Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1972, 5de jaargang, nr. 3

Iets over het bouwen van een stenen
klapbuis in 1780 te Assenede (1)

Maar al te vaak wordt over het hoofd gezien dat heemkunde niet alleen een terugblikken is in het verleden.  De noodzakelijkheid om het hedendaagse vast te leggen laat zich thans meer voelen dan een paar decenniën terug.

Nooit heeft de technologische evolutie zo een vaart genomen als na de tweede wereldoorlog.

Het algemeen patroon dat een paar honderd jaar omzeggens ongewijzigd bleef — hoofdzakelijk te wijten aan de minimale mogelijkheden van de volksklasse — ondergaat plots grondige wijzigingen.  De historicus wordt tegen de klaagmuur gezet, men verwijt hem te weinig interesse aan de dag te leggen voor zijn eigentijdse gebeurtenissen.  Helaas, het gevaar is niet denkbeeldig dat ditzelfde zich telkens herhaalt.

Om dit gevaar te weren, — zij het dan in geringe mate — is het nu onze betrachting periodiek een detail naar voor te brengen, uit één van de vele nog bestaande ambachten.  Onze bronnen zullen hoofdzakelijk geput zijn uit 17e, 18e en 19e eeuwse dokumenten.

Het doel en onze hoop berust nu telkens bij een paar van onze leden.  We verlangen van diegenen welke thuis horen in het desbetreffende ambacht, dat ze ons aan de hand van de gegevens, een uitvoerig relaas zouden bezorgen zoals hetzelfde hedendaags nog gebeurt.

Aldus kan eenieder aan bod komen om zijn steentje bij te dragen tot het vastleggen van handelingen en methoden die vandaag in zijn, maar morgen tot het verleden kunnen behoren.

De klapbuis behoort tot één van de kleinste en tevens eenvoudigste vormen van sluis, welke zeer veel toepassing vindt in waterzieke gronden.  Ze heeft een dubbel doel: enerzijds het afvoeren van water in één bepaalde richting (meestal van een gracht naar een kanaal), anderzijds verhinderen dat bij het stijgen van het waterpeil in het kanaal water zou overvloeien naar de grachten.

Vooreerst moet een put gemaakt worden van 20 voet breed en 46 voet lang, dit volgens grondplan A.

Aan de zijde van het kanaal zal men een kistdam of vingerling construeren om de werken droog te houden.

Volgens tekening zal men 51 paaltjes slaan van 6 voet lang en 7 duim dik, waarop met pinnen en gaten de slikhouten zullen gelegd worden(2).  De pinnen van de palen moeten 6 duim lang en 2 duim dik zijn.

Tussen de slikhouten van het stortebedde en deze waarop de frontmuur van de klipdeuren gemaakt worden, evenals aan deze van het ontvangbedde plaatst men een rij paalplanken met kraaibekken in elkaar gewerkt (50 drieduimsplanken in reeksen van drie).

Vervolgens moet de ganse grondslag en acht conterforten belegd worden met 328 voet tweeduimse planken, welke zo dicht mogelijk moeten gesloten en gepekt worden.

Op het ontvang- en stortebedde moeten vier arduinen dorpels geplaatst worden van 4 voet lang en zes bij acht duim dik, dit om de stenen vloer te stuiten welke dient aangelegd te worden met de steen op de zijkant. Om vervolgens de dorpels zelf op hun plaats te houden maakt men gebruik van 8 ijzeren ankers van 5/4 duim.

Alle rechtstaande muren dienen op een dikte van twee Rupelmondse grote stenen gemaakt te worden, dit tot op een hoogte van drie voet boven voornoemde vloer. Ditzelfde is van toepassing voor de vleugels tot op de hoogte van de frontmuren.

In de frontmuur aan de zijde van de vaart, wordt op de slagdrempel het arduinen cassijn geplaatst waarin de klep moet hangen.

In de onderste dorpel moet een slag gekapt worden van 2 duim diep en 7 duim breed, in de 2 slagstijlen en de bovendorpel maakt men een slag van 2 duim diep en 3 duim breed.

De arduinen ramen moeten met ijzeren hoeken en met lood vastgegoten worden.

De klippen dienen gemaakt te worden op een eiken raam en op het einde overdwars met grenen planken verdubbeld.

In de rechtstaande stijlen plaatst men ogen om de klippen te kunnen vergrendelen.  Dit om te beletten dat bij hevig vriezen het ijs tussen de slagen zou komen en aldus een omgekeerde werking zou toelaten.

De rechtstaande muren tussen de twee soutmuren zal men sluiten met een verwulf of vaute van één steen, waartegen vervolgens de rechtstaande muren moeten opgezet worden, scherp, in de vorm van een ezelsrug.

De twee conterforten aan het stortebedde moeten aangelegd worden met in de spronk 2 stenen en 4 stenen breed, de 6 andere dito 2 stenen in de spronk en 2 stenen breed.

Na het afwerken van het metselwerk dient erop gelet dat aan beide zijden van de vleugels en achter de conterforten de putten gevuld worden met vette, schone aarde.

Voor het metselwerk zullen circa 21.000 Rupelmondse grote stenen en 28 zakken kalk nodig zijn.

De kosten van materiaal en werk zullen om en bij de 78 pond courant bedragen(3).

ERIK DE SMET
Eeklo.

__________________________
(1) R.A.G. Fonds Assenede, no 146. Terug naar de tekst
(2) 4 slikhouten, lang 14 voet, 6 op 8 duim dik, van eik of grenen, scherp gekapt of gezaagd. 2 dito, lang 9 v, dik als voor.
2 dito, lang 7 v, dik als voor.
5 dito, lang 10 v, dik als voor. Terug naar de tekst
(3) Rijksarch. te Gent, Fonds Assenede, no 146. Bouwen van een stenen klapbuis, 1780. Terug naar de tekst
 

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice


Meest recente bijwerking: 27 March 2018