Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1973, 6de jaargang, nr. 4

ELMARE

De belangstelling van de mensen op het platteland voor de geschiedenis van hun eigen streek blijkt keer op keer van doorslaggevende betekenis te zijn voor ieder die in het terrein een object uit de historie probeert te situeren.

Zonder de interesse van de heer Maeyens, landbouwer wonende in het gehucht Goedleven (Nederland, vlak ten noorden van het Belgische dorp Waterland-Oudeman) voor de plaats waar de priorij Elmare heeft gestaan, zou dit artikel niet geschreven hebben kunnen worden.

Toen duidelijk was geworden dat de plaats waar Elmare had gestaan eindelijk was ontdekt is natuurlijk een onderzoek ingesteld. Met behulp van het Waterschap "Het Vrije van Sluis» is op de plaats die door de heer Maeyens was aangewezen gegraven. Jammer genoeg heeft dat alleen maar kubieke meters puin opgeleverd. Grote en kleine brokken van "moeffen» en dakpannen (dechtegelen, leipannen) en enkele aardewerk scherven.

Uit de archieven blijkt dat o.a. de volgende gebouwen in Elmare stonden: een kerk, een woonhuis, een gasthuis, een molen en een voorraadschuur.

Mogelijk zijn de enorme hoeveelheden grote bakstenen en platte pannen afkomstig van de voorraadschuur die in Elmare moet hebben gestaan. Misschien te vergelijken met de prachtige grote voorraadschuur zoals die nu nog is te zien bij Lissewege en die daar zeven eeuwen geleden, in gotische stijl, door de monniken van Ter Doest werd gebouwd.

In de stormvloeden van 1375 is Elmare in de golven verdwenen.

Uit de rekeningen van 1377 blijkt dat alles wat nog bruikbaar was "bi schepe ende te waghene» is overgebracht naar Russchevliet (een 750 m. ten Z. van Schoondijke.)  Kapotte dakpannen en baksteenbrokken zijn natuurlijk achtergelaten.

De eerste inpoldering kwam eerst in 1502. Daarna is de streek nQg overstroomd van 1570 - 1613, van 1621 - 1651 en van 1682 - 1775.

Door al deze overstromingen is Elmare overdekt met een laag klei van meer dan een meter.  Het is dus louter toeval dat, bij het machinaal graven van een sloot, de plaats werd ontdekt waar Elmare heeft gestaan.

In het jaarboek van het Heemkundig Genootschap van het MeetjesInnd no. 13 - 1962 staat een zeer goed artikel over de priorij van Elmare van pastoor E.H. J. de Wilde. Hij begint met de vermelding dat Elmare werd gesticht in 1144 en in de overstromingen van 1375 verdween, en gaat dan onmiddellijk daarna verder:

«'Van den Vos Reinaerde' heeft de priorij van Elmare in een wijdere kring van belangstellenden geintroduceerd, doch het valt erg te betwijfelen of zulks als een aanbeveling mag gelden, vooral in onze tijd die de kunst van tussen de regels te lezen tot een uiterste verfijning heeft gebracht.  Hoewel Reinaert geen kwaad van Elmare vertelt, hebben fantazierijke critici toch heel wat kwaad vermoed...»

Als dat vermoeden is gegaan in de richting inzake de verhouding en het gedrag der monniken ten opzichte van een bepaald soort vrouwen — dit mede naar aanleiding van het voorkomen op een kaart van 1542, gemaakt door François van den Velde, van de naam «Venusheuvel», die gelegen moet hebben ruim 700 m. ten oosten van Elmare — dan is door grondonderzoek in die heuvel duidelijk gebleken dat aan die vermoedens absoluut elke basis ontbreekt.

De grondboor bewees namelijk dat deze hoogte is ontstaan nadat Elmare door de enorme overstromingen in 1375/76 verloren was gegaan.  Toen in de loop der jaren eb en vloed kreken in het landschap uitschuurden, is deze zogenaamde «Venusheuvel» ontstaan als een toevallig hoger gedeelte van een kreekoeverwal.  Elke kreek bouwt zich in de loop der jaren een oeverwal op.   Als bij hogere vloeden vanuit de kreek de hele omgeving overstroomt dan bezinkt het zand naast de kreek.  De veel lichtere klei bezinkt pas in het rustiger water op het ondergelopen land. De vroegere kreek ten oosten van Elmare is nu nog duidelijk in het land te zien. Aan beide kanten van de kreek is er een oeverwal.  De «Venusheuvel», die nu enigzins is geëgaliseerd, was het hoogste punt in de noordwal.

Wat tijdens het graafwerk in en bij het puin van Elmare bleek, is dat de monniken in 1144 beslist niet een vruchtbaar stuk grond ter beschikking kregen van de Vlaamse graaf Diederick van de Elzas. Het was slechte zandgrond.  Door de geologen dekzand genoemd.  Meer dan 10.000 jaren geleden hiereen gestoven vanuit de toen nog niet aanwezige Noordzee.  In de lager liggende stukken van het terrein zal de grond wel venig zijn geweest, maar turf konden de monniken er beslist niet steken.  De Wilde schrijft in zijn artikel over Elmare:  «In de rekeningen van Elmare komt het steken van turf niet voor.»

We mogen aannemen dat tijdens de storminvloeden in 1134, tijdens de D IIIB transgressie (±1100 tot ±1180) (1), bijna heel West-Zeeuws-Vlaanderen bij vloed onder water stond, met als consequentie dat de bevolking, voor zover niet verdronken, was weggetrokken (2).  In zulke verwarde tijden maken de «heren», zoals bijv. Reingherus van Praet inzake het land van Elmare, zich meester van alle rechten.  De Wilde zegt hierover:

«grote machthebbers die hun machtsgreep uitstrekken over weerloze kloosters en zich de kerkelijke tienden toeeigenen.»

Protesten van de abdijen in het eind van de 12e eeuw en in de 13e eeuw maakten een einde aan vele onrechtmatigheden, al moesten de abdijen daar dan wel voor betalen (3).

Als de St. Pietersabdij inziet dat een prior zich niet kan verzetten tegen de «heren» wordt de zelfstandige prior vervangen door een proost, een door de abdij aangestelde beheerder.  Het klooster wordt dan een kloosterhoeve (grangia).  Zo werd Elmare (volgens Gottschalk I, pag. 150) in de 14e eeuw:

«de centrale plaats van het beheer over alle tienden uit het patronaatgebied van St. Pieters, dus van het grootste deel der ambachten IJzendijke en Oostburg.  Van hieruit werden de tienden verkocht.  Behalve graantienden werden er ook medetienden, lammertienden, zaadtienden, look- en ajuintienden geheven, waarmee de voornaamste voortbrengselen van de streek worden getypeerd».

De proosdij Elmare is verdwenen.  De wegen uit die tijd zijn bedekt met een dikke laag klei en dus uit het landschap verdwenen.  Met uitzondering van het kleine stukje Elmare-weg dat praktisch net boven de oude weg is aangelegd. Ook enkele van de zeven of acht eeuwen geleden getrokken economische grenzen (de lijnen die bepaalden tot hoever er tienden mochten worden geheven) bestaan nog, al zijn het via tiendengrenzen der parochies nu uiteindelijk gemeentegrenzen geworden.  Zoals bijv. de Z.W.-N.O. lopende gemeentegrens tussen St. Margriete en St. Jan in Eremo.  Herkenbaar als tiendengrens door de drie nog steeds aanwezige tiendenpaalstenen (4).

JAN VAN HINTE.

__________________________

1) Nicole Pannier «De datering van de Duinkerke III B transgressie en het dijkensysteem ten noorden van Brugge.»

2) Niet alleen in Vlaanderen en Zeeland maar ook in Holland en Friesland heeft deze transgressie enorme overstromingen veroorzaakt, hetgeen wordt aangetoond door de massale emigratie uit de genoemde gebieden naar het Oosten. Naar het gebied van de Wezer en vooral de Elbe. Maar ook zelfs tot in de nabijheid van Berlijn zoals blijkt uit de naam "Fläming> heuvel.

3) Dr. Gottschalck schrijft in deel I van "Historische geografie van Westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen>, (Gottschalk I) op pag. 82 dat de burggraven van Gent allerlei heerlijke rechten hadden geusurpeerd die in 1242 tenslotte door de St. Pietersabdij werden gekocht.

4) Zie artikel en kaartje van de historicus Daniël Verstraete in «Appeltjes van het Meetjesland» no. 16 - 1965.

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice




Meest recente bijwerking: 27 March 2018