Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1973, 6de jaargang, nr. 1

Eeklo in beeld en schrift (2)

Wij zien nog Naardje Steyaert, weinig na drie uur, zijn maatstaf opheffen en ons — wij waren onder de zangers — de «Strijdkreet der Vlamingen» doen aanheffen, vooraleer wij, ons duizend, met de tweehonderd instrumentisten, de gekende cantate ten gehore brachten.

Bij het einde der cantate viel het groen-witte doek, de Eekloosche kleuren...  't Was een geestdriftig ogenblik; Prins en genoodigden, de onafzienbare schaar der tachtigduizend aanwezigen juichten, juichten...  En de honderd jonge maagdekens, met de nationale kleuren rond het witte kleedje, als engelen uit den hemel gedaald, zacht zingend en bloemen strooiend, beklommen de trappen van het beeld, dat wij nu nog met bloemen blijven versieren, uit piëteit voor Eekloo's dichter Ledeganck...»

— Om de 25 jaar werd die plechtigheid te Eeklo herdacht, door het uitvoeren van dezelfde cantate.  Dit geschiedde in 1922 en in 1947.  Ook in 1934 werd ze nog eens uitgevoerd, maar dan om de honderdste verjaardag van de geboorte van Peter Benoit te herdenken.

«Aldus werd de cantate in totaal viermaal uitgevoerd in Eeklo.  De gedeeltelijke uitvoering in 1970, bij de eerste steenlegging van het kultureel centrum, heeft uitgewezen dat het onmogelijk is de traditie voort te zetten, want normaal zou de cantate dit jaar weerom moeten uitgevoerd worden (1972).  Welke zijn de redenen om te breken met die traditie ?

Vooreerst de moeilijkheid om de hand te leggen op de partituur.

Niemand weet namelijk waar deze te vinden is en de uitvoering in 1970 is geschied met enkele fragmenten, die nog te vinden waren in het archief van «De Welgezinden».  De heer Van Rechem heeft de muziek dan enigzins aangepast.  Ten tweede is er de moeilijkheid om aan een behoorlijke koorbezetting te geraken.  Ook dàt is bewezen in 1970.  En tenslotte (en vooral): de cantate is niet meer, of toch zeer weinig, genietbaar geworden in onze tijd.  Daarom vinden we het een gelukkig initiatief van de stedelijke kultuurraad, de uitvoering van de cantate dit jaar te vervangen door een andere en eigentijdse herdenking van de 75e verjaardag van de inhuldiging van het standbeeld en tevens van de 125e verjaardag van het overlijden van de dichter» (L.L., in «De Eecloonaar», 124e jaarg., nr 41, 13 okt. 1972).

Het monument van Ledeganck bevond zich in 1897 op het begin van de Markt, bijna recht tegenover de Boelare. Later, wegens het drukke verkeer op dit kruispunt, werd het enkele meter achteruit verplaatst op het Ledeganckplein, de vroegere Spriet. De bomenaanplanting aldaar dateert pas van na 1900.

Onlangs ontdekte Z.E.H. Lepoutre, pastoor te Aalter, in zijn kerkarchief een merkwaardig kapelanijboek van 1548: «Redditus Capellaniae B. Mariae de Haeltre in Knesselare et Ursele.  Anno Domini duust vijfhondert XLVIII».  Dit boek, opgemaakt door Simon Stalpaert, bevat alle renten die de kapelaan van Onze Lieve Vrouw binnen de kerk van Aalter toekwamen.  Die renten zijn bezet op gronden en bezittingen voor ongeveer drie vierde in Knesselare gelegen en voor één vierde in Ursel. Dit schijnt erop te wijzen, dat de kapelanij door een van de middeleeuwse edelen van Knesselare zou gesticht zijn, zoals trouwens ook de kapel ter Pieten op de Dries, eveneens aan Onze Lieve Vrouw toegewijd.

18. Het standbeeld van Ledeganck en de Molenstraat omstreeks 1905.  Links op de foto ziet men het typische hoekhuis van Bernard Eggermont, het café «In den Anker», alsook de waterpomp, die de vroegere monumentale pomp verving.
Uit de verzameling van de Familie Minne, Eeklo.

Ook op genealogisch gebied is dit renteboek van 1548 zeer belangrijk.  Het is bijgewerkt door Pastoor Joannes Francenius en geeft de mutaties aan tot circa 1640.  Hoewel men steeds heeft aangenomen dat de familie Ledeganck uit Ursel stamde, treffen wij niettemin in deze periode heel wat naamdragers onder de Knesselaarse renteplichtigen aan, bv.:
«(1548) — Mattheus Leghanck fs Jans, op het Hamerkin, Ter Kercken
— Joeris Leghanck by versterfte van syner vadere...»
———
«(1548) — Ph(i)l(ip)s Leghanck, Ten Houcke, by Veroirsatinghe comende van Jan Leghanck, op een stic lants ten Hulle....
— De kinderen Ph(i)l(ip)s Leghanck
— Luch Leghanck fs Ph(i)l(ip)s bij verdeele»
———
«(1548) — Ph(i)l(ip)s Leghanck fs Joris, Te Buntelare, op twee hond(er)t roed(en) ten Hulle daer den voetwech duer ghaet,
— Nu de kinderen Ph(ilip)s Leghanck
— Luck Leganck by verdeele»
(1620) — Cornelis Leghanc ende hoirs
— De zelve kinderen op IIII roen in t zelve stick...»
«(1548) — Tanneken fia Joris Leghanck, beset op eenen bi Ic lants groot twee ghem(et) ende XXV roen boven Malsem, streekende achter den Waterganc metten noortwest zijde,
— de kijnderen Joris de Coc by versterfte
— Mareyn van Landschoot bij verdeele Jan Valcke»
———
«(1548) — Tanneken fia Joris Leghancx
— de kijnderen Jooris de Coc
— Marijn van Landschoot bij verdeele, beset op tselve als vooren»
———
«(1548) — Catheline fia Jacobs Leganc, te Langhedonc,
ii sch.»

Deze notities, die samen met nog verschillende andere (onder Ursel) in het renteboek voorkomen kunnen in elk geval een hulp betekenen, om de afstammingslijst van de dichter Ledeganck nog verder door te trekken.

— O —

De nederzetting Eeklo is ontstaan op een zandrug, waarvan het oostelijk deel doorliep over Ertvelde, Wachtebeke en Stekene in de richting Antwerpen en waarvan het westelijk deel over Raverschoot, Adegem, Maldegem en Sijsele in de richting van Brugge liep.  Op deze zandrug lag een zeer primitieve weg en langs deze — later genoemde — Antwerpseheerweg ontstond, aanvankelijk in het westelijk deel van de latere Eeklose ruimte, de kern Raverschoot.  De graaf bouwde daar een burcht, waarrond de oudste Eeklose bewoningskern ontstond.  Deze ontginningskern, gans in het westen van Eeklo, is nog duidelijk merkbaar in de middeleeuwse namen laag (Historische speurtocht door Eeklo: 27 aug. 1972).

Na het vernietigen van de grafelijke burcht in 1127, als gevolg aan de moord op graaf Karel de Goede, verplaatste de bevolkingskern zich meer oostwaarts langs dezelfde heerweg en meer centraal t.o.v. de recente ontginningen in wat later «Nieuw-Eeklo» zal genoemd worden.  Het is aan deze jonge nederzetting dat in 1240 stadsrechten zullen geschonken worden (Ibid.).

19. Het standbeeld van Ledeganck op het begin van de Markt, bijna recht tegenover de Boelare, omstreeks 1924.
Reproduktie Heemschut.

Het lijdt evenwel geen twijfel dat er reeds in de Romeinse tijd een schaarse bewoning in de streek voorkwam.  Er zijn sporen van voorhistorische wegen en bewoning te Balgerhoeke, Aalter en Lembeke.  Omstreeks 1900 stootte men te Balgerhoeke op overblijfselen van een Gallo-Romeins grafveld, dagtekenend uit de eerste eeuw van onze tijdrekening.  Men heeft er terra-sigillata aangetroffen en een prachtige aarden veldfles in wit-geel aardewerk (Ibid.).  Vuurstenen, silex, krabbers, enz. vond men overvloedig in Maldegem, Knesselare, Adegem, Lembeke en in andere plaatsen (Zie Dr. Paul Rogghé: Eeklo.  Van silexdrager tot keurbroeder).  Doch vóór 1200 kunnen wij te Eeklo moeilijk van een «agglomeratie» spreken.

In 1240 echter was de vlek Eeklo reeds zo ver in ontwikkeling gevorderd, dat het grondgebied precies kon afgebakend worden en dat de bevolking aanspraak mocht maken op een keure, geschonken door graaf Thomas en gravin Johanna.  Het is duidelijk dat de plaats toen al een zeker verleden en een betrekkelijke uitbreiding moest kennen en zo maar niet, van de ene dag op de andere, tot «stadje» gepromoveerd werd.

Doch vóór de aanvang van de 13e eeuw speelde Eeklo alleszins geen belangrijke economische of politieke rol en hinkt het ongetwijfeld achterna op Aardenburg en op Maldegem.  Uit de bewuste keure van 1240 vernemen wij dat het plaatsje toen nog vooral ingesteld was op moer- en bosontginning, veeteelt en een beperkte landbouw.  Uit moer, zand en bos geboren, groeide Eeklo zeer langzaam uit tot een bescheiden schakel, halfweg tussen Gent en Brugge, de machtige steden van Vlaanderen.

In elk geval heeft Eeklo toch het attribuut «Stede ende Keure» te danken aan het verlenen van «stadsrechten» in 1240.  Wat het territorium van die keure betreft, dit strekte zich oorspronkelijk eveneens uit over een deel van Lembeke, van Adegem en van Sint-Laureins.  Het omvatte ook een enclave bestaande uit een «wastina» die toebehoorde aan Vrouw Mathilde de Haga, wier horigen toen echter niet van de Eeklose schepenen afhingen, en een deel van het grafelijk bos Aalschoot, dat sedert lang in gemeenschap door de inwoners van Lembeke, Eeklo en Kaprijke werd gebruikt (E. Neelemans, Eeklo, blz. 140-142).

Het eigenlijke schepenarchief van de stad biedt ons een trouw beeld van de structuur, de ontwikkeling en de uitwendige geschiedenis van de «Stede, Keure ende Vrijhede» van Eeklo.  Vanaf 1626 viel de omschrijving van deze heerlijkheid, op enkele westelijke stroken na — kleinere gedeelten van Raverschoot en Balgerhoeke — volledig samen met de parochie Eeklo, die later integraal het stadsgebied, zoals wij het nu nog kennen, worden zou.  Binnen dit territorium lagen wel afzonderlijke lenen, doch geen enkele geënclaveerde heerlijkheid (Inventaris, Achiel De Vos).

Bijgevolg was het volledig grondgebied van de stad aan de schepenbank en de vierschaar van Eeklo onderworpen, met daarenboven nog enkele spleten binnen Sint-Laureins en Adegem, die geestelijk tot deze parochies behoorden.  Tot 1626 was in die keure ook Lembeke begrepen, evenwel zonder de geënclaveerde heerlijkheid Aveschoot.

Vóór 1240 moet Maldegem zekere rechten op het bos Aalschoot en op Eeklo bezeten hebben; misschien werd de bewuste keure voor een deel zelfs verleend om de Eeklonaars te onttrekken aan de rechtsmacht van de aanmatigende scouteet te Maldegem ?...  In 1270, toen gravin Margareta de keure van Eeklo bevestigde, was er trouwens geen spraak meer van de scouteet, maar wel van de baljuw van Maldegem.

20. Het standbeeld van ledeganck en omgeving, circa 1926.
Prentkaart uit de verzameling van L. Lampaert / C. Van de Bouchaute.

Aan de andere kant dient opgemerkt te worden dat het Ambacht van Maldegem in de 13e eeuw grote gebieden bestreek, niet alleen in de «wastina» van Aalschoot, maar ook in parochies als Adegem, Sint-Laureins, enz.  (Dr. P. Rogghé, Eeklo, Van Silexdrager tot Keurbroeder).

Wat er van zij, Eeklo werd in zake rechtsmacht afhankelijk gemaakt van het gezag van een baljuw, zoals blijkt uit zijn keure.  En graaf Lodewijk van Male bevestigde in 1364 dat Eeklo, Kaprijke en Lembeke alleen aan hem en «zijn cameren», d.w.z. zijn grafelijke raad, toebehoorden (Neelemans, 11, blz. 6-7).  Hij noemde Eeklo zijn «stedekin».

Nog in 1626 stond Eeklo onder het rechtstreeks gezag van de graven van Vlaanderen.  Van toen af gingen Eeklo en Lembeke hun eigen wegen.  Wat Eeklo betreft, het werd aanvankelijk door Filips IV, koning van Spanje, in zijn hoedanigheid van graaf van Vlaanderen, in leenpand afgestaan aan Jonkheer Jan van der Speeten, om in 1649 reeds definitief verkocht te worden aan de familie della Faille d'Assenede, die tot op het einde van het Oud Regiem heren bleven van de stad (E. Neelemans - A. De Vos).

21. Het standbeeld van K.L. Ledeganck vóór 1906.
Prentkaart uit de verzameling van André Verbeke, Gent.

Binnen de grenzen van de keure van Eeklo oefenden de schepenen in de 13e eeuw tegelijk de bestuurlijke en met hun baljuw de rechterlijke macht uit. Slechts in bijzondere gevallen van nering of van collectief nut zetelden de schepenen in één raad «tam scabinorum quam proborum virorum».  Het is mogelijk dat deze «probi viri» tegelijk «viri hereditarii» en de afstammelingen waren van de eerste Eeklonaars, die erin geslaagd waren zich delen van de primitieve stadsbodem toe te eigenen (Dr. P. Rogghé - E. Neelemans).

Vaak hebben de Eeklonaars en de Eeklose keurbroeders in de 13e, doch vooral in de 14e eeuw, de tussenkomsten moeten dulden of tegen de inmengingen moeten strijden van andere rechtsmachten en administratoren, bv. van de baljuws van Brugge en Gent, van het Ambacht Maldegem en de Vier Ambachten, van geestelijke hoven, enz. Er is een gans archief om dit te bewijzen.

Administratief ressorteerde Eeklo onder het officium van het Brugse Vrije, doch overigens slechts in een betrekkelijk los verband.  Het behoorde immers tot de laatste groep, de «contribuante» leden, wat betekende dat het in feite enkel zijn financiële verplichtingen in de gemeenschappelijke belastingen en subsidiën diende na te komen, alsook een aantal krijgers moest leveren in geval van oorlog.

22. De Brugsestraat en de Spriet omstreeks 1895.  De arduinen pomp wasopgericht in 1822 en werd in 1897 verwijderd om plaats te maken voor het standbeeld van K.L. Ledeganck.
Foto in het bezit van Johan Stockman, Eeklo.

Kerkelijk behoorde het vóór 1559 tot het bisdom Doornik, aartsdiakonaat Brugge, dekanaat Aardenburg en na die datum tot in 1801 bij het bisdom Brugge, eveneens dekanaat Aardenburg (A. De Vos).

23. Het stadsplan van Eeklo door Pieter Pourbus, anno 1561.
Reproduktie uit het werk van Ed. Neelemans; verzameling Heemschut.

Eeklo bewaart in zijn stadhuis een rijk archief, enig zelfs voor een kleine provinciestad.  De geconserveerde stukken vallen in drie duidelijk onderscheiden reeksen uit mekaar: het eigenlijke schepen- of stadsarchief, dat het leeuwenaandeel omvat; vervolgens een belangrijk gedeelte van de Slependammewatering, afdeling Eeklo-Lembeke; en tenslotte het privaat archief de Coorebyter, afkomstig van Kaprijke.  Een zeer degelijke «Inventaris van het oud archief, Stad Eeklo» verscheen in 1962 van de hand van stadsarchivaris A. De Vos.

Deze inventaris getuigt van de grote homogeniteit van het geheel der Eeklose archiefbronnen, die van na de geuzentroebelen — in sommige gevallen ervóór — ons vrijwel een integraal bewaard geheel schenken.  En er is nog meer.  In het Algemeen Rijksarchief te Brussel zijn de stadsrekeningen nagenoeg volledig bewaard vanaf 1403 tot 1626, zodat wij ons een duidelijk beeld kunnen vormen van het middeleeuwse Eeklo.  Kopijen hiervan berusten eveneens in het Stadsarchief.  Tenslotte zijn in het Rijksarchief te Gent enkele verspreide stadscharters aanwezig, terwijl er zich ook te Brugge dubbels van rekeningen bevinden (Inventaris). Belangrijke oude stukken komen voor in het archief van het Sint-Janshospitaal te Brugge.

Al deze rijke bronnen laten ongetwijfeld zeer goed toe de evolutie en de geschiedenis van Eeklo nauwkeurig op de voet te volgen, voor de jongste vijf à zes eeuwen.  Het stadsbeeld in de 16e eeuw is daarenboven uitstekend bewaard op de kaart van het Brugse Vrije, door Pieter Pourbus (1561).  De straten en gebouwen zijn op dit oudst gekende stadsplan precies aangegeven.

Vanaf de 13e tot de 16e eeuw kende het kleine stadje Eeklo, halfweg tussen Gent en Brugge, een bestendige groei en opbloei.  Naast een eigen schepen huis, reeds vermeld in de 14e eeuw, bezat het ook een vleeshalle, een bloeiende markt, een hospitaal, een lazarije voor akkerzieken of melaatsen, twee schuttersgilden, een plaatselijke rederijkerskamer en een vrijwillige brandwacht.

24. Pentekening. bewaard in het Prentenkabinet te Brussel.  Zij zou een aanblik bieden op Eeklo in de 16e eeuw (?).
Foto uit de verzameling van L. Lampaert / C. Van de Bouchaute.

Dan kwamen de godsdiensttroebelen als een tragische crisisperiode over de Nederlanden.  Voor Eeklo en omgeving bereikten zij hun dramatisch hoogtepunt omstreeks 1580.  Het plan van Pieter Pourbus (1561) biedt ons dus een uitstekend beeld van de stadskern, kort vóór de verwoesting.  Wij bemerken het kerkje van de Grauwzusters (Convent van O.L.Vrouw-ten-Doorn) in de Zuidmoerstraat, het stadhuis, het hospitaal of gasthuis, het Sint-Jansgoed, de zes houten windmolens in de huidige Molenstraat, de twee molens op de zuidzijde van de Zuidmoerstraat, bij de Potterstraat, het wegennet, de behuizing en de parochiekerk; de voorstelling van deze laatste, gezien uit het zuidoosten, werd evenwel onnauwkeurig overgetekend in het werk van Ed. Neelemans.  Een juiste detailweergave bevindt zich in het boek van Dr. E. Dhanens over de voormalige parochiekerk van Eeklo, blz. 8 (P. Pourbus, kopij P. Claeissins, 1585).

Bij de kaart van Pourbus is het treffend hoe het patroon van het stratennet in het centrum van Eeklo praktisch ongewijzigd is gebleven van 1562 tot heden.  Het valt ook op dat men buiten de kom geen bewoning meer aantrof, op de oase van het Sint-Jansgoed na; wanneer men in de 16e eeuw het centrum verliet kwam men onmiddellijk terecht in een eenzame omgeving van akkerland, heide, bos en moer.  Deze toestand zal a fortiori dezelfde geweest zijn in de 13e, 14e en 15e eeuw.

25. De voormalige parochiekerk van Eeklo in 1878, gezien uit
het noordwesten; tekening van Henri Smitz.
Negatief A.C.L., Brussel.

De «grote straat», de as van gans de Eeklose wegenis, werd gevormd door de later genoemde Antwerpseheerweg.  Deze liep van Brugge over de oude nederzetting Raverschoot en de Raverschootstraat naar de Spriet, over de Markt en het Oosteindeken langs de huidige Oostveldstraat, tot aan «De Lustige Boer», om daar rechts af te slaan in de richting van Lembeke.  Die Antwerpseheerweg doorsneed Eeklo bijgevolg van west naar oost.  Het eerste deel van wat wij thans de Oostveldstraat noemen is inderdaad een verlenging van de «grote straat», een deel Antwerpseheerweg, terwijl de eigenlijke Oostveldstraat pas begon aan de splitsing bij het Lazarijke («De Lustige Boer»).

De huidige Gentsesteenweg is lange tijd secundair geweest.  De oude baan op Gent liep langs de Hospitaalstraat en de Oude Gentweg naar de Dam (waar men in de 16e eeuw een nieuwe dam moest leggen om de weg door dat moerassig gebied wat begaanbaar te maken).  Om dit te begrijpen moet men natuurlijk gans het huidig station en omgeving wegdenken !

De verbinding met Balgerhoeke langs de tegenwoordige Molenstraat (eertijds: Weststraat en ook wel Zuidstraat) is eveneens secundair.  Het smalle nederzettingsgebied van Balgerhoeke was ten noorden en ten zuiden omsloten door een moergebied (Noordmoerstraat, Zuidmoerstraat).

Vanouds was de Boelare een belangrijke lokale verkeersader, die verbinding gaf met Lembeke en Kaprijke, langs de Vrombaut- of Peperstraat.  Op het einde van de Boelare, bij de splitsing van de drie zeer oude straten Zandvleuge-, Vrombaut- en Peperstraat, lag het middeleeuwse Beyenshoeke.  Later werd de herberg «Blommekens» aldaar gevestigd en deze nieuwe benaming verdrong geleidelijk, vanaf 1636, de naam Beyenshoeke.

De kerk was reeds zeer vroegtijdig verbonden met de Vrombautstraat door de Kerkstraat.

De Tieltsesteenweg is van jongere datum (19e eeuw).

De eigenlijke historische stadskern van Eeklo bevindt zich ten zuiden van de Markt en de «grote straat» tot aan de Zuidmoerstraat.  Hoewel de oudste vermeldingen slechts teruggaan tot de 14e eeuw, mogen wij toch veronderstellen dat het wegenpatroon van de binnenstad aldaar reeds in de 13e eeuw op dezelfde wijze gestructureerd was.

26. De oude kerk wordt gesloopt in 1878.  Blik op de kerktoren gezien uit het zuiden.
Foto Henri Smitz.  Verzameling Dr. E. Dhanens.

Het centrum van de huidige binnenstad is ontstaan bij de Spriet, ongeveer daar waar wij nu het standbeeld van Ledeganck aantreffen, bij de splitsing van de Brugsestraat en de Molenstraat, alwaar ook de Grote Straat en de Boelare op dit punt samenkomen (verkeerslichten op de Markt).  Dit centrum bevindt zich op het oosteinde van de zandrug, waarvan Raverschoot op het westelijk uiteinde ligt.  In de nabijheid van de Markt bevond zich dus eenmaal, wellicht in noordoostelijke richting, het «Eikenlo», de plek met verspreide eikebomen.

27. Tijdens de slopingswerken van 1878: koor, transsept en beuk, gezien uit het zuidoosten.
Foto Henri Smitz. Verzameling Dr. E. Dhanens.

«Eeklo en Oosteeklo droegen oorspronkelijk dezelfde naam.  De naam Novum Eclo in 1240 (Neelemans I, 135) ontstond vermoedelijk naar aanleiding van Eeklo's vlugge ontwikkeling in de 13de eeuw.  In het midden van de 13de eeuw noemt men Eeklo meestal parrochia Sancti Vincentii, Oosteeklo parrochia (of: Eclo) Sanctae Crucis.  Van 1258 tot het begin van de 15de eeuw heet Eeklo meestal West Eeclo (in 1283 en 1295: Eeclo West), minder vaak Eeclo, welke laatste benaming nadien zo goed als uitsluitend voorkomt.  Oosteeklo daarentegen heet in de 13de en nog meermalen in de 14de eeuw Eeclo, doch één maal in 1248, sedert het einde van de 13de gewoonlijk en sedert het einde van de 14de eeuw uitsluitend Oost Eeclo» (M. Gysseling, Bijdr. tot Eeklo's middel. Top.).

Het hart van Eeklo klopt op de Markt, bij de dekanale SintVincentiuskerk.  Dat alhier reeds in 1087, ten tijde van Robrecht de Fries, een primitieve kerk zou opgebouwd zijn, steunt enkel op Sanderus en is niet alleen onbewezen, doch ook sterk betwijfelbaar.  Voorzeker bezat Eeklo evenwel reeds vóór 1200 een kerkje, doch wij weten niets omtrent de oprichting daarvan, terwijl ook geen spoor ervan bewaard bleef, tenzij misschien enkele funderingen, welke tijdens de sloping van de oude kerk in 1878 onder het portaal aan het licht gekomen zijn.

In 1228 is er spraak van de kerkelijke tienden van de parochies Eeklo, Kaprijke en Bassevelde, waarvan de helft wordt toegewezen aan het kapittel van Doornik, door bisschop Walter de Marvis.  Twee jaar vroeger had dezelfde kerkvorst reeds de novaaltienden van Scheldevelde, Bulscamp en Alscoot aan het Doorniks kapittel afgestaan (A. Descamps, Note sur Walter de Marvis, I, 214). In elk geval dateerde de in 1878 gesloopte kerk oorspronkelijk alleszins van vóór 1300 en was haar toren een van de oudste bakstenen torens van Vlaanderen.

28. Kerk en toren in 1878, gezien uit het noordwesten, tijdens de sloping.
Foto Henri Smitz. Verzameling Dr. E. Dhanens.

Dr. Elisabeth Dhanens, die in 1947 een merkwaardige studie heeft gewijd aan «De voormalige parochiekerk van Eekloo», laat zich als volgt uit omtrent de datering van de verschillende bouwdelen van de oude kerk (blz. 33-34) :

«Aangezien de toren gans in baksteen opgetrokken werd, zal hij stellig niet vóór 1200 begonnen zijn.  Grote bakstenenmoppen komen in gebruik in het begin der 13e eeuw.

In zijn vormentaal vertoont de toren enkele archaïserende kenmerken die nog aansluiten bij de laat-romaanse stijl, en die voor een hoge ouderdom pleiten: de benedengeleding met haar verbrede basis herinnert nog aan de gereduceerde westbouw; de rondbogig afgedekte blindnissen, de vlakke lisenen en de boogfries, vooral de totale afwezigheid van steunberen of hoekfrijten en de zeer vlakke behandeling van de muurpartijen geven aan de toren zijn archaïsch karakter.

29. Zicht uit het noordoosten in 1878: pijlers, bogen en toren tijdens de slopingswerken.
Foto Henri Smitz. Verzameling Dr. E. Dhanens.

Anderdeels vertoont hij uitgesproken gotische elementen: de spitsboog in het portaal, doch voornamelijk in de bovenste geleding, in de blindnissen en galmgaten.

Dat wij hier met twee afzonderlijke bouwcampagnes zouden te doen hebben, een laat-romaanse (eerste en tweede geleding) en vroeg-gotische (derde geleding) — waartoe wij aanvankelijk geneigd waren te besluiten — menen wij ten slotte toch niet te moeten aannemen.  Een korte onderbreking in de werken is weliswaar mogelijk, doch er is eenheid in het ganse opzet vast te stellen: de blindnissen van de tweede en derde geleding en de galmgaten liggen in één travee en de spaarvelden waarin de rondbogige blindnissen liggen, lopen door, dwars door de waterlijst en de spitsbogige blindnissen er boven.

De evolutie der vormen van beneden naar boven is niet alleen tijdsgebonden, maar ook logisch: massief en gesloten beneden, meer opengewerkt boven.  Dit alles, en ten slotte de aanwezigheid van het ruime spitsbogig afgedekt portaal, leidt er ons toe, de toren als een vroeg-gotisch bouwwerk te beschouwen, in het raam van de baksteengotiek die zich in de aanvang der 13e eeuw in het Brugse Vrije ontwikkelt.  Begonnen in de loop der 13e eeuw zou hij, gelet op de traceringen van de galmgaten, vermoedelijk pas omstreeks 1300 voltooid zijn geweest.

De zuidelijke zijbeuk met de bijhorende transseptarm schijnen uit de 15e eeuw te dagtekenen, misschien nog uit het einde der 14e eeuw, ten vroegste.  Immers hier zouden geen zware moppen meer gebruikt zijn geweest en alhoewel de details van de kraagtorentjes nog wat archaïserend aandoen, schijnt de vorm van de zware transseptgevel geen vroegere datering toe te laten.

De vensters werden naderhand gewijzigd, waarschijnlijk op het einde der 18e eeuw.

De noordelijke zijbeuk en de aanpalende transseptarm schijnen uit de 16e eeuw te dagtekenen.  Het gebruik van witte zandsteen voor de rechtstanden van het transseptvenster wettigt reeds deze veronderstelling.  Doch we weten daarenboven dat er in 1520 een nieuwe beuk bij de parochiale kerk werd gebouwd.  Dit moet ongetwijfeld de noordelijke beuk zijn geweest; de zuidelijke bestond reeds.  Het is mogelijk dat de herstellingen van 1628-34 (na de verwoestingen door de geuzenberoerten en na de ombouwing van de kerk tot fort !) hier tamelijk ingrijpend zijn geweest.  De vensters werden waarschijnlijk te gelijkertijd als die van de noordbeuk gewijzigd.

Betreffend de oude koren hebben wij geen gegevens en kunnen alleen maar veronderstellen dat ze — alhoewel ze misschien niet tot dezelfde bouwcampagne behoren — toch alle uit de laat-gotische periode dateerden.  De nieuwe koren, aanbesteed op 15 maart 1773, waren einde 1774 voltooid».

De voormalige kerk van Eeklo stond op dezelfde plaats van de huidige — op het hoogste gedeelte van het grondgebied — te midden van een rechthoekig plein, oorspronkelijk het kerkhof, dat tussen de Oost- en Kerkakkers uitgespaard was.

30.

Zicht uit het zuidwesten in 1878, gedurende de slopingswerken.
Bemerk de pijlers en bogen van de oostpartij.

Foto Henri Smitz. Verzameling Dr. E. Dhanens.

In 1422 en ook in 1501 werd een nieuw uurwerk geplaatst op de toren.  In 1549 sloeg de bliksem in en brandde de toren naald af, waarbij ook de kerk zware brandschade leed.  In 1769 werd de torenspits vernieuwd voor 357 pond.  Ook op 30 augustus 1837 en op 11 juni 1852 werd de toren door de bliksem getroffen.

Niettegenstaande de oppositie van Neelemans in provincie- en gemeenteraad keurde een Koninklijk Besluit van 17 april 1878 het volledig herbouwen van de kerk te Eeklo goed.  «De slopingswerken der kerk werden begonnen de 24ste juni 1878.  Het Allerheiligste werd de 4de juli naar de voorlopige kerk overgebracht.  De 6de juli werd de haan van de toren gehaald.  De 12de september 1878 stortte de toren in.  De 3de maart 1879 werd het laatste deel der oude kerk (de sacristij) afgebroken»  (L. Lampaert, C. Van de Bouchaute, De Parochiekerk van Eeklo Sint-Vincentius, 1964, blz. 14).

De voorlopige noodkerk was ingericht in de gebouwen van het huidige jeugdhuis.  Volgens de plannen van architect Modest Denoyette begon aannemer Désiré Heysse, uit Eeklo, op 18 oktober 1878 met de nieuwbouw van de huidige kerk.  Deze is opgetrokken in de bekende neo-gotische stijl, die zoveel «furore» maakte bij het einde van de 19e eeuw.

31. Het kruis wordt op de toren van de nieuwe kerk gehesen, de 6 mei
1883, omstreeks 15 uur.
Foto Stadsarchief Eeklo.

«Ze is gericht naar het Oosten en het grondplan heeft de vorm van een Latijns kruis met drie beuken en een dwarsbeuk (kruiskerk).  De oostkant heeft een hoogkoor en twee zijkoren.  In de zijbeuken zijn langs weerszijden vijf zijkapellen aangebracht.  De toren, gebouwd boven de middeningang, is 100 meter hoog (het gemetselde gedeelte 55 en de spits 47 m.).  Het torenuurwerk met vier wijzerplaten werd in 1887 gemaakt door Vertongen uit Oudegem, tegen de globale som van 1.750 fr., waarvoor een stedelijke subsidie van 500 fr. werd verleend.  Rondom de kerk is een omheining aangebracht naar het plan van Denoyette.  Het werk werd uitgevoerd voor de som van 15.117 fr.; het arduinwerk door Vincent Reychler en het ijzerwerk door de gebroeders De Neve» (L. Lampaert/C. Van de Bouchaute, a.w., blz. 23).

De nieuwe kerk was na aanbesteding toegewezen voor de prijs van 492.630 frank.  Van muntontwaarding gesproken !...  In 1879 stond aannemer Heysse op «stellingshoogte» ; de werken gingen goed vooruit.

«De 9de mei 1881 werd begonnen met de middenbeuk onder dak te brengen.  De 24ste augustus 1881 was de kerk onder dak.  Naar aloude gewoonte werd door de 80 werklieden «de Mei» geplaatst.  Daartoe diende een larixboom, die versierd was met driekleurige vlagjes en bloemenkransen.  Van 3 tot 4 uur werd hij rondgereden op een praalwagen, voorafgegaan door trommelaars.  Te 4 uur werd hij op het belfort van de toren geplaatst.

32. De nieuwe kerk in opbouw, einde 1882 of begin 1883.
Reproduktie Heemschut. Drukplaat Heemk. Genootschap.

De 6de mei 1883 werd het kruis op de toren geplaatst (750 kg) en de 19de mei de haan er bovenop.  De 22ste september 1883 werd de kerk geopend en voorlopig gewijd door deken Foubert.  De 10de juli 1888 werd zij geconsacreerd door Mgr Lambrecht, bisschop van Gent»  (L. Lampaert/C. Van de Bouchaute, a.w. blz. 15).

Talrijke bijzonderheden over de kerk van Eeklo en haar bemeubeling, in de loop van de tijden, kan men vinden in de reeds geciteerde werken en vooral in het boekje «De Parochiekerk van Eeklo SintVincentius», door Lucien Lampaert en Cyriel Van de Bouchaute (Uitg. De Eecloonaar, 1964).

Hoewel nog geen eeuw oud, heeft de kerk van Eeklo toch wel een en ander aan de kunstminnende bezoeker te bieden.  Van uit welke richting men ook komt, ziet men reeds van ver haar rijzige en imposante toren, waarvan de spits geflankeerd is door vier hoektorentjes, die zo typisch zijn voor West-Vlaanderen. Ook de vroegere kerk was trouwens op het Brugse Vrije geïnspireerd.

In het toeristisch seizoen parkeert menig vakantieganger zijn wagen op de Markt van Eeklo en, na een blik geworpen te hebben op het stijlvolle stadhuis met zijn versgeverfde groen-witte vensterluiken, gaat hij ook wel eens een bezoek brengen aan de hoofdkerk.  Wat iedereen in deze Sint-Vincentiuskerk onmiddellijk opvalt, zelfs bij een oppervlakkig bezoek, is de uitzonderlijke en volgehouden eenheid van bouwstijl, bemeubeling, muurbeschildering en kerksieraden.  Praktisch alles in dezelfde neo-gothische stijl, wat men zeer zelden vindt !

33. De nieuwe kerk, het oud stadhuis en het «Rot jen» in 1905.
Prentkaart uit de verzameling van André Verbeke, Gent, afgestempeld de 23 juli 1906.

Wij willen eerst even blijven stilstaan bij de muurbeschildering, waaraan de meeste bezoekers achteloos voorbijlopen, en die nochtans haar waarde heeft.  Zij werd uitgevoerd onder de algemene leiding van het huis Bressers te Gent, voor de som van 16.700 fr.  Begonnen in 1909, was het werk pas beëindigd in januari 1912.  Deze werken werden bekostigd door een gift van 10.000 fr. vanwege mejuffrouw Van Damme; het overige werd bijgelegd door de kerkfabriek.

Het spreekt vanzelf dat de ontwerper zich vooraf een algemene opvatting had gevormd van de aan te brengen muurornementatie.  Hij ging niet lukraak te werk, maar volgens een goed doordacht algemeen plan.  Z.E.H. Deken Jos. Ulenaers — die wij danken voor deze mededelingen — meent dat de leidende idee bij de muurbeschildering is geweest: de uitbeelding van de heilsgeschiedenis van het Godsvolk, dus van Israël in het Oude Testament en van de Kerk in het Nieuw Verbond.

Inderdaad, het ganse middenschip brengt ons de afbeeldingen van de hoofdpersonen uit Israëls geschiedenis.  Doch het Oude Verbond is voorafbeelding van en voorbereiding op wat werkelijkheid is geworden in het Nieuwe Testament.  Dit vinden wij uitgebeeld in het middelpunt van de kruisbeuk, juist boven en rond het nieuwe altaarkompleks : het grote, neogothische triomfkruis, de gestorven doch verrezen Christus, wiens heilsdaden wij terugvinden in de vier evangeliën (de vier evangelisten, uitgebeeld aan de pijlers van de middenkruisbeuk, met hun apocalyptische symbolen: de leeuw, de os, de engel en de arend).

34. Een mooie foto van de Sint-Vincentiuskerk omstreeks 1927.
Foto in het bezit van Leon Minne, Eeklo.

De blijde boodschap, die Christus aan de wereld verkondigd heeft, wordt gepredikt door de twaalf apostelen, waarvan de afbeeldingen geschilderd staan, links en rechts, tussen de kruisbeuk en het hoogkoor.

Maar Christus, onze Heiland, leeft ook nu en is midden onder ons aanwezig, symbolisch door het altaar, doch werkelijk in het tabernakel (in het oude hoogkoor). Ook thans zet Hij zijn verlossings- en heiligingswerk voort.  De vruchten hiervan zijn de heiligen onder de mensen: veertig van hen staan afgebeeld, geschilderd op lijnwaad, links en rechts van het hoogkoor.  Al deze heiligen behoren tot de Nederlandse stam: alle zijn zij geboren of hebben zij geleefd in onze streken.  Onderaan elke afbeelding is telkens het vermoedelijk sterfjaar vermeld.

Na dit vluchtig algemeen overzicht, willen wij thans even alles van dichterbij bekijken.

(wordt voortgezet)
ALFONS RYSERHOVE
ROMANO TONDAT

Separator

Eeklo in Beeld en Schrift 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice


Meest recente bijwerking: 27 March 2018