Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1970, 3de jaargang, nr. 3

Door rasechte Eentvelders verteld...

SPROKKELINGEN UIT EENTVELD

Wieze De Swaef werd besproken en beknibbeld te Knesselare; het was pertang een braaf vrouwmens en wreed gedienstig ook.  Wieze vernam het, maar ze stoorde zich daar niet aan.
— Tut, tut, tut, zei ze, schijt op den boel en laat ze maar klappen !  Wat ik benne, dat ben ik en wat ik niet en benne, dat zal er mij nog geen één bennen !
 

Ik was toen koeiwachter bij S.  Hij had weinig land en altijd veel te veel beesten.  Hij had er geen eten voor.  Maar als ik 's morgens in de schuur kwam lag er daar altijd een grote hoop klaver, mais of snijkoren.  En hij had die vruchten op zijn land nooit staan !
Wanneer ik hem vroeg van waar dat kwam, was hij min of meer gestoord en zei mij: «Van de kabouters !» 
Ik was toen twaalf jaar en het gebeurde soms dat er vier, vijf grote konijnen of een tiental hennen in een kot zaten, die ik moest voederen en die daar de dag tevoren niet geweest waren.
Ik wist wel van waar ze kwamen, maar ik kon goed zwijgen, hé.
 

Pastoor Ide kwam langs de Blakte en hij las in zijn brevier.  +Hij had zo een schone, brede band om zijn middel, met van achter een grote strik. Baaske B. zat op zijn land en zag in 't voorbijgaan dat die band losgeraakt was en over de grond sleepte.
— Mijnheer de Paster, riep Baaske bezorgd, Mijnheer de Paster, uw schone balgriem is losgeschoten ! ...
Eh ja, 't manneke wist niet hoe dat ding heette !
 

Smidje S. moest een ijzeren hoepel om een wiel leggen en, dat hij deed wat hij kon, het wilde aan geen kanten gaan.  Smidje was een wreed koleirig ventje en hij vloekte om hemel en aarde open te scheuren.  Pastoor Van Scheerdyck kwam daar voorbij en hij hoorde dat.  Hij vermaande Smidje streng en hij verzekerde dat God hem vreselijk ging straffen.  Maar Smidje was zo kattepierig en razend dat hij snauwde:
Mijnheer de Paster, 't is elk zijne stiel, Gij uw God en ik mijn wiel !...
 

De oude Dolf V. was een rare kerel, een met veel spreuken.  Als men klaagde van de regen, dan zei hij: We zijn in de regenmaand, hé !  Klaagde men van de vorst, hij zei: We zijn in de vriesmaand, hé !  En zo wist hij altijd iets.
Maria L. had zich laten bedriegen en moest een kindje kopen van haar drinkgeld.  Op een avond kwam Dolf daar voorbij en 't stormde vreselijk.  Maria, die juist de vensterluiken dicht deed, riep hem toe, boven de buisende wind:
— Hewel, Dolf, in welke maand zouden we nu zijn, peins ik?
— In de kindjesmaand, hé !  zei Dolf.
 

V.H. was een arme duivel en weinig christelijk.  Pastoorke Van Butsel kwam hem vermanen — dat moet in 1915 geweest zijn — omdat zijn dochter met een Duits vrijde.  Nu, die dochter was een sloeze ook !
Pastoorke Van Butsel zag wel dat het V.H. niet veel kon schelen.  Eh ja, ze kregen misschien van alles van dien Duits, hé ?
— Vader, vader, zei 't Pastoorke en 't maakte zich kwaad, gij zult hierboven met een rekening staan ! ...
— Gij verdomme ook, siste V.H., met al uw goed eten, uw wijn en uw geld !
 

Zompel was weer eens doodzat en, in 't midden van de straat, sloeg hij op Matje, zijn wijveke, als op een kafzak.  Matje riep moord en brand en daarop komt boer Cornelis buitengeschoten; die was dan schepen van Knesselare ook.
— Miel, roept boer tot Zompel, 't zal zeker al beginnen gaan, of moet ik u wat grote flinken geven ?!...
't Gevecht was subiet gedaan, maar Matje sprong gelijk een kat vooruit naar boer Cornelis:
— o, Gij lelijke, vette boerepens, gij lafhertige beeste, wat hebt gij u daarmee te moeien ?  't Is toch mijne vent, hij mag toch zeker doen met mij wat hij wil, gij verdomde slechte hond ! ...
En Zompel en zijn Matje trokken arm in arm naar huis.
 

Wij waren in de herberg bij H. op een zondagachternoen.  Daar komt een jonge kerel binnen, een van Kleit, een vent gelijk een boom.  Hij vraagt hem een pint.  Maar hij kwam voorzeker wel voor de dochter, in de plaats van voor het bier.
— Kunt gij geweldig zeer lopen, jongen ?  vraagt vader H.
— Ik ?  Waarvoor ?  ...  Bah ja, zeker... , antwoordt die gast.
— We zullen een keer kijken, zegt vader H. en hij zet de voordeur open.

Wij verstonden dat goed en nog vóór de kerel van zijn pint kon drinken, begonnen wij allemaal erop te kloppen en te schuppen, geheel Eentveld.  Hij had geen dorst meer, in een weerlicht was hij weg !  Dat hebben wij vele gedaan en leute dat wij hadden !  Eh ja, de Eentveldse meisjes waren de onze, hé.
 

Beer D.S. had een grote menagie volk.  En als ze aan 't berd zaten, vóór ze begonnen te eten, was dat altijd hetzelfde.  't Werd stil aan de tafel.
— Leest, gij Godver !... tierde Beer.
En zelf bad hij nooit.
 

Pelagie L. was maar een sloor en overtuigd van de grote slechtheid van de wereld.  Als het haar erg tegenging en het leven niet meer waard was, zuchtte ze altijd :
— Ja, ja, als ik nu maar niet geboren en was, ze zouden mij pertang niet meer boren; dat weet ik zeker !

(Verzameld door A.R.)

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice


Meest recente bijwerking: 27 March 2018