Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1971, 4de jaargang, nr. 4

Oud Boekhoute 2
 

Het kerkgebouw van Boekhoute was oorspronkelijk opgetrokken in natuursteen, naar Romaanse bouwtrant, met smalle en rondbogige vensters, stevige muren en een vierkante, plompe toren van geringe hoogte.

Spoedig kreeg deze kerk belangrijke voordelen en werd onderrneer vrijgesteld van alle belastingen, cijnsen en tienden op haar bezittingen.  Een — overigens niet bewezen — oude overlevering vermeldt daaromtrent dat een van de Utrechtse bisschoppen, tijdens de vroege middeleeuwen, wegens oorlogsfeiten genoodzaakt werd de vlucht te nemen naar het zuiden en na heel wat omzwervingen hier in de streek belandde, waar hij door de bevolking zeer vriendelijk en voorkomend werd ontvangen, hem een goed onderkomen werd verstrekt en hij alle hulp en bijstand verkreeg, die hij nodig had om zijn bisschopszetel opnieuw te kunnen bezetten.  Uit dankbaarheid voor de bewezen diensten zouden bovengenoemde voorrechten daarna aan de kerk van Boekhoute geschonken zijn...

De vernielde toren van de kerk van Boekhoute
16. De totaal vernielde toren van Boekhoute op 19 september 1944.
Foto Kerkarchief, Boekhoute.

Bij het begin van de XIIIe eeuw moet dan het kerkgebouw in baksteen opgetrokken zijn, waarover wij handelden in de vorige bijdrage en waarvan De Potter en Broeckaert gewagen.  Tijdens de geuzentrobelen werd deze kerk geschonden, door de protestanten in gebruik genomen en in 1584 door de vrijbuiters in brand gestoken.

De hervorming schoot al vroeg wortel in dit gewest en een zeker gedeelte van de bevolking van het ambacht Boekhoute trad de nieuwe leer bij.  Judocus van Hecke uit Sleidinge was een verwoed propagandist en reeds in 1564 waren verschillende inwoners van Bassevelde en ook enkele van Boekhoute doordrongen van de geest van Luther.  De gemeenterekening van 1565, bewaard in het Rijksarchief te Brussel, geeft daaromtrent te kennen:

«Alzo bij den bailliu vanden voornomden ambachte van Bouchaute gheapprehendeert es gheweest eenen Joos van Hecke, wonende tSleedinghe, omme dieswille hij Joos hem vervoordert hadde binnen der prochie van Bassevelde eenighe ongheoorloofde vergaderijnghen ende ghemeenschap te houdene met eenighe persoonen ende jong hers vander zelver prochie, met hemlieden handelendevander schriftuere, es den selven Joos den xxixen Aprilis LXIIII... ondervraecht ende gheëxamineert gheweest bij den pastor aldaer, ende zijn exame in ghescrifte ghestelt, renoncherende hij Joos alle dwalijnghe ende heresie, bij hem gheadmitteert; ende hebben in derghelijcke diverssche andere persoonen vander voornomde prochie gheëxamineert van haerlieder gheloove...»

Niettegenstaande de man zijn dwalingen afzwoer aarzelden de magistraten, ten overstaan van de strenge plakkaten, de gevangene in vrijheid te stellen.  Enkele wethouders van Boekhoute begaven zich naar Gent «omme hemlieden met gheleerde te beraden, wat hemlieden inde voornomde sacke stont te doene».  De mening van de geraadpleegde rechtsgeleerden was, dat men de gevangen ketter — in naam van de koning — nog scherper moest ondervragen, wat dan ook geschiedde.

Terug voor de vierschaar gebracht, smeekte Joos van Hecke om genade.  Deze werd hem echter niet geschonken, vermits de twijfel van de rechters nog altijd niet weggenomen was.  Nogmaals trokken enige van de magistraten naar Gent, waar hun ditmaal voor advies gegeven werd, alleszins het oordeel van de inquisitiemeester in te winnen.  Deze, na de man persoonlijk gehoord te hebben, leverde hem opnieuw aan de plaatselijke schepenen over «omme hem te corrigeeren naer tbevint vanden sticke» !

Dit voorzichtig en onbepaald antwoord «hem te veroordelen op grond van het dossier» schonk hoegenaamd geen voldoening aan de wethouders van Boekhoute, die niet graag een afkeuring of blaam vanwege de hoogbaljuw van Vlaanderen hadden opgelopen.  Voor de derde maal togen zij dus naar Gent, om nu eens duidelijk van de inquisitiemeester te vernemen, wat er hen met deze gevangene te doen stond.  Zij kregen toen het advies Joos van Hecke onmiddellijk aan de Raad van Vlaanderen over te leveren en daarmee waren zij eindelijk van de zaak af.

Het zwaar geteisterde kerkgebouw van Boekhoute
17. Het zwaar geteisterde kerkgebouw van Boekhoute, na de explosie van
     19 september 1944.
Foto Kerkarchief, Boekhoute.

Het vonnis van het hoge gerechtshof liet niet lang op zich wachten.  De afvallige katholiek, die zich reeds bekeerd en om genade gesmeekt had, werd veroordeeld om op een schavot geplaatst te worden en daar, in aanwezigheid van de inquisitiemeester, «hooghe ende overluud te abjureeren ende wederroupen alle sijne dwalinghen ende heresiën»; daarna zou hij «tot zekere honorabele beterijnghe» in de gevangenis van de Oudburg te Gent opgesloten worden.

Dit «voorbeeld» miste blijkbaar zijn uitwerking, want ook het volgend jaar woonden verschillende inwoners van Boekhoute de hagepreken bij en moesten sommige personen gedagvaard worden.  In 1569 werden Huibrecht van Mosen en Adriaan van Hautte veroordeeld om in hun hemd vóór de vierschaar te verschijnen en vergiffenis te vragen.  Een andere geus schoot er toen het leven bij in, terwijl een groep ingezetenen van het ambacht de wijk nam naar Nederland, om in het noorden veiligheid en vrijheid van geloofsbelijdenis te vinden.

Onder de calvinistische dictatuur van Hembyse en Ryhove te Gent, bezat Boekhoute een eigen protestantse predikant, minstens vanaf begin 1579 tot 1584, en was de uitoefening van de katholieke eredienst geschorst.

Binnenopname van de verwoeste kerk van Boekhoute
18. Binnenopname van de verwoeste kerk te Boekhoute, 19 september 1944.
Foto Kerkarchief, Boekhoute.

Na de brand van 1584 was er in deze woelige tijden vanzelfsprekend niet zo spoedig spraak van herstel of wederopbouw.  Uit de oude kerkrekeningen kan opgemaakt worden dat het nog tot omstreeks 1620 duurde, vooraleer Boekhoute terug over een behoorlijk bruikbare kerk beschikte.  Wegens de processen met de tiendeheffers en het nijpend gebrek aan financiële middelen, is het begrijpelijk dat dit hersteld kerkgebouw helemaal geen kunstmonument is geworden.  Volgens een oude beschrijving waren de muren gedeeltelijk uit schilfersteen, gedeeltelijk uit baksteen en met weinig zorg opgetrokken, zodat hun oppervlakte zeer ruwen onregelmatig voorkwam.  Er waren drie beuken, waarvan alleen boven de middenbeuk een gewone plankenvloer was aangebracht, terwijl de twee smallere zijbeuken eenvoudig met het geplafonneerd dakgebinte waren afgedekt.  De muren had men opgetrokken op de oude grondvesten en zij bereikten op verschillende plaatsen een dikte van 90 cm.  Een kleine, houten toren in het midden op het enige dak - bekroonde het geheel (K.B.)

Verschillende werken werden nog uitgevoerd en verbeteringen aangebracht in de loop van de XVlle en XVllle eeuw, o.a. in 1654, 1739 en 1743.  Een opmeting van 1815 zegt dat deze kerk slechts 30 m lang en 17,50 m breed was, doch voegt er niet bij of dit de buiten- dan wel de binnenmaten betreft.  Wanneer wij vergelijken met De Potter/Broeckaert (32 m en 18,50 m), zijn wij evenwel geneigd te besluiten dat het hier om de binnenmaten gaat.

In het midden van de XIXe eeuw was het oude kerkgebouw helemaal vervallen geraakt. De muren waren gescheurd en de toren, die zichtbaar een schuine stand had aangenomen, bewoog wanneer men de klok luidde.  De oude kerk werd volledig gesloopt en de nieuwe plechtig ingewijd op 21 september 1868.

De kerk van Boekhoute met de nieuw opgebouwde toren
19. De kerk van Boekhoute met de nieuw opgebouwde toren, in 1958.
Prentkaart uit het Kerkarchief.

De nieuwe tempel, nagenoeg in het midden van het uitgestrekte dorpsplein gebouwd, werd opgericht naar de plannen van de bekende bouwkundige De Perre-Montigny, uit Gent, in een mengsel van Bizantijnse stijl en neo-gothiek.  Vooral de toren was minder goed geslaagd.  Kort na de nieuwbouw bezochten De Potter en Broeckaert deze kerk en drukten zich als volgt erover uit:

«... Zij mag, in haar geheel genomen, fraai en eene der grootste buitenkerken van Vlaanderen genoemd worden...  De half vooruitspringende vierkante toren rijst op boven den ingang, die een fraai voorkomen heeft, en bevat aan elke zijde, onder de uurwijzerplaat, een langwerpig tweevakkig venster.  De spits is achthoekig.  De zijbeuken, merkelijk lager dan de middel beuk, zijn ieder door vier vensters verlicht, terwijl in den middel beuk van weerszijden vier rosetten aanwezig zijn, welke men eveneens in den kruisbeuk aantreft.  Iedere arm dezes kruisbeuks is voorts, ter hoogte van den middelbeuk, van een drielobbig venster voorzien, waarvan 't middeldeel boven de twee andere uitkomt.  Ter hoogte van eenen meter boven den grond loopt er rondom het gebouweene lijst van witten steen, waaruit ook de vensterkozijnen, de schuinten der steekmuren en de plint van den voorgevel vervaardigd zijn. Zoals al de sedert weinige jaren nieuwgebouwde kerk is degene van Boekhoute ook van eenen donderscherm voorzien. — Een blauwe steen in den buitenmuur van het koor draagt het volgende gedenkschrift:

EPISCOPO H.-F. BRACQ,
PASTORE, B. LEFEVRE,
CONSULE, H. D'HONT, ORD. EQU.
ARCHITECTO, ED. DE PERRE,
ANNO 1866-1868.

De kerk binnentredende, staat men bij den eersten oogslag over haar zwierige samenstelling getroffen, alhoewel er onder kunstopzicht, naar de getuigenis der beste kenners, 't een en 't ander op af te wijzen valt.  Wat het eerst van al, tusschen de ineengesmoltene bogen en de zuilenrei, in 't oog valt, is het geschilderd glasraam, voorstellende de HH. Barbara en Helena, waarmede het hooge koor is versierd.  Dit kunststuk, door Maréchal en Champigneulle, glasschilders te Metz, in Frankrijk, vervaardigd, kost 1.200 fr. en is een geschenk van eenen ingezetene dezer gemeente, wiens naam het ons spijt hier niet te mogen opnoemen.  Laat ons alleenlijk hopen dat dit voorbeeld voor de vier overige vensters van het koor zal gevolgd, en de nog in den stijl van de kerk ontbrekende voorwerpen, waaronder de predik- en de biechtstoelen, eerlang aangevuld zullen worden.

20. Algemeen zicht op de wijk Haven te Boekhoute, omstreeks 1936.
Prentkaart uit de verzameling van dhr. De Laender. Boekhoute.

Het hoogaltaar, onder de toewijding van het H. Kruis, is evenals de twee zijaltaren, toegewijd aan O.LVrouw en de H. Barbara, gemaakt van witten steen; zij komen uit de werkplaatsen van M. Uuterwulghe, marmerwerker en beeldhouwer te Gent.  Geene enkele schilderij is op deze altaren aan te treffen, doch dit gemis wordt in de kerk ruimschoots vergoed door den kruisweg, dien men aan het penseel van den Gentschen kunstschilder Frans Anseele en aan de milddadigheid van mevrouw Virginie Verstraeten, weduwe van den senator De Block, en hare kinderen, grondeigenaars in deze gemeente, te danken heeft.  Ieder tafereel van den kruisweg draagt in vergulde letteren tot opschrift: D. D. Dna Virgo Verstraeten Vidua D. Senatoris De Block et Familia...» (De Potter Fr. en Broeckaert J., Boekhoute, blz. 106-108).

Na de Franse revolutie was er te Boekhoute maar één klok meer.  Omstreeks honderd jaar geleden kocht men er een te Evergem, met een doormeter van 85 cm en een hoogte van 65 cm; deze was gegoten in 1623 en hing oorspronkelijk in de toren van de Sint-Jakobskerk te Gent, vóór zij naar Evergem kwam. Zij droeg volgend eigenaardig opschrift:

   De minste hinck daer alleen en sliep,
De dry groote accordeerden, dat er elk op riep,
Daar moet er drye tusschen, om die te ontrusten,
Nu luyden wy, ons zeven, dat alle herten lusten.
Anno 1623, François et Nicolas Delespine et Nicolas
                    Chabottau m'ont faits.

Thans zijn er te Boekhoute twee klokken; deze van 1623, gebarsten zijnde, werd daarin vergoten, met toevoeging van nieuwe klokspijs.

Tijdens de bevrijdingsdagen, op 19 september 1944, dynamiteerden de Duitsers de toren van de kerk.  Zij gebruikten daartoe zoveel springstof, dat een groot gedeelte van de kerk mee vernield werd (zie de foto's).  Ook het orgel ging verloren.

21. Café-restaurant "Land- en Zeezicht» te Boekhoute-Haven, in 1933 (Isabellasluis).
Reproductie Heemschut.

Bij de heropbouw in de oorspronkelijke toestand was het een gelukkige beslissing het uitzicht van de toren te wijzigen.  Ook de nieuwe doopkapel, links van de grote ingang, is een aanwinst.  De volledig herbouwde kerktoren is op geslaagde wijze en zeer mooi het geheel komen bekronen.  Ook de ganse bemeubeling werd hersteld en gunstig aangepast door Z.E.H. Pastoor Van Britsom.  De aanzienlijke onkosten zijn door de Dienst voor Oorlogsschade gedekt.

Op zondag 27 december 1959 werd het nieuw orgel ingezegend door Z.E.H. Puylaert, Deken te Assenede.  Het is gebouwd volgens het elektro-pneumatisch stelsel, door de Firma Jos. Loncke en Zonen, orgelbouwers te Esen-Diksmuide, en telt 30 registers.  De kerk wordt elektrisch verwarmd door Ebes, President Rooseveltlaan 1, Gent.

Wij kunnen deze bladzijden over kerkelijk Boekhoute besluiten met een paar opmerkingen van Jos. Walters :

«Er valt niet aan te twijfelen dat de Vier Ambachten eeuwen lang maar een geringe bevolking telden. In 1108 nog bevatten zij niet meer dan drie parochiën, namelijk Assenede, Boekhoute en Aksel met een hulpkerk te Hulst (Auberti Miraei... opera diplomatica et historica, Foppens, deel 11, blz. 958). De kerk van Boekhoute is toegewijd aan den goddelijken Zaligmaker onder den titel van het H. Kruis. Dat kan den invloed van Sint Willibrord in de stichting aanduiden, daar wij weten dat hij zijn domkerk te Utrecht oprichtte ter ere van den goddelijken Zaligmaker.

De andere parochiën in de Vier Ambachten kwamen dus maar tot stand na 1108...  Dat Bassevelde en Oosteekloo aanvankelijk behoorden bij de parochie Boekhoute, is mogelijk.  Voor Bassevelde schijnt een bewijs dat de pastoor van Boekhoute recht had op een deel van de tienden der parochie.  Misschien maakte in beginsel het onbewoond Eekloo of eikenbos deel uit van het Utrechtse Boekhoute, doch in de pauselijke bullen die het daar gesticht klooster (Xle eeuw) kreeg van Innocentius IV (1243-1254), dus vóór 1264, staat het gesitueerd in het bisdom Doornik, — althans volgens het oudste deel van het Cartularium van Oosteeklo (XVe eeuw), bdl. 1-3, Rijksarchief Gent, Fonds Abdij van Oosteeklo.  In drie oorkonden van 1245 lezen wij: «Monasterii de Eclo, Cisterciensis ordinis, Tornacensis diocesis».  Daar de parochiekerk van Oosteeklo naar allen schijn maar na het klooster werd opgericht, zal zij dan ook van 't begin af behoord hebben bij het bisdom Doornik.  Wellicht zelfs kwam zij tot stand door het toedoen van den Doorniksen bisschop, die het patronaat over deze kerk bezat, vóór de oprichting van het bisdom Gent...

Wij houden voor waarschijnlijk dat de Vier Ambachten oorspronkelijk bij het bisdom Utrecht werden gevoegd, omdat de Friezen die er woonden in de Vlle eeuw, hun bekering tot het christendom te danken hadden aan Willibrord of zijn medehelpers.  Daar dit gewest gelegen was op den linkeroever der Schelde en bijgevolg principieel deel uitmaakte van het bisdom Doornik, valt het niet te verwonderen dat mettertijd moeilijkheden daaruit voortsproten».

In de uitspraak van 1264, na een grote betwisting, wordt bevestigd dat Oosteeklo en zijn abdij, Kaprijke, Lembeke, Watervliet en Bassevelde afhangen van Doornik, terwijl Assenede, Boekhoute en het Wilhelmietenklooster te Watervliet verder ressorteren onder Utrecht.

22. Zicht op de Haven van Boekhoute vóór 1914.
Prentkaart uit de verzameling van dhr. De Laender, Boekhoute.

Het is dus niet onmogelijk dat Sint Willibrord in Boekhoute of in sommige plaatsen van de Vier Ambachten het woord Gods zou kunnen verkondigd heben. De traditie beweert zelfs dat hij een eerste bidplaats oprichtte te Hulst.  «Misschien wordt de prediking van Willibrord of zijn medehelpers in de Vier Ambachten gestaafd door het feit, dat die streek tot het midden van de XVIe eeuw een onderdeel uitmaakte van het bisdom Utrecht, dat trouwens gesticht werd voor de Friezen»  (Jos. Walters : De eerste geloofspredikers op het grondgebied van het huidige bisdom Gent, 1946, blz. 131-32).

Oude schriften en kaarten duiden te Boekhoute een kapel ter Wilden aan.  Volgens de kaart nr 708 in het Rijksarchief te Gent stond deze bidplapts eertijds in of bij de Nicasiuspolder, dus westelijk van Boekhoute-dorp.  Zij was in 1670 reeds verdwenen.

Voor wat de oude, middeleeuwse haven van Boekhoute betreft, deze kan — vóór de bedijkingen in de streek — slechts een of andere aanlegplaats geweest zijn in het «werpland», waarvan niemand nog de juiste ligging kan bepalen.  Een regelmatige haven nabij het dorp van Boekhoute was trouwens onmogelijk, zolang de Braakman door de opdringende vloeden geen grote uitbreiding gekregen had.  In 1371 was de stad Biervliet nog rechtstreeks, over het land, door wegen met Boterzande en Wevelswale (twee verdronken dorpen) verbonden, zodat de Braakman toen nog geen grote inham kan geweest zijn, al was zijn omvang misschien reeds enigszins toegenomen.

In de cijnsrol van 1307 (Rijsel, Archives du Nord, Rekenkamer, B nr 1388/1282 bis) wordt in deze omgeving een zekere Hugo van der Brecminne genoemd; Brecminne was voorzeker een variante op «Breckeme», de oudste vermelding van de Braakman.  In 1357 werd de «Breckeme» door stormschade vergroot, maar drong nog niet diep in het land.  In 1360 wordt dit water dan «Brackeman» genoemd (Gent, Sint-Baafs, Nieuwenbosse, charter van 27 okt. 1360, verkoop van een erfrente op 1/2 gemet land in het ambacht Boekhoute en «ligghende up den Brackeman»).

23. De Mosselkaai te Boekhoute vóór 1914.
Prentkaart uit de verzameling van dhr. De Laender, Boekhoute.

De rampzalige overstroming van 1375/76 had van de Sint-Pietersabdij alleen al 232 gemet verzwolgen in het ambacht Boekhoute.  Waarschijnlijk werd kort na deze stormvloed «de lantdijck van hertoghe Jan», of de latere Grave Jansdijk bij Boekhoute, aangelegd.  Vanaf die grote uitbreiding van de Braakman kan er pas spraak zijn van een eigenlijke haven aldaar.

Wij ontlenen verder aan De Potter en Broeckaert: «Vroeger was de Braakman een aanzienlijke waterkom welke, in verbinding met de Schelde, toegang tot de Noordzee verleende en van Boekhoute, evenals van Philippine en Sas-van-Gent eene haven maakte...  Volgens oude landkaarten, ten staatsarchieve te Gent bewaard, was de haven van Boekhoute in gemeenschap met de zee door middel van twee kreken, de eerste noordwestwaarts vloeiende, bij laag water in de XVIe eeuw zeven roeden, en over beide boorden 127 roeden breed; de tweede, in noorderlijke richting, doch smaller en zich omtrent den Braakman in twee armen splitsende.  In eene oorkonde van 't einde der XVe eeuw lezen wij, dat de haven toen reeds onbruikbaar was, hetgeen evenwel schijnt in strijd te zijn met de ambachtsrekening van Boekhoute over het jaar 1501, waar men leest: «Item betaelt ten versoucke vanden insetenen van Bouchoute ambacht int maken vander kaye, ende van zijn choute omme den wech te makene, de quade pitten, enz., cxx lib. parisis», waaruit gewis te onderstellen valt, dat de haven toen nog werd benuttigd»  (Boekhoute, blz. 8-10).  Vermoedelijk had men slechts een tijdelijke onbruikbaarheid bedoeld, wegens accidentele redenen.

Nog op 21 en 22 juni van het jaar 1600 kwam prins Maurits van Nassau, opperbevelhebber van de Nederlandse troepen, met een vloot van duizend kielen in de haven van Philippine, om vandaar naar Nieuwpoort te zeilen.  Sindsdien slijkte de uitgestrekte zeekom nochtans meer en meer dicht, zowel boven Sas-van-Gent als vóór Philippine en Boekhoute.

«In 1698 vroeg Boekhoute aan de regeering oorlof, om 't geleed en de oude haven te mogen herstellen, tot gemakkelijker wegspeling der overtollige wateren.  De kreek bij Philippine, langs waar het water van het ambacht wegvloeide, was te smal en ondiep geworden, en hoefde verbreed en uitgeslijkt te zijn.  De kosten dezer werken, benevens het herstel van de sluis en dergelijke (in totaal ruim 1.700 pond groot !) werden gevonden door eene belasting van 10 stuivers per gemet land, te betalen door de eigenaars tot beloop van twee derden, en door de pachters tot het overige. — Een persoon, aan wiens bijzondere pogingen de wederopening van de haven grootendeeis te danken was, bekwam van 't ambachtsmagistraat een geschenk van 500 pond groote.

24. De loskaai in de haven van Boekhoute, vóór 1914.
Reproductie Heemschut.

Boekhoute had veel last met den vernieuwden waterweg; er waren vele en belangrijke bestellingen te doen, rijshoofden te maken, reizen te ondernemen door de wethouders naar Holland, om met de gevolmachtigden van de regeering over de watering te onderhandelen, enz.  Toen alles bijna vereffend was, brak de oorlog tusschen Spanje en de Hollandsche republiek los en werd de haven weer gestopt...  Nu was het te zorgen voor het leggen van dammen in de wateringen, welk beschuttingswerk, zoo men denken kan, ook groote sommen vergde.

Wij hoeven er nauwelijks op te wijzen dat er oudtijds bij de haven van Boekhoute talrijke woningen oprezen, waar door de aanwezigheid van visschers en bootslieden nering was...

Het overtollige water der gemeente vloeit weg door de Izabellawatering en sluis, die niet min dan 6.750 hectaren polderland ervan ontlast...  De Zwarte Sluis werd opgericht in het Izabellafort krachtens keizerlijk decreet van 23 Januari 1807, met bepaling dat de sluis ten westen van Philippine zou behouden blijven ten koste van de belanghebbende gemeenten, ten einde, in geval van ontoereikendheid der Izabellasluis, tot wegspoeling van 't nuttelooze water bij te dragen...  De verzanding gaat evenwel nu zoo spoedig voort, dat de zeesluis der Izabellawatering gedurig dreigt in onbruik te zullen geraken.

Dit geval is voor Boekhoute en andere gemeenten eene eerste levensquestie.  De vraag inderdaad is, langs waar het water der Izabella- en der Zwarte sluis zal wegvloeien, wanneer de Braakman volkomen zal verzand zijn ?  Aan het behoud der sluis is niet te denken.  Waren er zelfs geene havens, die de gemelde natuurwerking doen kennen, dan nog zou de toestand van den Braakman, van den Vogelschorpolder tot Biervliet en verder, bewijzen dat zijne oppervlakte als zeearm alle jaren kleiner wordt, dat de haven van Philippine vóór weinige jaren zal worden ingedijkt en dat in een betrekkelijk kort tijdsverloop de Braakman door eene aanhoudende bodemverhooging geheel tot polderland herschapen zal zijn.

Men begrijpt dat dit vraagstuk de duizenden belanghebbenden van deze streek bezig houdt.  Het werd zelfs vóór de wetgeving gebracht en het staatsbestuur bewilligde erin het ambtelijk te doen onderzoeken.  Den ingenieur Wolters werd de taak opgedragen eene studie over den toestand te doen, terwijl de conducteur Vergauwen met de waterpassing werd gelast.  Dit werk is ten einde en zal weldra, met de voorstellen van de regeering, aan de wetgeving worden voorgelegd.  Zeggen wij nogtans dat er onder de belanghebbenden verdeeldheid van zienswijze is opgerezen nopens de middelen, om tot eene goede oplossing te komen: eenigen beweren dat de Izabellasluis dient behouden en het water afgeleid te worden langs de vaart van Zelzate naar Heist, terwijl anderen volhouden dat het water niet beter kan weggevoerd worden dan langs een naar Terneuzen te graven zijkanaal...» (Boekhoute, blz. 8-10).

Visserssloepen in de haven van Boekhoute vóór 1914
25. Visserssloepen in de haven van Boekhoute, vóór 1914.
Reproductie Heemschut.

Aldus schreven De Potter en Broeckaert in 1870.  De verzanding ging echter onherroepelijk verder.  In 1935 heeft de heer Albert Mathy een studie van enkele bladzijden aan de haven van Boekhoute gewijd, waaraan wij hier verschillende gegevens ontlenen.

Bedoelde haven was sinds 1839 op Hollands grondgebied gelegen, aan de middenrand van de Braakman, op 800 meter van de Nederlandse-Belgische grens en op 2,5 km ten noorden van de dorpskom van Boekhoute.  Nog bij het begin van deze eeuw waren er verschillende plaatsen in Oost-Vlaanderen, ook nog stroomopwaarts van Antwerpen, die een kleine vissersbevolking telden onder hun inwoners.  Die mensen oefenden hun bedrijf uit in de wateren van de Zeeuwse zeearmen. Dit was bv. het geval voor Watervliet, Assenede, Boekhoute, De Klinge, Kieldrecht, Antwerpen, Rupelmonde, Temse en zelfs voor Boom, Willebroek en Mechelen.

Tengevolge van de opeenvolgende bedijkingen van de polders werden de oevers van de Honte meer en meer naar het noorden verschoven; dit was de oorzaak - samen met de kwalijke behandeling vanwege de Hollandse administratie - dat deze vissersbevolking in ons gewest tot verdwijnen gedoemd is geweest.  Het ware interessant de omvang en het belang van deze kleine, Belgische vissersvloot te kennen, alsmede de oorzaken en de etappes van haar verdwijning.  Er bestaat geen enkel wetenschappelijk werk dat deze ingewikkelde en weinig bekende kwestie behandelt.  Algemene werken in verband met de Vlaamse visserij schijnen zelfs volkomen onwetend van het bestaan van een vissersbevolking in het noorden van ons land !

Deze onwetendheid komt ons al veel begrijpelijker voor, wanneer wij bemerken dat de bedoelde vissers hun aanlegplaatsjes hadden op zoveel verschillende plekken langsheen de Westerschelde en de Braakman of in de menigvuldige kreken van noordelijk Vlaanderen, nu in zeer veel gevàllen verdwenen.

De Isabellahaven te Boekhoute bij laag water in 1933
26. De Isabellahaven te Boekhoute bij laag water, in 1933.
Prentkaart uit de verzameling van dhr. De Laender, Boekhoute.

Daarbij kwam nog dat de grote meerderheid van deze vissers, om te ontsnappen aan de naspeuringen van de fiskus, zich officieel lieten inschrijven als kleine landgebruikers en dat zij onder dit beroep in alle Belgische statistieken voorkwamen, hoewel zij uitsluitend leefden van hun visvangst.  Over het algemeen bezaten deze mensen immers ook nog een stukje grond, dat zij door vrouw en kinderen lieten bewerken.  De Belgische administratie kende bijgevolg deze vissers niet, hun bootjes bleven meestal op Hollands grondgebied liggen of kwamen slechts af en toe aanleggen op een verlaten punt van de Scheldeoever.  Van een andere kant hielden de Nederlandse statistieken zich hoegenaamd niet bezig met deze Belgische vaartuigen, ook niet wanneer zij gewoonlijk in Holland verbleven. 

Het Isabellakanaal bij lage tij in 1933
27. Het Isabellakanaal bij lage tij, in 1933. Reproductie Heemschut.

Toch moesten bedoelde vissers een patentrecht betalen in beide landen en het is bevreemdend dat daaromtrent geen lijsten of nadere gegevens konden ontdekt worden, in de archieven van het Ministerie van Financiën, Dienst der Belastingen, noch in Nederland, noch in België.  Dergelijke lijsten zouden natuurlijk een eenvoudig middel geweest zijn, om ook voor Boekhoute een nauwkeurige inventaris aan te leggen !

(wordt voortgezet)
ALFONS RYSERHOVE
ROMANO TONDAT

Separator

Oud Boekhoute 1, 2, 3, 4, 5

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice


Meest recente bijwerking: 27 March 2018