Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1970, 3de jaargang, nr. 3

Oud Bassevelde 3

De oude afwatering van Bassevelde werd verzekerd door de Braakman en vooral door de Moerwatergang, die deze gemeente doorsnijdt van het zuidwesten naar het noordoosten.  Andere waterlopen, natuurlijk ontstaan ofwel in vorige eeuwen door mensenhand gedolven, zijn: de Isabellawatergang, eertijds veel breder dan nu, de Hoge-Vorstwatergang, de Legemeerswatergang, de Beeuwelingwatergang, de Landwatergang, de Blauwepoortwatergang, de Hollemeerswatergang, enz.

Goede zorg voor de afwatering en bedijking was noodzakelijk, want in de late middeleeuwen werd het noorden van Bassevelde meermaals door watervloeden geteisterd en bedreigd.  In 1394 is er voor het eerst spraak van een dijk, die toen aanwezig was tussen Bentille en Assenede, dus langs de zuidzijde van de in 1375/76 door overstroming ontstane «Zuutzee».  Deze dijk moet reeds spoedig na de ramp zijn aangelegd, op de hogere rug, die men de Benthil (Bentheuvel) en De Heerst noemde. Maar men bleef niettemin ongerust.

«Blijkbaar vertrouwde men voor de toekomst niet uitsluitend op deze flauwe terreinverheffing.  Door de storm van 1394 werd deze dijk beschadigd.  De baljuw van Brugge verklaarde op 18 juni van dit jaar, dat hij opdracht had gegeven «omme te truckene up de dikage van Bochoute ambacht tussen Benthille ende Assenede ambacht»; men zou overleg plegen met de geërfden van het ambacht Boechoute, van Bassevelde en Kaprijke, die «in discorde waren» omtrent het herstel van de dijk.  Er was een gevaarlijke situatie ontstaan door "den groten storem van der zee, die onlanx te voren verleden zo grote scade ende grief ghedaen hadde an de vors. riike, dat nootzakelijc was, die haestelijc te doene repareerne»; het er achter liggende land dreigde anders overstroomd te raken.  Wegens de heersende onenigheid van de gelanden kon het dijkherstel niet naar behoren worden uitgevoerd.  Boechoute klaagde "dat zij zoe cleene menichte waren van lieden ende zo veraremt van den vloeden van der zee ende van den orloghe, dat zij gheene macht en hadden den dijc weder te makene in der voerme ende manieren, dat hi was vóór de laeste vloet». Kaprijke en Bassevelde beweerden, dat Boechoute verplicht was, de dijk te herstellen en te onderhouden.  Bassevelde, dat tot geen enkel waterschap behoorde, zorgde toch voor een bepaald dijkvak, maar daar de bewoners eveneens van overstroming en oorlog hadden geleden, konden zij slechts met de hulp van Kaprijke en Lembeke herstelwerkzaamheden aan de dijk uitvoeren.  Men richtte daarom tot de gecommitteerden het verzoek, Kaprijke en Lembeke te verplichten, samen met Boechoute en Bassevelde de kosten van het dijkherstel en -onderhoud te dragen, waarop inderdaad aan ieder van hen een dijkvak werd toegemeten» (Archives du Nord, Ulle, Chambre des Comptes, B 1356/18951; Dr. M.K.E. Gottschalk: Historische geografie van Westelijk Zeeuws-Vlaanderen, I, 182-183).

Ook in maart 1450 werd de streek opgeschrikt door een hevige storm.  Biervliet stelde in de Oostpolder een perceel grond van de stad beschikbaar, «om er de benodigde aarde voor de dijkversterking uit te halen en liet in de kerken van Gaternesse, Schoondijke, Boechoute, Bassevelde, Willemskerke en Vremdijk een oproep doen voor aannemers en dijkwerkers» (Gottschalk, id., 11, 66). De zorg voor de dijken vergde enorme sommen.

De stormen van 1480, 1483 en 1488 waren andermaal rampzalig.  Daarenboven liet aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk op vele plaatsen in de Vier Ambachten, tijdens de burgeroorlog, de dijken doorsteken (Rijksarch. Gent, St-Baafs, nr 96, rekening van 1488).

«Vele bewoners van het ambacht Boechoute waren voor het dreigend oorlogsgeweld gevlucht. De dijken en landerijen lieten zij geheel aan hun lot over.  Vermoedelijk gingen in deze tijd de St-Salvatorspolder en de St-Clementspolder weer verloren.  In het najaar 1491 richtte Engelbrecht van Nassau een oproep tot alle gelanden en inwoners van Boechoute, Bassevelde, Oosteeklo, Kaprijke en andere plaatsen, dat zij, waar zij zich ook mochten bevinden, zo spoedig mogelijk met hun vee en overige bezittingen naar hun woonsteden zouden terugkeren, want ten gevolge van de slechte toestand der dijken werd het land bedreigd door overstromingen. Men mocht alles met zich mee voeren wat voor het dijkherstel nodig was.  Er werden ook arbeiders van elders opgeroepen om in het ambacht Boechoute aan de dijken te gaan werken ... » (Gottschalk, id., 11, 109; Stadsarchief Brugge, Hallegeboden, 1490/99, fol. 73 verso).

Doopvont Bassevelde
15. Oude doopvont van Bassevelde, aangekocht in 1625 en herkomstig uit de Sint-Jacobskerk te Gent, enkele tientallen jaren geleden door dhr. Ego voor vernieling gered.  Thans geplaatst in de tuin van de Juffr. Ego, Dorp, te Bassevelde. Het ware wenselijk dat deze kleine Romaanse doopvont van Doornikse hardsteen (zuiltje 60 cm hoog; kuip 23 cm hoog en 42 cm grootste diameter) op een droge plaats bewaard werd, om verdere verwering te voorkomen.
Foto R. Tondat, Eeklo.

Ofschoon niet zo overvloedig als te Sint-Laureins en Sint-Jan-in-Eremo, lagen er ook in het noorden van Bassevelde, bij de Cleilantsweg en in de richting van Watervliet, heel wat moergronden, waar al zeer vroeg turf gedolven werd, voor brandstof.  Dit gebeurde vooral in de periode 1180-1250.  Na het uitturven van de grond, of het wegscheppen van de veenlaag, bleef er slechts «woestine» of slechte grond over; maar ook deze trachtte men al spoedig te ontginnen, of althans te gebruiken voor veeweide of bosaanplanting. In de jaren 1255-60 is er in de charters herhaalde malen spraak over «de wastine van O.L.Vrouw, tussen Bassevelde en Watervliet», o.m. in verband met het klooster der Wilhelmieten, dat oorspronkelijk temidden van woeste gronden lag, die door de bewoners ervan weldra in cultuur zouden gebracht worden.

Trouwens, de landerijen van Bassevelde behoren veelal nu nog niet tot deze van de beste soort.  De meeste gronden kunnen slechts als middelmatig beschouwd worden, in vergelijking met de omgeving; de wijk Hogevorst is de vruchtbaarste van de gemeente.

Sanderus, die Bassevelde goed moet gekend hebben, vermits hij afkomstig was van Sleidinge en een tijd te Oosteeklo verbleef, zegt dat in 1641 «eene groote uitgestrektheid van Bassevelde met boomen en struiken was bezet, terwijl elders de bodem voor weinig vruchtbaar werd gehouden» (De Potter/Broeckaert, blz. 4).

Natuurlijk heeft de eeuwenlange intense bebouwing en bemesting ook hier de gronden uitnemend verbeterd en verrijkt.  Dat Bassevelde in 1846 een echt landbouwdorp was, blijkt uit de volgende statistiek van dat jaar: men telde er 265 paarden en veulens; 933 hoorndieren en 63 kalveren, 766 schapen, 943 varkens en 26 geiten; er waren toen 567 landbouwbedrijven, waaronder 3 van 40 à 45 ha; 3 van 35 à 40 ha; 6 van 30 à 35 ha; 13 van 25 à 30 ha; 16 van 20 à 25 ha; 15 van 15 à 20 ha; 20 van 10 à 15 ha en 491 beneden de 10 ha.

Een oude pachthoeve was het Goed te Zoeterbeke, 23 1/2 gemet groot en in 1354 eigendom van Bartel van Oosterzele, zoon van Hendrik.  Een ander goed werd op 29 maart 1420, nieuwe stijl, door Pieter Aelbrecht verpacht aan Alard de Munster, voor een termijn van 9 jaar, tegen 33 gr. per gemet; dit bedrijf was 37 gemet groot (A. De Vos, Inv. der Landbouwpachten, I, nr 549).

Jan Boelen fs Simoen verhuurde op 12 november 1449 aan Raas de Cleerc fs Jan een goed van 16 bunder groot, voor 9 jaar, aan 10 schell. per bunder (id., I, nr 1339).  Het Goed ter Weede, met een uitgestrektheid van 40 gemet, bracht in 1494 een pachtprijs van 9 schell. 3 gr. op per gemet en behoorde toen aan Cornelis Lauwereyns, gezeid De Doncker, en aan Arend van den Berghe, kapelaan in de Sint-Michielskerk te Gent; in 1511 bedroeg de totale huurprijs van dit goed 75 pond 12 scheil. parisis.

Christoffel Vijdt fs Adriaan verpachtte op 2 augustus 1499 22 gemet in de Sint-Jorispolder aan Jan Temmerman, Lieven Aertsins, Vincent van Hecke en Jacob de Buydelaere, voor 9 jaar en tegen de volgende voorwaarden: het eerste jaar 11 gulden (40 gr. = 1 gulden); de verdere acht jaar telkens 22 gulden (De Vos, id., I, nr 1867).

16. Hoevewoning Buysse, Beekstraat 51, Bassevelde.
     Foto R. Tondat, Eeklo.

Het Hof te Bassevelde zou reeds omstreeks 1150 behoord hebben aan Dirk, zoon van Arnold van Maldegem, uit het zo machtige en beroemde geslacht der middeleeuwse van Maldegems.

Het leengoed Ter Benningen had een foncier van 94 gemet, nl. het Hooghof, in de Oosthoek. In de 15e eeuw was het in bezit van Elizabeth van Idegem, echtgenote van Colaard de Croix, om voor 1530 in handen te komen van Lucas, Jan, Barbara en Josijne Ruebins, na het overlijden van hun vader.

17. Versierde zool van moerbalk, hoevewoning Buysse,
     Beekstraat 51.
     Tekening R. Tondat, Eeklo.

Andere leengoederen te Bassevelde waren: Noorddonk, Woelputte, Immetuin en Ter Hasselt. Als min of meer aanzienlijke hofsteden mogen nog vernoemd worden: het Goed ten Knokke en het Hof ter Velden, dit laatste gelegen tussen de Sint-Annamolen en het Hooghof of Ter Benningen.

Het Hooghof is een hoeve met een dubbele omwalling.  Vroeger was er een duiventoren, omstreeks 1953 door brand vernield; hij dagtekende minstens van de 17e eeuw. Het was een rechthoekige toren met zadeldakje, vrij eenvoudig. De benedengeleding was overwelfd en de bovengeleding op de vier binnenmuren met kleine, rechthoekige nisjes (duivennesten) bezet (Dr. EI. Dhanens, Invent. Kunstpatrimonium OostvI., Kanton Kaprijke, blz. 24).

De hoevewoning Beekstraat 51, bewoond door dhr. Buysse, is van het beperkt langgeveltype met zadeldak, waarvan de vooruitstekende rand op geprofileerde balkkoppen rust. Boven de voordeur is er een dakkapel. Het huis zelf dateert van 1650-60, doch de huidige deuromlijsting van klampsteentjes, bestaande uit twee pilasters en een horizontale, geprofileerde kroonlijst, is waarschijnlijk van jongere datum (1730-50).

Op zolder is er vroeger een duivenhok geweest, want in de zijgevel vindt men nog de vlieggaten met de zitstenen (5 openingen). Dhr. Buysse wist ook te vertellen dat de oude schuur, die in 1927 gesloopt werd, op een lager gedeelte gebouwd stond en volledig in hout was, met strobedekking.

18. Hoevewoning Maurice Van Zele, Beekstraat 41, Bassevelde.
     Foto R. Tondat, Eeklo

In de huidige schuur vindt men nog een deel van een oude balk uit de vorige en daarop leest men volgend inschrift: «Dese schuere heeft doen maecken Guiliame Pauwels.  Als temmerman ghemaect Beni Stevens van Waerschoot 1661».  Men mag gerust aannemen dat de hoevewoning van ongeveer hetzelfde tijdstip dateert.

In het huis zelf zijn de moerbalken nog goed bewaard.  Een van de balkzolen daarvan is mooi versierd met een groot hartmotief, waarin het zonnewiel zichtbaar is (zie tekening).  Die moerbalken zijn nogal omvangrijk, circa 30 cm x 40 cm.  De schouwen werden later aangepast.  Nog enkele vloeren hebben de originele, rode tegeltjes.
 

20. Eerste schouwbekleding, Beekstraat 41, Bassevelde.
     Frans I en Maria-Theresia te paard.
     Foto's R. Tondat, Eeklo.

De eerste schouwbekleding omvat vele diverse landschaptaferelen, waarin heel wat bootjes en vismotieven zijn verwerkt. Op de schouwmantel vindt men links een tegeltableau dat Frans I te paard voorstelt, en rechts een ander met de voorstelling van MariaTheresia. Onder de schouwmantel zelf treffen wij links een afbeelding aan van O.L.vrouw en rechts een voorstelling van Christus aan het kruis. Deze vier taferelen bestaan elk uit zes tegels.

20. Eerste schouwbekleding, Beekstraat 41, Bassevelde.
     Afbeelding van O.L.Vrouw en van Christus aan het kruis,
     onder de schoorsteenmantel.
      Foto's R. Tondat, Eeklo.
21. Derde schouwbekleding in gleierse tegels, Beekstraat 41, Bassevelde.  Een van de beide uilen, waarvan de kop verkeerd geplaatst werd.
Foto R. Tondat, Eeklo.
 
22. Mooie deuromlijsting van klampsteentjes, in de Statiestraat te Bassevelde. Bemerk de gesmeed ijzeren bovenlichtversiering met het hartmotief en het jaartal 1787.
Foto R. Tondat, Eeklo.

De tweede schouwbekleding omvat dezelfde landschappen als de eerste, doch heeft als tegeltableau's twee grote stermotieven in witbruin gekleurde tegeltjes.

De derde schouwbekleding bestaat uit witte en bruine tegels die in schaakvorm geplaatst zijn.  In de schouw zelf treft men de siertaferelen aan, die beide een uil voorstellen; het eigenaardige daarvan is dat de koppen van die dieren verkeerd staan, ttz. verwisseld werden; de reden daarvoor is wellicht te zoeken in een vergissing of verstrooidheid van de toenmalige arbeider.  Dhr Van Zele beweerde dat reeds zeer veel personen deze uilmotieven hadden bekeken, maar nog niemand tot hiertoe had opgemerkt dat de koppen foutief geplaatst waren.

23. Hoevewoning te Bassevelde, Hogevorst 12, eigendom van de C.O.O. te Gent.
      Foto R. Tondat, Eeklo.

De herberg in de Statiestraat (bij Dr. El. Dhanens : Dorpstraat 86) heeft een mooie deuromlijsting van klampsteentjes en een gesmeed ijzeren bovenlichtversiering, die uit een hartmotief bestaat en waarin het jaartal 1787 verwerkt is.  Binnen de herberg zelf is de houten zoldering nog zichtbaar, doch zij moet vernieuwd zijn na 1900.

De hoevewoning Hogevorst 12 (oud nummer 16) is bewoond door dhr. Willy Van de Velde en dateert van de tweede helft der 18e eeuw.  «Langgeveltype met zadeldak. Interessante gevelcompositie : van links naar rechts, twee vensters van de voutekamer; voordeur met hardstenen omlijsting en ovaal bovenlicht met Louis XVI-girlande; venster van de keuken; twee vensters van de derde kamer» (Dr. El. Dhanens, Kanton Kaprijke, blz. 24). Ook de verdeling van de kruisvensters is in hardsteen. Wegens de steeds slechter wordende toestand van de woning, is de bekende Firma Willy Heene, uit Eeklo, nu begonnen met de volledige restauratie van het gebouw. Dit zeer lofwaardig werk gebeurt op initiatief van de eigenaar, de C.O.O. van de stad Gent.

24. Woonhuis Statiestraat 101, Bassevelde, met mooie en eigenaardige deuromlijsting van zwarte klampsteentjes.
Foto R. Tondat, Eeklo.

Het uiterlijke van het woonhuis Statiestraat 101 wijst op een gewone verdeling van het gebouw; verschillende keren zijn wij daar aan huis geweest, doch de bewoonster was telkens afwezig, zodat wij dus niets kunnen mededelen over het inwendige van deze woning.  De deuromlijsting van zwarte klampsteentjes is evenwel mooi om zien; deze vorm hebben wij nergens elders in gans het Meetjesland ontmoet en zal, volgens onze bescheiden mening, dateren uit de periode 1815 à 1850.

De kapel bij de ingang van het dorp, vermoedelijk rond 1740 opgericht, zou aldaar gebouwd zijn om bescherming te verzoeken tegen besmettelijke ziekten, die toen de parochie teisterden.

(Wordt voortgezet)
ALFONS RYSERHOVE.
ROMANO TONDAT.

Separator

Oud Bassevelde 1, 2, 3, 4, 5, 6

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice


Meest recente bijwerking: 27 March 2018