Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1972, 5de jaargang, nr. 4


«Leonard, gij doet mij beven,
Als gij spreekt van weg te gaan... »

Het liedekensboekje
van Liza Baldonck

Toen ik enkele maanden geleden bij familieleden inlichtingen inwon met betrekking op oude volkse liedjes, schonk mijn tante, Marie Boudonck, echtgenote Raymond Verbeke, Leemweg 2, St-Laureins, mij het «liekensboeksken» van haar moeder...

Haar moeder, Elisa De Vogelaere — als gevolg aan haar huwelijk met Petrus Boudonck (geboren te St-Laureins in 1876 en er overleden in 1953), door de jongere generaties beter, zelfs uitsluitend gekend als «Liza Baldonck» — werd geboren te St-Laureins op 11 januari 1886.  Van haar zeven jaar tot aan haar eerste communie (elf jaar) ging ze naar de plaatselijke nonnekensschool.  Nadien viel er duchtig te werken op het koehoudersgedoetje dat door haar ouders uitgebaat werd.  Ze bleef echter de zondagschool volgen en werd lid van de «Congregatie van de H. Maagd Maria»...

Toen ze twintig was trouwde ze met Piet Boudonck, die toen reeds een drietal jaren in Amerika verbleef, doch terug naar België gekomen was om er een vrouw te zoeken.  Vier dagen na hun huwelijk (en juist geteld zeven weken na de terugkeer van Piet), vertrok het jonge koppel naar de U.S.A. waar ze te Peoria zestien jaar lang samen werkten en zwoegden — Piet de eerste tijd in een ijzergieterij en Liza in een strijk- en wasserij, de laatste negen jaar echter als farmers — en er in goede doen geraakten.  In 1920 keerden ze met hun beide dochters terug naar St-Laureins.  Daar heeft Piet, op een koket boerderijtje dat hij in de Leemweg had laten bouwen, de rest van zijn leven rustig, doch steeds werkzaam, doorgebracht, samen met zijn gezin.

Na het overlijden van haar echtgenoot nam Liza haar intrek bij haar dochter Mary en schoonzoon, waar ze een gelukkige oude dag gekend heeft.  Ze overleed er op 28 augustus 1969.

Liza was een merkwaardige vrouw !  Als kind reeds hups, kwiek en verstandig, was zij gans haar leven lang kordaat, goedhartig en behulpzaam.  Ze was spraakzaam doch niet babbelziek.  Samen met een gezonde, klare kijk op de dingen had ze een buitengewoon geheugen en herinnerde ze zich zelfs de minste details uit haar prilste jeugd...  Ze bezat een schat van oude liedjes die ze tot in haar laatste levensjaren graag ten gehore gaf en ze deed dit met een helderkloeke stem, zonder de minste hapering.

Met haar is een flinke brok geschiedenis van het oude Sente verloren gegaan...

* * *

Het boekje in kwestie is een versleten en beduimeld notaboekje, formaat 8 op 14 cm, met een zwarte moleskine-omslag.  Het moet een zeventigtal bladen geteld hebben van goedkoop, wit, gelijnd papier.  In het midden ontbreken er echter twee dubbele bladen, terwijl er ook zes bladen uit de achterste helft verwijderd werden.  Het eerste en laatste blad geven langs beide zijden de «Calendrier 1901» weer, met op elke bladzijde, kolomsgewijze, drie maanden (de namen der Heiligen en der feestdagen, natuurlijk in het Frans).

In dit «boeksken», dat onze ijverige vijftienjarige congreganiste van haar luttele spaarcenten zal gekocht hebben, noteerde Liza nauwgezet de verschillende godvruchtige liederen die op de Zondagschool aangeleerd en tijdens de maandelijkse vergadering van de Congregatie met toewijding, overtuiging — en soms ook wel met ettelijke valse noten — gezongen werden.

Deze stichtende liekens werden «complet» per «complet» samen met het «koor», «choeur» of refrein, en degelijk voorzien van een «numéro», in het zweet des aanschijns zorgvuldig, doch met de onvermijdelijke spel- en andere fouten, afgeschreven of uit het geheugen neergepend.  In enkele gevallen is ook de «stemme» vermeld.

De inhoudstafel die we achteraan weergeven, getuigt van een uitgebreid repertorium... en van de «straffe asem» bij de katholieke jongedochters uit het begin van onze eeuw !

Sommige van die liederen zijn echte klassiekers, die hedendaags nog gekend zijn en gezongen worden.  Andere zijn echter vergane glories, die al lang in de vergeethoek terecht kwamen.  Het loont de moeite bij enkele hiervan even stil te staan.

In het lied N° 10, «Hulde aan de H. Familie» (8 completten + koor), wordt in het 7e complet ook hulde gebracht aan de Congregatie:
 
    «O zoet genot van eene Congregatie,
O troostrijk lot van dit vereend gezind !
Ach, Zusteren, wat schatten en wat gratie,
Wat blijdschap ligt daar voor ons allen in ?»
 
N° 20, «Liedeken der Zending in de parochie van Sinte-Laureins in het jaar 1846» werd waarschijnlijk gedicht door één van die felle missiepredikanten, Paters-Redemptoristen, en, in het 3e complet, aangepast aan de plaatselijke toestand.  Ten behoeve van de St-Laureinzenaars geven we het hier integraal weer.  Bij het opschrijven werd de tekst echter hier en daar door Liza wel een beetje «vermassacreerd" !
 
      1ste Complet
    O mijn ziel gedenkt U dierbre dagen,
en wat gij wel bereid
aan God hebt toegezeid !
O eeuwig hel, wat zou ik het beklagen,
Hemel, gij zijt zo schoon;
Geef moed door uwen loon
Maria wil mijn moeder zijn,
bevrijd mij van de helse pijn.
Die zal volherden zal eeuwig zalig zijn (2 maal).
      2de Complet
    Nooit laat ik meer van 's morgens schoon te lezen
Op dat Gods Gratie mij van zondigen bevrijdt;
tot het Sermoen zal ik zeer neerstig wezen
als ik die plicht verlaat
ik ben een man op straat
ik heb beloofd en vast bestaan
De naaste ocasie te ontgaan
En dikwijls biechten om vast te blijven staan (2 m.)
      3de Complet
    Zulks is 't besluit in St-Laureins genomen,
Dat duivel nu maar bast,
besluit is nu heel vast:
Den Boterhoek zal daar wel aan volkomen,
Selie gelijk van zin
En Middeldorpe niet te min
Zoo spreekt Dorp, Eerst- en Kruiskensstraat
Moershoofde ook niet van achter staat
't is maar een wijksken (de Komer)
die wat op krukken gaat (2 maal)
 
Het lied, zonder N°, «Over de Paters in Sihna» moet het werk van een straatzanger zijn en vertelt in 5 completten (elk van 10 regels) + refrein, in ontroerende, naïeve en stuntelige bewoordingen over de vervolging van de missionarissen in China, tijdens de Boksersopstand (1900).
Uit het 3e complet leren we hoe wreedaardig de barbaarse «Shinezen» hun ongelukkige slachtoffers behandelden:
    «Zij kappen en zij kerven
En steken hun lijf doorwond,
Zij moeten het leven derven
Ja, op denzelfden stond.
Zij steken al met een baionnet
Op nonnen en paters recoliet.
Zij worden daar geslagen
En 't hoofd afgedaan.
T'is voor te leeren hun geloof,
Dat zij van het leven worden beroofd.»
 
  Terwijl in het 5e Complet het afscheid van de arme martelaars weerklinkt:
    «De paters die bidden te gader
Betrouwen hun op God
En schrijven aan moeder en vader:
Ze maken ons hier kapot.
Wij zitten hier als martelaars,
Gebonden gelijk moordenaars.
Adieu, wij moeten scheiden,
Tot in een andere eeuw !
Zij sterven met kruis in de hand
Al met hun volle verstand.»
 

(Het spreekt vanzelf dat de hierboven weergegeven teksten letterlijk overgeschreven werden, zoals zij in Liza's liedjesboekje voorkomen !)

Naast de godvruchtige gezangen werden er in de zondagschool van tijd tot tijd ook gelegenheidsliedjes aangeleerd, en zo treffen we in Liza's boekje aan:

een «Feestlied» (N° 15), waarin, vermoedelijk naar aanleiding van haar jubileum, een zuster-onderwijzeres gehuldigd wordt.  Mits enkele kleine aanpassingen en wat goede wil kon de tekst even goed gebruikt worden voor Mijnheer de (Onder-)Pastor, Moeder-Overste, de Directeur van 't Klooster, of zelfs de hoofdonderwijzer...
 
Luimige liedjes die, bij feestelijke omstandigheden in de zondagschool of de Congregatie, gezongen werden om er de plezante stemming in te brengen: «Baas Jan», «Dokter Grijzenbaard», «De Waarheid», «Khrispijn de Schoenlapper», «Lied van Tierenkentijn», «Lof der Koffiekan»...
 
Nog andere gaven een vroom, moraliserend verhaal ten beste, zoals «Het Sijsje», of deden door hun triestige en ontroerende inhoud de aanwezigen tranen met tuiten schreien «De kleine Bedelaarster» : Ik kom uit mijn dorpje, ik bedel mijn brood.  Mijn moeder is krank en mijn vader is dood...)
 
Onder N° 12 vinden we zelfs een mooi Vlaams strijdlied, met als refrein:
    «O Vlaanderland nog klinkt de schreeuw (bis)
In Vlaamse tale, «Vlaanderen de leeuw» (bis)»
  terwijl in het vierde en laatste complet vol overtuiging klinkt:
    «Zoolang een druppel bloed ons blijft
Zoolang een spier den arm ons stijft
Zoolang er ware Vlamen zijn
Zolang zal Vlaanderen Vlaanderen zijn.»

Waarmede wel bewezen is dat de Vlaamse bewustwording reeds van af de eerste jaren van onze eeuw tot St-Laureins doorgedrongen was !...

Al die godvruchtige, vrome of deftig-plezante liedekens — 42 in getal — vinden we in de voorste helft van Liza's boekje.  Ze zijn zorgvuldig neergeschreven, bijna alle met een «ballon-penneken», en goed leesbaar.

In de achterste helft van het boekje is de toestand echter anders: er komen een achttal liedjesteksten in voor, waarschijnlijk «in den duik» meestal met potlood neergekrabbeld, snel en onduidelijk geschreven en, na ±70 jaar, reeds tamelijk vervaagd en onleesbaar.

Net als het «Karnavallied voor 1902», dat per ongeluk als laatste bij de vrome liedekens neergepend werd, betreft het hier echte straatliedjes die — om de woorden van de toenmalige geestelijkheid te gebruiken — «de jonkmans en de jonge dochters op de paden des verderfs brachten».

Het volstaat de titels te lezen om inderdaad vast te stellen dat de inhoud van sommige van die liedjes voor die tijd wel enigszins aangebrand en verderfelijk was, want er was sprake van dansen, «brandenwijn» drinken, verleide dochters, vaderloze kinderen, en doodgestoken lieven of medevrijers...  Dat verklaart dan ook de doorhalingen en vooral de ontbrekende bladen in de tweede helft van Liza's boekje: de schrik voor de censuur thuis of op de zondagschool zal hier wel de oorzaak van geweest zijn !

In «De valse liefde» krijgt een jongeling, op straffe van onterving, geen toelating van zijn vader om te trouwen met de moeder van zijn kind.  Hij «agazeert» zich bij de kurassiers, doch wordt door zijn geliefde bedrogen.  Hij deserteert en vermoordt haar, samen met hun kind.  Als «deuzerteur en dubbelen moordenaar» sterft hij op het schavot, doch vooraleer te sterven zendt hij de volgende waarschuwing de wereld in :
  «Als den taanboer mijn laatste doodslag slaat,
Adieu, jonkheden wilt een exempel lezen,
Ziet hier wat dat de valsche liefde doet...»
 
Bij «Agust die ging aan zijnen vader vragen...» hebben we dezelfde basistoestand.  Om identieke redenen wordt Agust ook kurassier, doch zijn geliefde en hun kind komen om van de honger en de arme Agust pleegt zelfmoord met een «vreed pistool» op het graf van zijn «eenig liefste zoet»...
 
Lied N° 6 vertelt de droevige belevenissen van een lichtzinnige boeredochter die noch met haar lot (stal en koeien), noch met haar talrijke vrijers van de buiten tevreden was, naar de stad trok om er «bij eenen rijken heer haar fransch te leeren», waar zij een «gemollig» meisje werd door het goed bier en de brandewijn... onder andere, want ze keert verleid en bedrogen naar huis terug.
 
Het laatste lied vertelt de teleurstellende ervaringen te Maldegem van een naïeve buitenjongen uit één der omliggende parochies (een St-Laureinzenaar misschien !), die daar tot de ontgoochelende vatstelling komt dat zijn lief hem door een konkurrent afgedaan werd.
Voordien moet hij al zekere vermoedens gehad hebben want:
    «Naar Maldegem is hij getreden,
naar Maldegem is hij gegaan;
En hij heeft eens goed gekeken
Of hij haar daar niet zag staan (Bis)».
Door daar te Maldegem goed te kijken moet onze held toch zekere levensondervinding opgedaan hebben, want in het zesde en laatste stroofke geeft hij zijn kameraden de volgende wijze raad:
    «Kom vrienden voor het alderlaste,
Voor het sluiten van mijn lied:
En vrijdt toch met geen meisje
Als een ander haar geirne ziet (Bis)».
  (Over onbaatzuchtigheid gesproken !...)
 
N° 4 is feitelijk een deftig liedeke. 't Is de treurige romance van Leonard en Rozalie, die niet kunnen trouwen omdat eerstgenoemde werkloos is.  Leonard is echter een jongen die van aanpakken weet en zoekt een oplossing.  In het eerste komplet brengt hij zijn verloofde op de hoogte:
    «Rozalie, mijn hertsvriendin,
ik vertrek uit Belgenland.
Ik kan hier geen werk meer vinden,
Ik ga naar een beter land.»
en Rozalie antwoordt met een bibberend stemmeke:
    «Leonard, gij doet mij beven,
Als gij spreekt van weg te gaan.
Overdenk toch de malheuren
eer dat gij van mij afscheid.»
  Leonard laat zich niet vermurwen.  Liever dan zich te «verkopen» (mits betaling de militaire dienst uitvoeren van iemand die er zich «ingeloot» had), of enkele jaren «volontair» (gewone beroepssoldaat) te worden — de uiterste noodoplossingen ! — gaat hij als matroos op zee.  Zijn schip vergaat en vooraleer te verdrinken beklaagt de sukkelaar zich, in het zesde complet, dat hij de raad van Rozalie niet opgevolgd heeft:
    «En hij riep met bittere woorden
met zijn oogjes vol getraan :
Rozalie gij kon mij trouwen,
had ik uwen raad gedaan.»
  Terwijl de arme Rozalie, bij het vernemen van dat tragisch nieuws geen courage meer heeft om verder te leven en de dood aanroept...
    «Bleeke dood, wil mij niet sparen
Ruk mij van de wereld af
Ik kan hier geen troost meer vinden
Leg mij in het duister graf (2 m.)»

* * *

Vooral deze laatste liedjes zijn uit heemkundig standpunt van belang.  Samen met de tientallen andere werden ze in die jaren door Cies «Tonneir» (Terny) en later door Tamboer op de «stemme» van een reeds gekend lied gedicht en op de kermissen en jaarmarkten van het Meetjesland, door de klassieke akkordeon begeleid, gezongen en uit volle borst door de aanwezigen meegezongen (tekst van de liedjes, met het portret van Tamboer er op, aan vijf centiem per stuk...) of werden zij, bij elke buitengewone gebeurtenis die in de parochie plaats greep, gemaakt door sommige dorpspoëten, zoals Miel Overmeire uit Sint-Laureins...

Vaak in kreupele verzen en gebrekkige rijmen, met een veelvuldig gebruik van franse bastaardwoorden (taalarmoede enerzijds, bedoeling om «voornaam» te doen anderzijds !) leren zij ons op naïeve wijze kennen wat de belangstelling van de gewone mensen van toen bezig hield, gaande van de afgrijselijke moord op Marietje Driessens, langs het dempig paard van boer Van de Keere, naar de opkomst van de automobiel...

Liza's «liekens» plaatsen ons terug in de tijd toen de zeldzame «vlossepeeis» (vélocipèdes) nog niet zo lang vervangen waren door de even zeldzame vélos (pion-fixe of pion-libre) met het pinneke aan de naaf van het achterwiel, toen het nog een tiental jaren zou duren vooraleer Jan Olieslagers, met zijn Blériottoestel, (of was het misschien een Breguet ?), als eerste vliegenier ter hoogte van de Eeklose Watergang over de bomen van de Leopoldsvaart zou scheren, toen men de woonkamer nog verlichtte met een olie- of petroollamp en bij 't slapengaan het kaarspanneke meenam... de tijd van de dagelijkse «patatten met kaantjessaus», de zondagse vierponder wittebrood (als er centen voor waren), het «kapperke» of een meer profijtig «djoorke» plaatselijk gebrouwen bier (voor de meer begoede liefhebbers een kloeke «gaai» genever !) en van de begrafenissen «met brood aan den arme»... de tijd waarin de Meetjeslanders geen radio, TV, cinema of bal nodig hadden om zich te amuseren, doch op hun eigen simpele manier ontspanning en vermaak zochten en vonden.

Liza Baldonck's liedekensboekje geeft ons een idee van wat onze (over)grootmoeders zongen in hun tienerjaren...  Vroeg of laat komt het dan ook in ons heemkundig museum terecht !
 

Het «liedekensboekje» van Liza Baldonck - Inventaris.
VOORZIJDE:

N° 1: «Onbevlekte Ontvangenis van Maria.»
N° 2: «Kerstlied.»
N° 3: «O zoet genot van 't huis des Heeren.»
N° 4: «Akt van berouw.»
N° 5: «K'wilde voor mijn laatste stonden »
N° 6: «Wees ons hulpe in allen noot. »
N° 7: «Er is een naam zoo lief en zacht »
N° 8: «Gegroet, 0 Koninginne .... »
N° 9: «Gerarduslied.»
N° 10: «Hulde aan de H. Familie.»
N° 11: «Vaandellied.»
N° 12: «O Vlaanderland, nog klinkt de schreeuw ... »
N° 13: «H. Hert van Jezus.»
N° 14: «Ere aan U Heilig Hart.»
N° 15: «Feestlied.»
N° 16: «Baas Jan.»
N° 17: «Het Sijsje.»
N° 18: «De doktor Grijzebaard.»
N° 19: «De kleine Bedelaarster.»
N° 20: «Liedeken der zending in de parochie Ste Laureins in het jaar 1846.»
N° 21: «De Waarheid.»
N° 22: «Khrispijn de Schoenlapper.»
N° 23: «Lied van Tierenkentijn.»
N° 24: «Lof der koffiekan.»
N° 25: «Voor de Opdracht.»
N° 26: «Ave Maris Stella.»
N° 27: «Een kind van Maria word zalig.»
N° 28: «Aan den heiligen Joseph.»
N° 29: «Kerstlied.» - (Hierna ontbreken twee dubbele bladen !)
N° 33: «Hulde aan het H . Kruis.»
N° 34: «Het heilig Hert.»
N° 35: «Lied tot Kindeken Jezus.»
N° 36: «Kerstlied.»
N° 37: «Aardsche vergankelijkheid.»
N° 38: «Communielied.»
N° 39: «Pelgrims laat met welgevallen...»
N° 40: «Gezang ter eere van de Moeder Gods.»
Zonder N°: «Kom Zondaars in 't algemeen.»
    »    »     : «Over de Paters van Sihna.»
    »    »     : «Nieuw Karnavallied voor 1902.»

ACHTERZIJDE :

N° 1: «De valsche liefde.»
N° 2: «De trouw baart veel genot...»
N° 4: «Rozalie mijn hertsvriendin...»
N° 5: «Kom vrienden die hier staan in het ronde...»
N° 6: «Kom boerendochters aanhoor mijn klachten...»
N° 7: «Ik ben een jonk soldatje van 22 jaren...»
N° 8: «Agust die ging aan zijnen vader vragen...»
N° 9: «Kom vrienden hier staan in 't ronde, Kom en luister naar mijn lied...»

MV.

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice


Meest recente bijwerking: 27 March 2018