Uit tijdschrift "Ons Meetjesland",
1970, 3de jaargang, nr. 2

"Wreede moord te Eeklo"

—  Zondag, 18 november 1888 - Rond 6 uur van de avond begon een gerucht de ronde te doen, dat iedereen met afgrijzen vervulde.  Er was een jong meisje vermoord !

Bovenstaande berichtgeving, afgezien van de data, zou een luk-raak afschrift kunnen zijn uit een recent dagblad.  Daar het echter in de criminele geschiedenis der stad Eeklo toen nog geen weerga gevonden had, werd er een buitengewone belangstelling voor aan de dag gelegd.

—  «De Gazette van Eecloo» wijdde een speciaal nummer (1) aan de moord.

—  Dat die misdaad beschouwd werd als een blaam voor de ganse bevolking, blijkt ongetwijfeld uit volgend fragment (2) :
«… EECLOO, alwaar ieder ingezetene er roem op droeg dat die naam met geen menschenbloed was besmeurd, dat EECLOO en MOORD niet samen paarde, Eecloo moet thans vernederd en beschaamd het hoofd buigen...»

—  Op donderdag 22 november 1888 werd voor het eerst op de markt van Eeklo het «Treurig lied op de afschuwelijke moord begaan te Eecloo» gezongen.  Welke waren nu de feiten die aanleiding gaven tot het ontstaan van hogergenoemd lied ?  Rond 5 uur waren twee werkmensen van Eeklo, Emiel Vanderlinden en Joseph de Coninck, langs de wegel gekomen die door de bossen naar de Balgerhoekstraat leidt.  In het «jong sparrenbosch rechtover 't Pannenhuis» hadden zij een flauw geklaag gehoord, twintig stappen van het wegeltje en «in de singel van de sparren op de kant van het duifje» hadden zij een meisje gevonden.  Ze was onherkenbaar, het gelaat was wreedaardig verminkt en met messneden doorploegd.

Onmiddellijk werd alarm geslagen.  Niet veraf, in «Het Wijnhuis», zaten o.a. gendarm Claes en nachtwaker Longueville.  Beiden snelden naar het bos.  Het slachtoffer vertoonde nog tekenen van leven, doch helaas, nog vóór ze kon praten gaf ze de doodsnik in hun armen.

Kommissaris Pladet en een paar agenten bevonden zich weldra bij het lijk, maar nog steeds was de identificatie niet bekend.  Uit de kledij bleek dat het slachtoffer de zondagskleren droeg van de werkmansklasse bestaande uit een zwarte mantel, zwarte tulpen muts, blauw kleed, samoisen voorschoot, zwarte gebreide borstdoek, lage schoentjes, naast haar een regenscherm.  Het was reeds laat in de avond als haar naam voor het eerst werd uitgesproken.  Het was Marie-Mathilde De Poorter, 23 jaar oud, bijgenaamd, naar haar aangehuwde vader, Mathilde Meiresonne.

Van zohaast het slachtoffer was gekend, werd ook de moordenaar aangewezen. Spoorwegwachter De Messemaeker had het paar 's middags nog op wandel gezien. Het betrof K.L.S., in de wandeling Loden S., minnaar van de vermoorde. Men dacht aanvankelijk dat hij zelfmoord had gepleegd in de vaart te Balgerhoeke.  Uit een paar verzamelde gegevens bleek alras, dat de man zeker niet uit het goede hout was gesneden.

Tot vóór een paar dagen was hij in dienst geweest van de heer Fideel Boute te St-Kruis (Zeeland), doch nu werkloos.

Wegens schriftvervalsing was hij onlangs veroordeeld.

Ook onder het vaandel (klas 1880, 4° regiment artillerie) had hij geen schitterende reputatie gehad.

Onmiddellijk werd de opsporing bevolen. St-Laureins, Maldegem, Aardenburg, SintKruis-Winkel werden uitgekamd, alle gemeenten waar familieleden gehuisvest waren. Ongerust door het laat uitblijven van hun dochter en de wilde geruchten over een moord, besloot de zwakke moeder van het meisje zichzelf van de toestand te gaan vergewissen.

... Zij naderde al bevend, gaf eenen schreeuwen zonk in onmacht neder.  Bij het schijnsel der maan had zij haar arm kind in de verslagene erkend...

Op haar kinderen geleund, sukkelde de gebroken vrouw huiswaarts; aan de afspanning «Het Wit Kruis» - waar laatst haar dochter had gediend, - zakte ze op de dorpel in bezwijming neder.

Dol van woede, gewapend met een riek begaven de twee oudste broers Petrus en Eduard zich in het bos, gans de nacht zochten zij de moordenaar... zonder resultaat echter.

Met de trein van 8u33 kwam het parket aan; na op de plaats van de misdaad te zijn geweest, gingen ze over tot de lijkschouwing.  Vervolgens namen ze plaats in de zaal van het vredegerecht, waar ze hun rapport opstelden en overgingen tot het getuigenverhoor.

Uit hogervermeld rapport weten we dat dokter Meire de dood van het meisje bestatigde.

... De halsslagader was doorgesneden.  Het slachtoffer moet bij het voelen van het mes het hoofd neergebogen hebben, want de snede was niet door de keel, maar over de slapen en de mond voortgegaan.  Nog verscheidene sneden in het gelaat, er was dwars door de kleeren een lap vleesch uit den schouder gerukt.  Het mes was tusschen het tweede en het derde wervelbeen doorgedrongen...

Vervolgens werden de getuigen aan een verhoor onderworpen.

Jan De Decker van Raverschoot:  «... 't Was vóór de Blakstraat...  S. ging met de handen in zijne broekzakken».  Hij sprak De Decker aan en zegde heel koelbloedig: «Dag Jan ! hoe laat is het al ?»  De Decker had daarop zijn uurwerk uitgetrokken en geantwoord: «Het is half vijf».  Op dien oogenblik had den afgrijselijken schurk pas zijne misdaad bedreven.»  S. was de Blakstraat ingeslagen...

Uit andere verklaringen vernemen we dat hij op Raverschoot in de herberg van Van Bastelaere een glas bier gedronken had, niemand had iets aan hem opgemerkt.  Later bij de weduwe Pierets, op Balgerhoeke, en bij de weduwe Claeys had hij ook een glas gedronken.  Vandaar was hij in de richting van St-Laureins vertrokken.  De voornaamste getuige was ongetwijfeld slijper Louis Lion.

«... Woensdag voor de moord, rond drie uren dertig had S. eenen luiker gekocht.  Dat mes had S. op de muis van zijne hand beproefd, zeggende: «Het snijdt niet genoeg, ge moet het eens wetten !»  Toen het gewet was, bezag hij het mes eens goed en zegde: «Nu zal het er doorgaan».

Tijdens het getuigenverhoor kwam Pieter De Bruycker, landbouwer in de Moerstraat, boven en vroeg om de heren te mogen spreken.  Hij had S. gezien in het sparrebos op het einde van de St-Jansdreef.  Het was twaalf uur vijftien, toen deze wendinggevende verklaring gedaan werd.

Onmiddellijk werd tot de actie overgegaan.  Terwijl drie gendarmen naar de kazerne snelden om hun paarden te zadelen, was kommandant Pladet met zijn resterende manschappen reeds vertrokken naar de St-Jansdreef.  Gans de stad holde achter hen aan !

Geen uur later kwam gendarm Claes, in gestrekte galop, uit de Molenstraat de Markt overgereden...  De moordenaar was gevangen !  Juichkreten ontsnapten aan ieders mond.

Het parket, dat juist wou vertrekken met de trein van 1 u30, kwam onmiddellijk terug.  Inmiddels had men in de St-Jansdreef het bos omsingeld.  S. stond op dit ogenblik in den ommekeer van den Hazelarenhoek te klappen met zekeren D'Hondt, een kennis.

Gendarm Van Acker had hem rap bij de kraag, «Gij zijt deze die zijn lief heeft vermoord !» zei de wachtmeester en sloeg hem in de handboeien; uit zijn broekzakken haalden ze een ponjaard.  Inmiddels was gans de stad op de been, de gendarmen moesten een weg banen door de woeste massa.  Men sprak reeds van doodsmijten.  Aan alles scheen de moordenaar onverschillig te zijn, onbeschaamd stapte hij naar het stadhuis.

Er waren vier uren nodig voordat S. een volledig relaas gaf van de gepleegde feiten: Het slachtoffer was door hem schandelijk verleid geworden.  Wanneer ze aandrong op een huwelijk, verklaarde hij zonder werk te zijn, maar dat hij dra als brouwersknecht te Gent zou kunnen werken.  In werkelijkheid zocht hij als vrijwilliger met premie dienst te nemen bij het leger.  Wegens zijn wangedrag kon hij echter de nodige papieren niet voorleggen.

Mathilde, die dit vernomen had, slingerde hem hevige verwijten naar het hoofd.  Ze verweet hem zijn verraad en trouweloosheid, maar natuurlijk ontkende hij alles.  Op zaterdag 17 november had iemand haar gezegd: «Mathilde, Loden is soldaat, hij moet aanstaande maandag binnengaan».

's Zondags na de achturenmis wachtte ze haar minnaar op.  Ze stelde voor eens te gaan wandelen naar de Roze, waar het de avond voordien gebrand had.  De geplande wandeling was weer voorzien om verwijten te maken, want tevens had ze vernomen dat S. nu met een meisje van Adegem verkering had.

Volgens getuigen die het paar gezien hadden, was het een hoog oplopende ruzie geweest; Mathilde was schreiend thuisgekomen.

Om twee uur 's middags verscheen S. bij Mathilde thuis.  Wanneer hij aandrong om een wandeling te maken, werd hem dit door Mathilde's moeder formeel geweigerd.  Na lang aandringen kregen ze uiteindelijk toch de toelating, tot vier uur.

— Ongelukkige toelating !...

Over het verloop van die noodlottige wandeling en de moord zelf zijn ons geen gegevens bekend.

Uit S. verdere verklaring bleek, dat hij na de moord naar de Blakstraat is gegaan om zijn handen te wassen en zijn mes weg te werpen.  Na dit alles was hij nog eens naar de plaats der misdaad weergekeerd.  «Zij leefde nog», zegde het onmens, «en ik heb dan twee schuppen op haren kop gegeven...»

Waarschijnlijk wou hij zijn slachtoffer begraven in het bos, wat hem belet werd door de komst van de twee voorbijgangers.

Intussen was het reeds rond vijf uur geworden.  Vóór het stadhuis verzamelde de massa zich weer.  Ze eisten een afrekenino met de moordenaar.  Men vermoedde dat «het beest» om vijf uur zou overgebracht worden naar Gent.  Plots verscheen vóór het stadhuis een gesloten wagen.  Bliksemsnel werd de «vracht» ingeladen.  Niettegenstaande deze voorzorgen, zagen de gendarmen zich verplicht de woedende menigte op afstand te houden met het plat van hun sabel.

De onverschillige en uitdagende houding van S. was verdwenen.  Wat van de bonkige kerel nog restte staat zo geciteerd: «... bleek als de dood en sprakeloos zat hij te beven...»

Het was een jouwende menigte die afscheid nam van «haar» moordenaar.  Een paar uur later, in de stilte van de avond, hoorde men in de holle straten onder luide snikken en kreten galmen:
«Ach Mathilde, ach zuster, gij zijt vreeder geslacht geworden dan een dier !»  Het waren de broers en zusters (3) van Mathilde die door een vijftigtal vrienden en vriendinnen vergezeld, uit den binnen naar huis terugkeerden.

Een paar dagen later, namelijk op donderdagvoormiddag, tijdens de wekelijkse marktdag, werd volgend lied over deze «Wreede moord» gezongen:

«Treurig lied op de afschuwelijke moord begaan te Eecloo» (4)

Vrienden, luistert wat eene wreedheid
er in Eecloo nu is gebeurd,
dat is zulke groote boosheid
waar dat den mensch zijn hart van treurt:
een vreede moord werd daar bedreven
door een booswicht in 't openbaar,
die zijne beminde bracht van 't leven
door jaloersheid, wat groot bezwaar.

De vreede beul die was er gekomen
bij zijne beminde op het onverwacht
en hij heeft een vreed mes genomen
en daar zijn schelmstuk volbracht,
want haar lichaam was gansch doorsteken
't onschuldig bloed stroomde langs den grond;
vol pijn en smert is zij bezweken,
ach Jezus, ik voel mijn laatsten stond.

Als hij de moord daar had bedreven
al met een boos en vreed gemoed,
heeft hij zich op de vlucht begeven,
verliet het moordtooneel met spoed.
Het slachtoffer werd dan opgenomen
bedroefd op een doodsbed gedaan,
duizend menschen zijn gekomen
en zagen daar die vreedheid aan.

Dan werd de moordenaar gevangen
in eenen bosch werd hij gearretteerd,
het volk wil den beul aanprangen
als hij naar Gent is vertransporteerd.
Wat vreedheid komt er te gebeuren,
wat monsters vindt men op aarde toch,
maar zijn vreedheid zal hij betreuren
in een prison als wangedrogt.

Maar geen pen die kan beschrijven
de droefheid van haar vrienden teer,
zij voelden 't bloed in 't hart verstijven
zo vreed vermoord lag zij daar neer;
in wat een smart is zij bezweken
al door de hand van eenen barbaar,
zij is van haar minnaar doorsteken,
wel vreeden beul, gij moordenaar !

Dan is 't meisken naar 't graf gedragen.
O, moordenaar, door uw boos gemoed,
zij zullen u eens rekening vragen
voor dat onschuldig meisje's bloed !
Als gij op haar het mes liet blinken,
op haar die u oprecht heeft bemind,
had God u dan maar doen verzinken,
gij hadt dat zeker wel verdiend.

E. De Smet

__________________________
(1) «Gazette van Eecloo», zondag 25 november 1888, n° 1 102 (uittreksel). Terug naar de tekst
(2) Overgenomen uit .Verschrikkelijke Les., een zedenles gebaseerd op de moord uit «Gazette van Eecloo», zondag 25 november 1888. Terug naar de tekst
(3) Samenstelling van het huisgezin waarin Mathilde vertoefde, bevolkingsregister 1880, Boek 8, folio 158:
Peperstraat, nr 6 :
Meiresonne Leonard, gehuwd met De Poorter Marie-Thérèse.
Kinderen:
De Poorter Marie-Mathilde, ° 4-2-1866, † 18-10-1888 (Vermoorde),
Meiresonne Petrus-Francies ° 1867,  Prudence ° 1869,  Eduard ° 1873,  Marie-Julie ° 1875,  Marie-Sulma ° 1883,  Augusta ° 1877,  Marie-Mathilde-Clemence ° 1879 en Marie-Celine ° 1885, alle kinderen geboren te Eeklo. Terug naar de tekst
(4) S.A. Eeklo - ongeklasseerd archief. 30. Terug naar de tekst

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice


Meest recente bijwerking: 27 March 2018