Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1969, 2de jaargang, nr. 4
  Over ontginning
te Ursel en Aalter,
in het midden van de
18e eeuw
 

In een brief, door Antoine de Stoop, abt van Drongen, in 1753 gericht aan de Oostenrijkse keizerin Maria- Theresia, vraagt hij amortisatie van dodehandsgoederen, die hij zich aangeschaft had in de streek van Ursel en Maldegem, rondom het Drongengoed.  Die lange en merkwaardige brief wordt bewaard in het Rijksarchief te Brugge, Liasses, nr 5213.

De Drongengoedhoeve die wij nu kennen was toen nog maar pas gebouwd; de omringende akkers waren geschapen uit volle heide en zeer slechte, ongecultiveerde grond.  Het bedrijf werd op dat ogenblik uitgebaat door een gezin van vijftien personen en men hield er reeds veertien melkkoeien en acht à tien werkpaarden op na.  De hoeve was nochtans slecht gelegen: 4,5 km. verwijderd van de Brugse Vaart, op méér dan 3 km. afstand van de naaste kerk en op ongeveer 1 km. van het dichtste, bewoonde gehucht.

Hoeve

Rondom het goed heerste nog de wildernis.  Daar lagen honderden en honderden bunder ruw veld, onbebouwde en onvruchtbare heide, met hier en daar vijvers, plassen en een slecht bos.  Abt de Stoop spreekt over de ontginning van die streek, zoals hij die ziet, en hij heeft merkwaardige opvattingen over dit werk.

De grond moet eerst gezuiverd worden - zegt hij - en anderhalve voet diep omgekeerd, «gediepgrond» dus.  Men moet sloten delven van vier voet diep en zes voet breed, op een regelmatige afstand van vierentwintig voet van elkaar.  Met de grond, afkomstig van dit bedelf, zal men het omgekeerde veld bedekken, om achtergebleven wortels en zaad van onkruid helemaal te verdelgen.  Zonder deze voorzorg zouden de wilde planten nog met meer kracht woekeren dan vroeger en de nieuwe aanplantingen verstikken.  Gezien de grond zo ongelooflijk slecht is, zal men niet aanstonds kunnen 'zaaien en zich voor 'jaren moeten beperken tot bosaanplanting.  Rechtstreeks overgaan van heide naar akkerland blijkt hier alleszins onmogelijk, zonder de tussenvorm van bos.

Er zal daarenboven hard moeten gewerkt worden in dit magere, nieuw aangelegde bos, vooral dan gedurende de eerste zes jaren.  In zo'n lastige kleigrond vol keien zal het enorme arbeid vereisen de sloten goed te onderhouden, voor de afwatering te zorgen en de bodem steeds zuiver te houden.  Arme werklieden zullen daarbij voor jaren arbeid vinden; zij kunnen immers instaan voor het delf- en onderhoudswerk, voor het planten, zaaien, houthakken, snoeien van bomen, enz.  Deze ontginning zal enorm veel geld kosten en aanvankelijk niets opbrengen.  Het kan wel vijftien, zestien jaar duren vooraleer er opbrengst is van het eerste tailliehout en nog wel vijftig tot honderd jaar eer er winst zal komen van het vellen en verkopen van opgaande bomen.  Maar uiteindelijk wordt al die arbeid zeker beloond en zal het een goede investering blijken, zowel voor de ontginners, als voor de gemeenschap en voor het rijk...

Tot daar, in grote trekken, de visie van abt de Stoop, uitgebreider weer te vinden in «Het Maldegemveld» van D. Verstraete en in «De ontginning van eigen heidegronden door de abdij van Drongen ...» van G. De Smet (Appeltjes van het Meetjesland, 111, 1951).

Het loont de moeite deze opvattingen eens te vergelijken met een ander document nopens dezelfde materie, in een gelijkaardig gebied.  Wij bedoelen een niet ondertekend stuk, afkomstig uit het fonds «Ursel», nr 557, in het Rijksarchief te Gent.

Dit document beschrijft zeer goed, na onderzoek ter plaats, de verschillende stadia van de voorgenomen en aanbevolen ontginning in de westhoek van Aalter, bij de grens met Sint-Joris-te;o-Distel en Beernem (wijken Vaanders, Bakensgoed en Kliplo).  Wij zitten hier in 'het noordoostelijk deel van het Bulskampveld.  Het stuk draagt geen datum, maar uit verschillende aanwijzingen blijkt dat het moet dateren' uit de jaren 1730/1760.  Ziehier de tekst:

«Naer rijpe examinatie van een deel ouden bosch, heyde ende oude vijvers gelegen binnen Aeltre, genaempt het Klippelhof, groot circa 150 gemet Gendtsche maete, om me alle tselve tot culture te brenghen ende daervan inde toecomst profijt te genieten, tsij tot saylanden ofte maeken van bosschen, behoorde g'observeert te worden:

«Eerst moeter eenen middel gevonden worden om het water uyt de voorenste vijver te konnen lossen, dat sijnen cours moet nemen noordtwaert tot in de Brugsche vaert op de prochie van St-Jooris... van 't begin van voornoemden vijver tot aen den Kleenen Schoorloovijver, wesende eene distantie van beth 200 roeden, het oudt watergeleet behoorelijck te suyveren, delven ende diepen.

«Van daer voorwaerts Noortwaert door de proprieteyt van Phil. de Langhe, baljuw van Bellem(1), en de andere, door de vijvers genaemt de Vaenders moet den voorseyden waterloop tot op de prochie van St-Jooris vervolgt worden tot dat de behoorelijcke val van 't waeter gevonden wort...

«Sonder dat sulcke gedaen sij ist onmogelijk de vijvers tot eenige culture te brengen ofte de bekostijnge waere teenemael vruchteloos.

«Maer aengesien het terrain groot is, ende buyten de vijvers hoogten ligghen die niet en kannen inonderen, kan men provisoirlijck voortsgaen met het defriceren.

«Eerst alles meten.  Dan dreven trekken.  Ook behoorde rijpelijk ondersocht of men geene middel vinden kan om eenige der vijvers tot maymeerschen te brengen...

«Het afcappen van den aenwas der heijde, garshutten ende andere onkruijden, mitsgaders die te branden, sal seer veel faciliteren om den sueren ende bitteren grondt te soeten en beteren aerdt te brengen.

«Naer dat die afkappinge ende brandijnge gedaen sij, kan den grondt seer gevoegelijk met een koppel peirden ende ordinairen ploeg gelabeurt worden ende daerinne rogge gesaeyt ofte koolsaet, wies de vrucht salvo justo de bekostijnge sal uytbrengen.

«Het volgende jaer wederom beploegt ende besaeyt met haver ofte boucquijt(2) sonder vette, sal waerschijnelijk wederom meer als de bekostijnghe uytmaeken.

«Het derde jaer met Brugsche ofte Oostendsche vette, zeep ende bleekersasschen gemest ende andermael met rogge besaeyt, sal wederom in twee jaeren meer als den onkost gevonden worden, ende alsoo sal den grondt tot eenen goeden standt ende vruchtbaer gemaekt worden, tsij om saijlanden te blijven, ofte bosch te maeken.

«De voorder heyden, daer men geene moere ofte aenwas heeft om af te kappen ende branden, moeten met ordinairen ploeg omgereden worden, daernaer diveirs gevierendeeld, daer naer gebroken met een ijzeren hegde(3), soo danig dat die capabel is omme daer inne te saeycn, maer moet ook met vette ofte asschen gemest worden, als hiervooren ende dat ten minste 5 à 6 consecutive jaeren, gelabeurt ende besayt om den bitteren ende sueren aert daer uyt te weiren.

«Om alle de voorseyde redenen ist dat men oordeelt dat aldaer een hofstede behoordt te wesen, omdat aldaer geen peirden te bekommen sijn, om de te defriceren landen tot culture te brengen, boven datter ook geene werklieden te bekommen sijn, ende de gonne die men tot het werck moet employeren ten minst vijf quart urs van daer wonen, d'helft van hunnen dag loon verdienen ende verslijten in 't gaen ende keeren, daer boven het minste quaet weder dat overkomt, geen schuylplaetsen konnen vinden ende alsoo hunnen dag vruchteloos genieten.

Kapelleke Bakensgoed
Kapelleke Bakensgoed

«Men reflecteert ook dat den te stellen bouw niet vruchteloos sal wesen, vermits aldaer een pachtgoet kan blijven van 50, 60 à 70 gemeten die volgens de conjectie van tijdt genoegsaem sal begeirt worden en waer uyt wel schoon intrest te verwachten staet.

«(Als de tijd gelijk hij nu staet, nog eenige jaeren blijft) zullen nog pachtgoederen geconstrueert worden (omtrent de voorseyde proprieteyt) en dat de gronden maer omtrent een alf ure van de Brugsche vaert gelegen sijn, ook dat de vruchten maer onderworpen sijn aen den 33en schoof ofte bondel voor thiende, wesende noval, omme de proprietarissen van diergelijcke landen aen te wackeren tot het defriceren sal men eenige exempelen stellen.

«t Sedert omtrent 70 jaer is aldaer gekomen sekeren heer Baecke(4) natif van Oudenaerde ofte daeromtrent, proprietaris van een groot deel heyde, die door sijn sobre gestaethede aldaer heeft gebauwt een hutteken, ende allengskens tot beteren staet kommende, heeft bekommen een koppel peirdekens, koyen, etc., den welken alsoo van tijt tot tijt aldaer heeft gedifriceert een groot deel heyden, deselve besayt, landt ende bosch gemaekt, boom en geplant, soo daenig dat actueelijk cildaer door hem ende sijne kinderen ende kleenkinderen tot drij pachtgoederen sijn gekomen, veel bosschen ende schoone boom en sijn gegroyt.

«Gelijk ook tsedert den tijdt een weinig van daer, differente woonijngen door besem maeckers ende turfkappers sijn geconstrueert, de landen gedefriceert ende tot culture gebracht, die aldaer met eene twee dry coyen hunne subsistentie genieten.

«Met een woordt, d'experientie doet ons leeren datter menigvuldighe sterrile landen, soo op Aeltre als andere daer omtrent gelegen, door het defriceren ende cultiveren tot goeden staet sijn gebracht, tot groot profijt van de gonne die sulckx ondernomen hebben, de nombre daervan waer te lanck om te verhaelen, recours tot de PP. Jesuiten van Brugge.

«Men sluyt hiermede dat eenen persoon den middel hebbende om soo een werck aen te gaen, sijn pennijngen niet beter nochte profitabelder kan anleggen, te weten als hij geen geit wilt sparen, om alles wel te doen, gelijk hiervoren is aangewesen».

Al blijkt duidelijk, vooral uit het laatste gedeelte van het geciteerde document, dat het opgemaakt werd met een vooropgezet doel, toch verschaft het ons, evenals de brief van abt de Stoop, zeer interessante details over de manier van ontginnen in de schrale streek van het Houtland, omstreeks het midden der 18e eeuw.

A.R.
 

__________________________
(1) Was in 1759 gehuwd met Anna Monica Bake, dochter van Joannes Engelbert Bake, van het Bakensgoed.  Zie Arth. Verhoustraete: Het Bakensgoed te Aalter.  Terug naar de tekst
(2) Boekweit.  Terug naar de tekst
(3) Eg.  Terug naar de tekst
(4) De familie Bake verwierf het heideveld in 1655, ontgon en bouwde.  Vandaar de naam «Bakensgoed», voor hoeve en wijk.  Terug naar de tekst

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice


Meest recente bijwerking: 27 March 2018