Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1970, 3de jaargang, nr. 1

Oud Bellem

«Bellem !  Een naam die klinkt gelijk een belle !  Het moet ons dan ook niet verwonderen dat er velen zijn, die denken dat de benaming van dit lieve dorpje, dat op 20 km. van Gent gelegen is, moet toegeschreven worden aan «bel» of «bellen».

De oudheidskundigen zijn het over den oorsprong der benaming niet eens.  Niet één echter zet een stelregel vooruit, die een «bel» in het gemeentezegel wettigt...»

Aldus vangt een anonieme auteur zijn artikel aan over «Bellem en zijn poel», in het weekblad «ABC», nummer van 4 juni 1933, blz. 16-17.  Het is inderdaad zo, dat het zg. sprekend wapen van Bellem ongetwijfeld geen uitstaans heeft met het ontstaan van de plaatsnaam en van het dorp.

Bellem is trouwens geen van de oudste parochies van de streek.  In het zo volledig en geprezen «Toponymisch Woordenboek van België, Nederland... vóór 1226», van M. Gysseling, komt de naam niet eens voor.  Men vindt Bellem, vóór 1250, nergens uitdrukkelijk vermeld.  Wanneer de bisschop van Doornik dit gewest in 1242 bereist en doorkruist, om de grenzen van verschillende parochies vast te leggen, vernoemt hij Bellem niet eens.  Komend aan Hansbeke-veer, bij de Durme (= Brugse Vaart), zegt de bisschop dat zijn voorganger, Walter van Latem, reeds de parochies Zomergem en Ursel afgebakend had en dat hij toen ook «Assert en Menevelt" van hun oude parochies afscheidde.  Deze afscheiding is zeer waarschijnlijk de stichting van de parochie Bellem geweest, die bijgevolg omstreeks 1240 zou plaats gehad hebben.

In elk geval duikt de naam Bellem reeds op in de rekeningen van de baljuw van de Oudburg, over het jaar 1291.  Deze naam zou kunnen afgeleid zijn van het Germaanse Bello-heim = woonplaats van Bello.

1. De kerk van O.L.Vrouw te Bellem, omstreeks 1922.
    Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove, Knesselare.

«Bellem zou gevormd geweest zijn, voor het zuidelijk deel uit Lotenhulle, en voor het noordelijk deel waarschijnlijk uit Aalter» (Arthur Verhoustraete).  Het is alleszins typisch dat men te Bellem hedendaags nog de «Aaltermeersen» en het «Aalterveld» kent, in de noordoosthoek van de parochie.  Ook een blik op de kaart, met de loop van de grenslijnen, bevestigt dadelijk deze stelling.

De feodale toestand van Bellem is niet zo ingewikkeld.  De parochie werd duidelijk in twee onderscheiden delen gesplitst door de weg van Aalter naar Hansbeke, op Bellem de Wagebruggestraat geheten. Het deel ten zuiden van die weg en ongeveer 210 ha groot lag onder twee heerlijkheden, namelijk de westkant onder Schuurvelde en de oostkant onder Schoonberge.  «De heerlijkheid van Schuurvelde had haar zetel te Lotenhulle en het foncier ervan was het Goed te Schuurvelde, dat even ten zuiden van de grens tussen Bellem en Lotenhulle ligt.  Het Bellemse deel van deze heerlijkheid bestond uit niets anders dan veld, vijver en bos.  Heden ten dage is dit deel bijna totaal bebost.

Ten noorden van de Wagebruggestraat lagen vijf zeer kleine enclaves van Schuurvelde, o.a. in de Hauen en in de Gavers.  Vermeldenswaard is dat de visserij in de Bellembeek, tot aan haar monding in de Hoge Kale (nu de vaart) dicht bij Hansbekeveer, een leen van Schuurvelde was.  Deze heerlijkheid, ten andere, had enkele lenen liggen in Hansbeke.

Schoonberge op Bellem was een enclave van de aldus genaamde heerlijkheid op Aalter.  Hieronder lag het goed van de Cisterciënzerinnenabdij van Marquette bij Rijsel.  Dit was 31 ha groot, waarvan (in de 17e eeuw) 7 ha. bouwland en 7 ha bos; de rest was nog heide.  Binnen deze heerlijkheid lagen eveneens het Goed te Kromeke en het Klein Goed te Kromeke.

2. Het kerkgebouw van Bellem, vóór de brand van 1944.
    Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove.

Het deel van Bellem gelegen ten noorden van de Wagebruggestraat was van een constitutie onder feodaal opzicht.

Dit deel was zodanig doorspekt met percelen die onder het Land van de Woestijne (zetel te Aalter) renteplichtig waren, dat men geneigd zou zijn te zeggen dat gans dit gewest een deel van gezegd land en heerlijkheid was.  Niet alleen afzonderlijke percelen, doch ganse hofsteden renteerden onder Woestijne (bv. het «Groot Goed», alias de «Goedingen», en het «Kerkegoed»).  Ook de priesteragie (= pastorij) en zelfs het goed van de baron van Bellem waren in dat geval !

Doch de heer van het Land van de Woestijne was, in tegenstelling met Aalter en met Knesselare, alwaar hij tevens heer van die parochies was, geen heer van Bellem.  Hij kon dus geen rechten laten gelden op de hem niet renteplichtige gronden; hij bezat evenmin het recht van hoge justitie te Bellem.  Dit behoorde aan de Vorst, die tevens heer van Bellem was.  Het is aldus dat men heeft kunnen spreken van het «Vlaendersche» te Bellem...

Halfwege de 15e eeuw overleed de laatste heer van Schuurvelde, zonder erfgenamen achter te laten.  Aldus keerde deze heerlijkheid terug naar het domein van de graaf van Vlaanderen en van toen af waren de dorpsheerlijkheid van Bellem en de heerlijkheid van Schuurvelde feitelijk verenigd.  Zij hadden dezelfde baljuw; onder deze treft men verschillende leden van de familie Wyts aan.  Deze had een buitengoed dat stond omtrent daar waar later het kasteel van Bellem gekomen is, doch iets meer oostwaarts.

3. De pastorij en een deel van het dorp in 1906.
    Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove.

Koning Filips II verkocht in 1577 de heerlijkheden van Bellem en van Schuurvelde aan Mijnheer Karel Rym, die reeds heer van Ekenbeke te Aalter was.  Bellem en Schuurvelde werden verenigd tot één heerlijkheid, onder de naam van «parochie en heerlijkheid van Bellem en Schuurvelde.»

De verkoop was gebeurd, mits de som van 11.000 pond... » (Arthur Verhoustraete).  Zeer lang bevonden kerk, pastorij en kasteel van Bellem zich werkelijk aan de rand van een woestenij; het dorp moet oorspronkelijk een zeer onaanzienlijk vlekje geweest zijn.

Het noorden van Bellem was eertijds drassig en moerassig; in 1726 lezen we nog dat «Bellem zoo leege lag, dat meestal de gronden vóór het delven van de vaert bestonden in sure ettynghen, bestaen met biezen, sterck geinondeert door het water, nauwelijks bequaem om de beesten op te weyden» (Gemeentearchief van Aalter).  Het meest zuidelijke deel bleef heide, bos en veld tot op het einde van de 18e eeuw; het landboek van 1639 vermeldt voor dit gebied van 415 ha grootte: 60 ha bos, 275 ha ruw veld en vijver, tegenover slechts 80 ha bouwland, waarvan dan nog 30 ha in de kom van het dorp zelf.

4. De Gemeenteplaats en het Gemeentehuis in 1903.
    Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove.

In zake kloosterbezit spraken wij reeds over het goed van de abdij van Marquette, op de huidige wijk Markette.  Ook de abdij van Sint-Pieters bij Gent had, op de uiterste noordkant van Bellem, 30 gemet eigendom liggen; genoemd landboek van 1639 spreekt aldaar nog wel over een «cloosterhof» en een «mote», doch het is niet meer uit te maken, of dit goed toen nog bewoond of behuisd was.

De Potter en Broeckaert beweren dat Bellem eertijds kerkelijk onder Aalter stond en dat de oudste vermelding van de kapel der proosdij van Bellem dagtekent van 1435.  Zij geven daarvoor echter geen bronnen of bewijzen aan.  Maar op een lijst van 1331, waar alle parochies der dekenijen van het bisdom Doornik opgesomd worden, vinden wij de kerk van Bellem, toegewijd aan O.L. Vrouw Boodschap, onder het patronaat van het Kapittel van Doornik !

Na 1559 behoorde Bellem tot de dekenij Tielt, onder het bisdom Gent. Doch in 1688 schreef de bisschop een brief aan de deken van Deinze, om hem het toezicht op Bellem toe te vertrouwen.  Die overdracht duurde evenwel slechts twee jaar, want in 1690 werd Bellem opnieuw bij Tielt gevoegd.  Welke redenen bisschop de Hornes daartoe hadden bewogen wordt niet gezegd (Dr. Michel Cloet).

Na 1802 kwam Bellem onder de dekenij Nevele en vanaf 1917 onder Zomergem, om in 1969 terug over te gaan naar Nevele.

Over het uitzicht van de primitieve kerk van Bellem weten wij niets.  Zij kan niet groot geweest zijn, want in 1630 telde de parochie nog maar nauwelijks 500 inwoners, waaronder 300 paascommunicanten.  Na de Geuzenberoerten lag deze kerk totaal verwoest en was er geen plaats om de goddelijke diensten te celebreren.  In 1610 schrijft de deken van Tielt nog in zijn verslag: «Bellem - ecclesia tota destructa, ita ut locus non sit ad officium divinum celebrandum»; terwijl hij in 1626 kan getuigen dat de kerk hersteld en het kerkhof opnieuw ommuurd was: «ecclesia bene composita et decenter ornata, et coemiterium noviter ad plateam conclusum muro» (Dekanale Verslagen, Tielt). 

5. Het kasteel van Bellem (nu «Mariahove») in 1913.
    Foto uit de verzameling van A. Ryserhove.

De Moeder Gods werd te Bellem speciaal vereerd.  Haar feestdagen lokten telkens veel volk naar de kleine parochie («quibus est magnus confluxus populi»).  Men mocht toen zelfs de H. Eucharistie buiten de kerk uitreiken, op het kerkhof en op het plein («fiat de moribus antiquis» ).

Volgens de Status van 1623 stond er toen te Bellem een kapelletje bij de ingang van het kerkhof, doch het was zo klein dat het zeker voor de goddelijke diensten niet in aanmerking kon komen (Dr. Michel Cloet).

De verwoeste kerk moet herbouwd zijn in de jaren 1619-1624; alleszins was het portaal reeds in 1622 opgemaakt; maar alles bleek pas definitief voltooid in 1650, door toedoen van Karel Rym II, heer van Bellem.  In 1847 werd de kerk echter nog belangrijk vergroot en verbouwd.

«Zooals wij ze heden zien, — zeggen De Potter en Broeckaert een eeuw geleden, — is de kerk van Bellem in drie beuken verdeeld, in welker midden, boven het portaal, een schoone vierkante toren oprijst, die gedeeltelijk tot het laatste tijdvak des ogivalen stijls behoort.  Aan iederen hoek dezes torens zijn dubbele steunmuren vast, waarvan de kegelvormig eindigende uitsprongen aan acht in den muur gedrukte torentjes gelijken.  In elke der vier zijden van den toren treft men een ogivaal venster, met windschutters aan, welk van weerskanten, van boven, met kanteelen is bekroond.  Omtrent het midden des torens prijkt een uit hardsteen gehouwen loofwerk, met een wapen versierd, waaronder men den naam der familie Rym leest.

6. De Brugse Vaart, de omgeving van de brug en molen Goethals-Colle circa 1905.
    Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove.

De groote ingangdeur, in eikenhout en zeer breed, is rondbogig, met kunstig snijwerk, waaronder een Mariabeeld, versierd, en draagt het jaartal 1664.  Bij de laatste vergrooting der kerk, in 1847, werd er aan de bouworde eene merkelijke verandering toegebracht; de linker zijbeuk, die van een later tijdstip dan de middelbeuk is, werd alsdan tot aan de verdieping van den toren verlengd, die door deze verandering een groot deel van zijn monumentaal uitzicht heeft verloren.  De middelbeuk rust op ronde pijlers, die drie galerijen uitmaken en met veelhoekige kroonstukken, zonder krollen, zijn bedekt.  Het koor, tegen welk men de sacristij heeft gebouwd, is zeer klein van omvang, en veelhoekig.  Er zijn twee zijaltaren».

In september 1944, door oorlogsfeiten, brandde de kerk volledig uit.  Veel kostbaar meubilair ging verloren.  Het gebouw werd hersteld, doch voor het interieur is de schade onherstelbaar.

Bellem heeft een oppervlakte van 1.208 ha.  De bevolking bedroeg in 1801 1.249 zielen; in 1859 1.930; in 1865 2.061; in 1920 1.837 en in 1945 1.593.  Zij was in 1966 geslonken tot 1.530 inwoners.

De priesteragie of hofstede van de pastoor was vroeger 9 gemet groot en bestond in 1639, behalve de «lochting» uitsluitend uit slecht weiland, zg. «Veltbilcken».

Vóór de eerste wereldoorlog stonden er vóór de pastorij zes hoge ratelpopulieren.  Op de zuidkant van de Dorpsstraat vond men, behalve de pastorij, nog vier kleine, behuisde hofsteden.  «Een daarvan, de meest noordelijke, werd in 1715 eigendom van Joan Dierickx, baljuw van Sint-Pieters neven Gent, die er een «huis van plaisance» van maakte.  Dit was de oorsprong van het rond 1830 gebouwde kasteel Stuivenberge, dat rond 1935, samen met het park, volledig gesloopt werd» (A. Verhoustraete).

De familie Rijm, dorpsheren van Bellem, bezaten aanvankelijk geen goed op deze parochie, tenzij 22 gemet grond, de «Capellekens» genaamd, gelegen op de grens met Lotenhulle en deel uitmakend van het oude Schuurvelde.

7. Zicht op het kanaal en de bruggewijk, met de onttakelde molen Goethals, omstreeks 1922.
    Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove.

«De Ryms, in rechte afstamming, zijn heren van Bellem gebleven tot in 1715, wanneer Maria-Theresia Rym haar vader opvolgde.  Zij was gehuwd met Louis-François, prins van Montmorency, eerste kristen baron van Frankrijk, heer van Roeselare, enz...  Dezes kleindochter, Louisa-Augusta, prinses de Montmorency, echtgenote van Marie Joseph de Vaudemont, prins van Lorreinen-Elboeuf, was de laatste «Vrouw» van Bellem.

Rond 1635 kochten de Ryms het buitengoed van de Wyts', dat amper 15,5 gemet groot was.  Kort daarna, omstreeks 1650, bouwden zij hier een kasteel en in 1655 werd Bellem en Schuurvelde tot baronnij verheven, nadat Karel Rym II het goed aanzienlijk vergroot had door aankoop, in 1652, van de Bellemvijver (135 gemet).  Voormelde prinses van Montmorency verkocht in 1808 het kasteel en gans het Bellems goed (daarin begrepen de Krompoel) aan Jacob-Lieven van Caneghem, die het in puin gevallen kasteel in 1815 liet herbouwen; tot dan toe was de hofstede aan de Krompoel zijn buitenverblijf geweest» (A. Verhoustraete).

Na 1800 zijn er ons te Bellem slechts twee molens bekend, nu beide gesloopt.  Een uittreksel uit het proces-verbaal van afpaling der gemeente, dd. 27 mei 1809, bij het opmaken van het Frans kadaster, vermeldt: «Il y a deux moulins à vent dans la commune.  Ils ne forment qu'une classe.  Ces moulins sont occupés par les propriétaires.  L'expert soussigné estime leur produit égal à ceux de 1e classe de Sommerghem, qui sont évalués en revenu de 360 F, le tiers déduit».

De stenen korenwindmolen nabij de brug van Bellem, afgebeeld op onze foto's 6 en 7, behoorde oorspronkelijk aan Jan-Ferdinand Goethals en was eerst een houten oliewindmolen; die was opgebouwd omstreeks 1800, op de noordzijde van de vaart, op perceel A 290.  In 1850 viel hij bij verkaveling ten deel aan Pieter Goethals, olieslager te Bellem, die in 1855 de toelating vroeg om een stenen molen op die plaats te bouwen.  De vroegere houten molen werd dan ook nog hetzelfde jaar vervangen door een stenen, eveneens dienstig tot het malen van graan.  In 1888 werd de molen verkocht aan Goethals-Colle Hippoliet, mulder, die er het volgend jaar een stoomtuig bij plaatste.

Maurice-Jozef Goethals-Muys, eigenaar geworden bij gifte in 1914, zou eerst de molen onttakelen, die beschadigd was door beschieting in 1918.  Het bedrijf werd in een elektrische maalderij veranderd, omstreeks 1931.  Na 1940 brak men ook de stenen kuip van deze molen af.

Een zeer oude, houten korenwindmolen behoorde het laatst toe aan de familie De Reu en werd in 1911 volledig gesloopt.  Hij stond in het dorp, nabij de «Goedingen», op het perceel D 9.  Dat was «den koornwindmeulen van Bellem» uit het Oud Regiem.

(Wordt voortgezet)
ALFONS RYSERHOVE
ROMANO TONDAT.

Separator

Oud Bellem 1, 2, 3, 4, 5, 6

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice


Meest recente bijwerking: 27 March 2018