getal ongeletterde mensen van die tijd.

Gewoonlijk lag het schoollokaal in de nabijheid van de kerk, omdat de kinderen ook de kerkelijke diensten moesten opluisteren door hun gezangen.  De meubilering bestond uit de opvallende leerstoel van de meester, een zeer in 't oog springende «katheder», en uit enkele lage zitbanken.  Lessenaars voor de leerlingen waren niet aanwezig; wie schrijven kon, moest zijn lei of wastafeltje op de knieën laten rusten.  Over de vloer had men biezen of stro uitgespreid en vaak zaten er heel wat kinderen op de grond neergehukt.

Een bord, op een ezel geplaatst, was niet altijd beschikbaar.  Aan de wand hingen er «tabulae», een soort muurplaten, waarop het alfabet of een ander leerrijk onderwerp afgebeeld stond.  Ook de zogenaamde «artikelbrieven», of vergunningen om school te houden, ontbraken niet.  Soms werden er spreuken of zedelessen uitgehangen...

De kamer werd verwarmd door een open haard en verlicht door kaarsen.  Voor verwarming, licht en strooisel moesten de kinderen zelf zorgen; vanaf 15 oktober tot 1 mei diende elk kind dagelijks, met zijn schoolgerief, ook een blok hout mee te brengen.  Indien de leerlingen biesgeld, houtgeld en kaarsgeld wilden betalen, zorgde de koster echter zelf wel voor strooisel, brandhout en licht.

Dikwijls hing er buiten op straat, boven de schooldeur, een mooi geschilderde «caerte of monster»; dit uithangbord wilde niet enkel ter kennis brengen dat er aldaar klas gegeven werd, maar wou meteen een sprekend bewijs leveren van de sierlijke schrijfkunst van het schoolhoofd !

De tucht in deze scholen kwam volledig overeen met de middeleeuwse beginselen en opvattingen.  Zij berustte op het besef, dat de mens door de erfzonde bedorven en van natuur uit steeds tot het kwaad geneigd is; daarom was zij dan ook zeer streng.

Als prikkels om de tucht te doen heersen of te bevorderen, gebruikte men straffen en beloningen, doch de eerste kwamen natuurlijk veel vaker aan bod dan de tweede.

Geldelijke boeten stonden op tal van kleine en grote overtredingen.  In sommige scholen betaalden de leerlingen, wanneer zij te laat kwamen, voor de eerste maal drie stuivers, voor de tweede maal zes stuivers en verder «pro arbitrio», d.w.z. naar goeddunken van de meester.  In die arme tijden waren zulke boeten beslist «afdoende».

Schandelijke straffen wachtten het kind dat te traag, te weinig begaafd of te lui was om te leren.  Een ezelsbord werd hem op de borst gehangen, of een ezelsmuts op het hoofd geplaatst.  In sommige scholen werd deze ezelsmuts dagelijks, onmiddellijk na het gebed, bij de aanvang van de klas, de zwakste leerling op het hoofd gedrukt, om daarna doorgegeven te worden aan hem die fouten maakte, niet oplette, of het antwoord op een vraag schuldig bleef.

Babbelaars kregen een lange, vuurrode «babbeltong» vóór de kin gebonden, vervaardigd uit wollen stof.  Soms bleven zij dagenlang daarmee rondlopen.

De straf die echter veruit het meest toegepast werd, was de tuchtiging met plak of roede.  De middeleeuwse schoolmeesters waren overtuigde mannen van: «Wie de roede spaart, haat zijn kind».  Voor de minste overtreding mocht de meester lijfstraffen toepassen en kregen de kinderen klappen met de plak op de handen, of slagen met de roede op de benen, op het zitvlak en zelfs «up de bloote billen».

Wanneer het lente werd, koos men een mooie meidag uit, om in het bos de vele roeden te gaan snijden, die voor de tuchtiging van wederspannige leerlingen gedurende een gans jaar gebruikt zouden worden.  Meesters en leerlingen trokken stoetsgewijze door de velden naar het woud en brachten juichend en zingend grote pakken roeden het dorp en de klas binnen.  (Zo bv. te Maldegem en Sint-Kruis).

Al waren ze zeldzamer, de beloningen ontbraken toch niet.  Kinderen die zeer flink gestudeerd hadden en zich schitterend gedroegen, genoten het voorrecht te mogen meehelpen bij de dagelijkse bestraffingen; dikwijls mochten zij de ezelsmuts plaatsen op de hoofden van hun al te schalkse makkers, of zelf de stokslagen toedienen, als beulen voor hun «misdadige» kameraden !

In die tijden aanzag men de aflaten als een zeer grote gunst.  Bisschoppelijke brieven verzekerden aan de beste leerlingen een dubbele aflaat van tweemaal veertig dagen.  De grootste beloning voor vlijt en goed gedrag bestond echter in de gewetensrust en wij zien, dat zeer veel middeleeuwse studenten werkelijk zo gestemd waren, dat het bewustzijn van hun onberispelijkheid en deugd hun hoogste beloning betekende.

Bij het Sinterklaasfeest kozen meester en leerlingen de knaap die het meest uitmuntte door vlijt en goed gedrag, tot bisschop.  Hij mocht lekkernijen, noten en kastanjes uitdelen.

Op zondag was het natuurlijk geen school; ook de donderdagnamiddag hadden de kinderen vrijaf :

«'t Is gheweest eene costuym over lange jaeren,
die de meester donderdaechs nae noen oorlof sal verclaeren,
hetwelck is midden ter halver weken,
omdat de memorie des clercks niet te seer sal breken,
't welck deur 't lange studeeren is gheworden moe en laf...»

Vacantie was onbekend, maar de feestdagen waren zeer menigvuldig en werden met schoolse dartelheid gevierd.  In enkele scholen kon men ook vrijaf «kopen».  Met geld vermocht men veel in de middeleeuwen...

De kerkelijke overheid is daar echter tegen opgekomen.  Reeds in een verordening van 1233 kunnen wij lezen:
«Een schoolmeester, die om geld aan de studenten verlofdagen geeft, die niet door de Kerk gevierd worden, en die zulks uitsluitend uit geldzucht doet, maakt zich schuldig aan Simonie; maar doet hij het slechts om de kinderen verzet te verschaffen, dan handelt hij wel verkeerd, maar bedrijft geen zonde van Simonie».

Practisch aangelegd als ze waren, gebruikten de middeleeuwse meesters de dagen vrijaf als een geschikt middel, om zich op regelmatige wijze door de leerlingen te doen betalen.  Op de dag dat de knaap zijn termijngeld afgaf, schonk de onderwijzer hem een volle of een halve dag vrijaf.

Op kerkelijke feestdagen voerden de kinderen zangstukken en toneelvoorstellingen op, ook in de kerken.  Toneel werd pas in de kerken verboden na de godsdienstberoerten, wegens de misbruiken.

A.R.

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice


Meest recente bijwerking: 27 March 2018