Uit tijdschrift "Ons Meetjesland",
1970, 3de jaargang, nr. 2

Het verdwenen "Kasteel Lauweryn"
te Watervliet

Gedurende de opgravingen naar het vroegere Wilhemmietenklooster te Watervliet in 1963, werd mij door verschillende personen gevraagd ook eens te zoeken naar de plaats waar eertijds het in de volksmond genoemde "Kasteel Lauweryn» stond.  Dit voorstel boeide mij wel, op voorwaarde dat ik niet te veel tijd zou moeten verliezen met langdurige opzoekingen in het oude archief.  Dat viel echter mee.

Het centrum van Watervliet volgens de kaart van Ferraris,
met de kerk, het plein, de schutterswip, de molen en
het «Kasteel Lauweryn».

Men moet soms wel een beetje geluk hebben in die zaken.  Tijdens een bezoek aan het Rijksarchief te Brugge, in verband nog met de opgravingen van het Wilhemmietenklooster, vond ik een zeer goede aanwijzing op een kaart, getekend door Petrus d'Herbé in 1756.  Daarop ziet men duidelijk de heerlijkheid van Watervliet aangeduid, de verschillende polders, de molen, het plein, de kerk, de enkele schaarse woningen en ook, ten oosten van de kerk, het huis Lauweryn met de omwallingen en de dreef die van deze woning naar de kerk liep. Deze dreef was de eerste toegangsweg en bleef zelfs in gebruik tot vóór een tiental jaren. Ook heb ik toen een foto gekregen van Mevr. Trenson, waarop die dreef duidelijk zichtbaar is. Daarenboven geeft de kaart van Ferraris eveneens een zeer klaar beeld van de omwalling, van het huis Trenson (vroegere stallingen van het huis Lauweryn) en van de plaats waar het «kasteel» vroeger heeft gestaan. Volgens de kaart van Ferraris had Lauweryn, aan het begin van de dreef, een pad dat vandaar recht naar de kerk liep, waar er voor hem een afzonderlijke doorgang was gemaakt. Die deur bestaat nog in de kerkmuur en geeft uit op de vroeger genoemde St-Christoffelkapel.

Ik heb nu reeds vaak de kaarten van Ferraris gebruikt, ook voor andere opzoekingen, en ik meen te mogen zeggen—rekening houdend met de toenmalige middelen en omstandigheden—dat deze kaarten zeer betrouwbaar zijn. Ik besloot dan ook, na de opgravingen van het Wilhemmietenklooster, onmiddellijk met de opzoekingen naar het huis Lauweryn te beginnen.

Bij een bezoek aan de heer en mevr. Trenson, de huidige eigenaars van de percelen waaronder de grondvesten konden liggen, verkreeg ik de toelating voor de nodige graafwerken.  Indien er met proefputten en sleuven positieve resultaten mochten bereikt worden, dan konden wij ook verder doorwerken.  Ik mag hier wel een paar woorden van lof en dank sturen aan deze eigenaars, voor hun begrip, hulp en volledige bereidwilligheid bij de uitgevoerde opgravingen.

Verschillende personen die werden aangesproken of die uit zichzelf met mij in contact kwamen, waren alle de mening toegedaan dat het huis Lauweryn op de boomgaard gestaan had, gelegen achter het huidige huis Trenson.  Dit gedeelte van de grond ligt wat hoger dan de omgeving.  Die voorstelling was echter volledig in weide tegenspraak met de geconsulteerde landkaarten en daarom vroeg ik aan de eigenaar om wel degelijk op de door mij voorziene plaats te mogen graven.

Bij de voorbereidende werkzaamheden ter plaats, vernam ik ook dat er op het gemeentehuis nog een oud landboek aanwezig was.  Dit werd mij door de heer secretaris bereidwillig ter inzage gegeven.  Het bleek een kaartenommeloper van 1748 te zijn en daarin las ik onder nr 1, 15: «Den selfden heere heeft in proprietyd 6 roeden, waerop staet syn casteel, abouterende (= palend) oost ende suyd zijn selve, west de cheynsen en het kerckhof en noord den dijck dier». Dus weerom een vrij duidelijke aanwijzing. die met de twee hogergenoemde bronnen weinig twijfel liet over de juiste ligging van het verdwenen kasteel.

Op 23 oktober 1963 werd er begonnen met de eigenlijke opgravingen. Spoedig werden de eerste grondvesten gevonden, die een gemiddelde diepte hadden van 1,40 m. De breedte van de buitenmuren was 0,75 m tot 1 m. Bij het volgen van deze ontdekte grondvesten vond men de eerste kelder. waarin nog twee treden zichtbaar waren, die de ingang van deze kelder aanduidden.  De lengte van de treden was 1 m, de breedte 0.23 m en de hoogte 0.20 m; zij bestonden uit kleine steentjes van 16 x 3.8 x 8 cm. In de vloer van de onderste of eerste trede was er ook een putje, dat waarschijnlijk gediend heeft om doordringend grondwater op te vangen, dat daarna uitgeschept kon worden.  Er werden daarbij verschillende scherven gevonden, waaronder lichtgroene, lichtbruine (van jongere datum), veel dikgeroeste nagels, kleine scherven arduin en zeer veel stukjes schalie.  Bij de grondvesten die deze eerste dag werden ontdekt is het mij opgevallen, dat deze meestal bestonden uit gebroken en herbruikte bakstenen.

's Anderendaags was het mooi weer en kon er begonnen worden aan het ruimen en uitkuisen van de kelder. Veel moed om nog enkele gave bouwmaterialen aan te treffen had ik niet, daar ik de vorige dag ook even gebladerd had in de «Geschiedenis der gemeenten van Oost-Vl.», door De Potter en Broeckaert en waarin deze auteurs, onder «Watervliet», vermelden dat het kasteel Lauweryn volledig afgebroken werd in 1828.  De slopingen van gebouwen gebeurden in die periode juist zeer grondig, dat heb ik zelf meermaals ondervonden.

Verschillende personen die naar de opgravingswerken kwamen kijken wisten te vertellen, dat ze van hun ouders en grootouders vernomen hadden, hoe het afbreken van het kasteel door zeer veel personen gebeurde, men zou bijna moeten zeggen: in gemeenschap. Rechtover de ingang van het huis Trenson staan inderdaad nog enkele huisjes, die gebouwd zijn met materialen afkomstig van de sloping. Ik heb er enkele onderzocht en een paar metingen verricht; de bakstenen bv. hebben dezelfde kleur en afmetingen en op sommige ziet men nog duidelijk de verschillende resten van de vroeger gebruikte kalkmortel.

Mensen uit de omgeving wisten mij ook te verzekeren dat er veel Delftse tegels uit het kasteel werden gehaald, die nu nog verschillende schoorsteenmantels en zelfs een W.C. versieren. Van deze mooie tegelversieringen zijn er ondertussen echter heel wat afgebroken, vernietigd ofwel verkocht. In een plaatselijke herberg zijn er nog een belangrijke hoeveelheid te vinden onder het behangselpapier; die tegels werden daar in de tijd aangebracht om de vochtigheid in de muur tegen te gaan!

Nu, tot daartoe dan. De kelder moest leeg worden gemaakt en dat was geen klein bier, wanneer men bedenkt dat er zo maar even ruim elf kubieke meter steengruis in lag!  Dit karweitje duurde tamelijk lang en leverde daarbij weinig resultaat op, voor wat betreft het vinden van enkele gaaf gebleven bouwelementen. De ondervloer bestond uit een laag rechtstaande, gele, IJselse steentjes van 16.50 x 8 x 3,80 cm. Daarenboven lagen nog twee lagen rode vloertegels van 23 x 23 x 3 cm, beide lagen zodanig geplaatst dat de naden niet op mekaar vielen, met de bedoeling het insijpelen van het grondwater te voorkomen. Deze kelder had ook een speciale muurverdichting tegen het water. Deze bestond uit een laag kalkmortel tegen de opgaande muur. daartegen dan platen in groene leisteen van 0.90 x 0,50 x 0.008 m. daarna terug een laag kalkmortel en eindelijk daarop nog een tweede rij platen in leisteen, opnieuw zodanig aangebracht dat de breedtenaden niet boven elkaar kwamen te staan. De heer Jan Van Hinte, uit Sint-Kruis (West-Zeeuws-Vlaanderen), had bij een bezoek aan de opgravingswerken deze groene leisteenplaten ook opgemerkt en was van mening dat deze afkomstig waren uit Engeland.

Langs de noordzijde van de grondvesten vond ik verder nog het overblijfsel van een gemetselde bakstenen goot, die zeer glad was uitgeschuurd, waarschijnlijk vanwege het doorstromend water.  De reden of het doel van die goot kon ik echter niet achterhalen.

Bij het verder reinigen van de kelder en de grondvesten. heb ik terug een eigenaardigheid gevonden: twee muren in baksteen, in de lengte gemetseld, met een tussenruimte van 0,85 m; onderaan gaan deze muren naar elkaar toe. De bakstenen hebben hetzelfde formaat als deze van de grondvesten. De tussenruimte is geteerd geworden en die muren sluiten tegen de keldermuur aan; dit alles was nog duidelijk zichtbaar. Bij het volgen van de smalle keldergang vond ik nog een tweede kelder, die van een jongere datum was, alleszins na 1700 aangebracht. Daarin trof ik geen bevloering aan, wèl twee treden uit harde witsteen.

De grondvesten en keldervloeren lagen allemaal proper opgekuist. Op de noordzuidkant van het gebouw ziet men funderingen van jongere datum, die op niets uitlopen; door het feit dat ook dit gedeelte reeds op de kaart van Ferraris als bebouwd aangeduid staat, dateren ze bijgevolg van vóór 1775.  Volgens de afmetingen van de stenen zullen zij echter slechts kort vóór dit jaar aangebracht zijn, waarschijnlijk ter gelegenheid van het onderbrengen van een brouwerij op het kasteel.

Aan het «Kasteel Lauweryn» moet er oorspronkelijk veel witsteen verwerkt geweest zijn; want op het huidige hof Trenson liggen er nog heel wat stukken van deze stenen; zij komen hier en daar verspreid voor, om gedurende de regenperiode als «droge doorgang. gebruikt te worden. Veel witsteen werd ook als afboording aangewend. De bevloering van het kasteel, op het gelijkvloers, bestond uit arduinen tegels.

ALGEMEEN BESLUIT: Volgens de staat van de grondvesten zullen wij hier inderdaad wel met een kasteel te doen gehad hebben, zij het dan ook van eerder beperkte omvang. Er werd veel witsteen gebruikt voor traptreden, dorpels, vensterbanken, deur- en raamomlijstingen. De dakbedekking was van schaliën.  Er werd echter niets van houten materiaal teruggevonden.
 

    De oude stallingen.

Hier volgt nog iets meer over de oude stallingen van Lauweryn, of het huidige huis Trenson.  Dit woonhuis diende vroeger inderdaad voor stalling of «remise» van de vroegere eigenaars van het kasteel.  Over dit gebouw kan men zeggen, dat er in de loop van de tijd weinig aan verbouwd werd.  Enkel is er aan de linkerkant van het gebouw een gedeelte dat vroeger in hout was, ofwel open stond, tot aan het dak gedicht geworden.  Dit moet gebeurd zijn omstreeks 1800, want het werk is uitgevoerd in Scheldesteen.  Van de paardestal werd er al jaren geleden een koestal gemaakt.  Van de twee bergplaatsen voor voertuigen is de ene gebleven zoals ze eertijds was, doch de tweede—waarvan de poortopening gedicht is—werd verdeeld in drie plaatsen, waarin regelmatig jonge runderen worden geplaatst.

De huidige woonkamer zal wel, als plaats, origineel bewaard gebleven zijn, doch de oude haard is reeds tientallen jaren vervangen door een gemetselde muurschouw met Leuvense stoof.

De achterkeuken heeft een hoekschouw, waarvan men moeilijk kan bepalen wanneer zij gebouwd is. Hier vinden wij ook de trap die naar de zolder leidt en de ingang van de kelder, met een voutkelder-trapdeur, die—wanneer zij dicht lag—toeliet de kleine op- of hoogkamer te bereiken, over deze kelderdeur. Kelder en opkamer zijn zo goed als onveranderd gebleven.

Nu rest ons nog de zolder.  Deze heeft een schaargebint, genummerd van I tot en met VI.  Op het gebint nummer III zijn de beginletters A. D. aangebracht, maar dan op een wijze die ons zou doen besluiten, dat ze door de een of andere grapjas daar geplaatst werden.

Buiten het gedeelte boven de keuken, dat verder opgebouwd is tot onder het dak, werd er dus eigenlijk niets aan het huis Trenson veranderd.  Spijtig dat er geen tekening bestaat van het vroegere huis en de «remise» Lauweryn, want deze zou ons werk een grote stap vooruit gebracht hebben !

Afmetingen van de stenen van het huis Trenson :
    lengte:    22 x 22,50 x 23 cm
    breedte:  10 x 10,50 x 11 cm
    dikte:        5 x  5,50 x   6 cm

ROMANO TONDAT.

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice


Meest recente bijwerking: 27 March 2018