Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1971, 4de jaargang, nr. 3

O.-L.-Vrouw van Jesukenseik te Bellem

In onze bijdragen over «Oud Bellem» hebben wij betoogd hoe deze parochie al zeer vroeg een speciale eredienst tot O.L.Vrouw kende.  Niet alleen was de kerk reeds vóór 1331 aan de Moeder Gods toegewijd, maar zij zou ook al in de 15e eeuw een bedevaartsoord van Maria geweest zijn.  Het bijzonder vereerde Lievevrouwebeeldje ging echter verloren bij de vernieling van de kerk in de geuzentijd, onder Pastoor Jan van de Casteele.

Niet zodra daagden betere tijden op, of de eredienst tot Maria hernam.  Haar feestdagen lokten meer volk dan ooit naar de kleine parochie («quibus est magnus confluxus populi»), zodat men weerom als vroeger de H. Eucharistie mocht uitreiken buiten de kerk, op het kerkhof en op het plein («fiat de moribus antiquis»).  Het altaar van O.L. Vrouw in de heropgebouwde bidplaats bleef echter nog enige jaren zonder genadebeeld.  Pas in 1653 zou Pastoor Jan Elincx in deze leemte voorzien.

Een nota in het kerkarchief van Bellem vermeldt:

«Anno 1653 den 30 July is op den autaer van Onse Lieve Vrouwe van Bellem gestelt een L. Vrouw bildeken, gesneden van hout, soo men meent, geseyt Jesus eyck, uyt Soninghebosch, aen welcken boom heeft gestaen het beelt van Soninge, ende in de plaetse van den boom is aldaer opgerecht een schoone keircke ofte capelle, door den eerw. prelaet van Peirck, by Loven, welck beelt in Soninge bosch, soo men hoort, vereerd word met mirakelen, ende den pastoor van Bellem, nu tegenwoordigh, heeft 't haut ontfangen van goeder nant, als wesende van den boven beschreven boom. — Memorie».

Het nieuw beeldje zou dus gesneden zijn, door de zorgen van Pastoor Elincx, uit hout van Jezukenseik (Overijse) en werd — volgens het «Confreriebouck van den H. Roozenkrans te Bellem» — in 1653 op het altaar van O.L.Vrouw geplaatst.  Daar is het ook in de brand van september 1944 gebleven.

Op zondag 17 juli 1890 hadden te Bellem «met toelating van Zijn Hoogwaardigheid den Bisschop» grote feestelijkheden plaats «ter herstelling van den Eredienst tot O.L.Vr. van Jesukenseik».  In hetzelfde jaar verscheen ook het boekje, dat wij in ons vorig nummer, op blz. 75 geciteerd hebben: «Kort verhaal over den oorsprong der parochie Bellem, der kerk van O.L.V. en van... O.L.V. van Jesukenseik, aldaar vereerd sedert 1653» (24 blz.).

Wij ontvingen nu een brief vanwege de heer De Vriese, Gentse Baan 118, te Mariakerke-Gent, die verschillende bijzonderheden meedeelt, vooral geput uit bovengenoemd boekje van 1890 en die wij hier letterlijk laten volgen :

«In de 17e eeuw, aan den vierweg ontstaan door de kruising der wegen welke leiden naar Overijssche, Brussel, Hoeilaert en Tervueren, bevond zich een reusachtige eik, in de volkstaal gekend onder den naam van Duivelseik.

Een christen Brusselaar, de vrees willende verjagen welke deze helsche vierweg in de bevolking deed ontstaan, nam het edel besluit deze plaats te veranderen in een oord van gebed en zalige bijeenkomst.  Pieter Van der Kerckhove — zoo was zijn naam — woonde in de nabijheid van het stadhuis te Brussel en bezat menigvuldige eigendommen te Overijssche, alwaar hij ook het levenslicht zag.  Een Lievevrouwebeeldeken plaatsen aan den gevreesden eik in het Zoningenbosch, was de gelukkige gedachte welke hem beheerschte.  Hij kocht er zich een aan en bereidde zich hetzelve te plaatsen, toen zijn onvoorziene en vroegtijdige dood, voorgevallen op 10 november 1635, hem belette zijn ontwerp ten uitvoer te brengen.  Hij beval echter aan zijne dochter Elisabeth aan dit verlangen te beantwoorden; deze, den laatsten wil van haren stervenden vader willende volbrengen, deed dan ook op de aangewezene plaats het O.L. Vrouwebeeldeken hangen, in eene kas welke hedendaags nog bestaat.  Nu werd de eik gedoopt met den naam van Jesukenseik.

God zegende deze plaats: door buitengewone genezingen en bovennatuurlijke gratiën toonde Hij hoe aangenaam het Hem was, zijne heilige Moeder aldaar vereerd te zien.  Aan den voet van den boom rees weldra eene kapel op en het mirakuleus beeldeken werd daarin geplaatst.

Het gerucht der wonderen verspreidde zich ook in Vlaanderen, speciaal te Bellem, alwaar het van eertijds zoo ieverig vereerd O.L. Vrouwebeeldeken slechts in den tijd van de Geuzen verdween.

De pastoor, Jan Elincx, herkomstig van Leuven, wenschte de oude godsvrucht tot onze heilige Moeder te Bellem opnieuw te doen opstaan en herleven.  Hij wendde zich tot de abdij van Parck nabij Leuven, ontving er een stukje hout van den eik, gekend onder den naam van Jesukenseik, en deed daaruit een beeldeken snijden, juist hetzelfde als dat bestaande te Jezuseik.

Nauwelijks was het op 30 juli 1653 geplaatst op het altaar van O.L.Vrouw in de kerk van Bellem, of een vloed van geloovigen kwam toegestroomd, niet alleen uit de eigen gemeente, maar uit alle dorpen en gehuchten op verscheidene mijlen afstand van hier verwijderd.

De kerk toegewijd zijnde aan O.L. Vr. Geboorte, verkoos men vooral dien dag voor de algemeene bedevaarten (8 september); die bedevaarten waren bekend onder den naam «Bellemnachten», omdat de pelgrims van overal reeds in den nacht opstapten.

Vanaf zonsopgang tot zonsondergang kon men nauwelijks een plaats in de kerk vinden, zoo talrijk waren de bedevaarders.  Door buitengewone genezingen en bovennatuurlijke gratiën beloonde de Heer de dienaren van zijn H. Moeder. Hiervan getuigden de menigvuldige ex-voto's, krukken en offers, welke de wanden der kapel versierden tot in de jaren 1830-40.

Na den dood van den eerbiedwaardigen pastoor Elincx, voorgevallen op 3 december 1665, namen zijne opvolgers de instandhouding ter harte en op 10 juli 1698 werd de eerste steen gelegd der 15 statiën van den heiligen Roozenkrans.  Deze kleine kapellen, waarvan eene nog bestaat, waren geplaatst op den weg thans nog altijd gekend onder den naam van Processieweg of Ommegang.

Deze bedevaarten bleven bestaan tot aan de Fransche Omwenteling.  Het O.L.Vrouwebeeldeken, omringd door menigvuldige gedachtenissen en krukken, bleef eveneens vanaf 1802 zijn gewoonlijke plaats behouden tot in 1840.  De eerw. heer Romaan-Modest van Doorne, pastoor te Bellem van 1830 tot 1860, het zij tengevolge van de veranderingen aan het altaar gedaan, het zij om welkdanige redenen ook, deed in dien tijd al de offers en ex-voto's welke de muren bedekten wegnemen.  Het klein beeldeken, tot dan toe versierd met kleed en mantel, werd van dit omhulsel ontdaan, belegd met eene laag verguldsel en in een open tabernakel geplaatst.

Deze handelwijze kon mogelijk voortspruiten uit het vertrek naar Sleidinge van de familie De Seille, die zich tevoren steeds had gelast met de kleding en de opschik van het beeldeken.

In 1884 liet de eerw. heer pastoor Jan Baptist De Smet een gothischen, eiken autaar oprichten en behield in den troon daarvan eene kleine ruimte, alwaar op onze dagen het eertijds zoo diep vereerd Beeldeken nog altijd pronkt» (1890).

— Tot daar de brief van de heer De Vriese.  Zoals gezegd, ging het beeldje verloren in de kerkbrand van september 1944.

Alfons Ryserhove.
Romano Tondat.

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice


Meest recente bijwerking: 27 March 2018