Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1979, 12de jaargang, nr. 3

DE KERKDORPEN
MERENDREE
EN
HANSBEKE
HEEMKUNDIG BEKEKEN

Lieven De Ruyck
Roger Moelaert
Alfons Ryserhove
 

AARDRIJKSKUNDIG

Voor oningewijden past het best even nader kennis te maken met het aardrijkskundig aspect van de oude gemeente Merendree die nu sinds januari 1977 deelgemeente van Nevele geworden is.  Vroeger behoorde ze tot het op 28 pluviôse van het jaar VIII (17/2/1800) opgerichte kanton Zomergem, nu eveneens tot dit van Nevele.

Het dorp heeft een oppervlakte van 1094 ha en telt een bevolking van om de 1600 inwoners.  In 1469 waren er 67 haarden wat zeker nog geen 400 inwoners geeft.  In 1709 was dit aantal reeds tot 1312 opgelopen ; in 1800 waren er 2397.  Van toen af ging het terug in dalende lijn: in 1948 nog 2044, om spoedig slechts om de 1600 te worden.

Het ligt op geen grote verbindingsweg, maar is door zijn kruising van het kanaal Gent-Brugge met het Schipdonkkanaal en zijn Sas te Durmen, nabij de grens met ZOMERGEM bij elke schipper genoegzaam bekend.

Kruisbeuk, toren en koor van de kerk te Merendree in 1910
Kruisbeuk, toren en koor van de kerk te Merendree in 1910.
Oudheidk. Inventaris van Oost-Vl., VI.

Bij hoge waterstand moeten de boten die van Deinze komen en de richting Brugge of Gent willen nemen, of vice versa, dit doen met behulp van een touw rondom een meerpaal, anders worden ze door de sterke stroming tegen het staketsel geworpen.  De omwonenden kunnen hier wel wat zakgeld opdoen bij het geven van "traverkens".

De zuidoostelijke hoek van de gemeente wordt door de Kale afgesneden.  Deze vormt zelfs een eindje grens met LANDEGEM.  Daar liggen ook de wijken Heiste en Overpoeke (Poeke = Poekebeek = Kale), en paalt Merendree aan DRONGEN.

Over de Schipdonkvaart tendele in de bedding van een Kruiskale (ook Nevels Vaardeke genoemd in 1751 gegraven) ligt de wijk Overbroek.  Benoorden hiervan is het Eiland, gevormd enerzijds door het oud Nevels vaardeke (grens met HANSBEKE), de Schipdonk met zijn met Marilandica's beplante oevers en de Brugse vaart, gegraven in de bedding van de Hoge Kale (= Dorma of Durme).  Vandaar de wijknaam Durmen.

Ten slotte hebben wij Velde (herinnerend aan de woeste grond, het veld) de Dorpswijk, vroeger Staak-ten-Poeke en Oostergem tot nabij de grens met LOVENDEGEM.

Lokaal doet men hoofdzakelijk aan landbouw en veeteelt, doch ook bloementeelt (azalea, begonia, cyclamen...), groententeelt (onder glas) en wat boomteelt komen er voor.  De laatste jaren worden er ook werfwagens geconstrueerd.

Wij zegden hoger reeds dat Merendree op geen grote verkeersader ligt.  Slechts de weg Zomergem-Landegem, (de oude Rijselstraat) en Hansbeke-Drongen (de Oude Gentweg) alsmede de verbinding met Lovendegem hebben enig belang en treden buiten het kader van simpele buurtweg.  De Durmenstraat is een kortere verbinding van Lovendegem naar Durmenbrug.

De kerk te Merendree, rond 1950, met de soldatengraven
De kerk te Merendree, omstreeks 1950, met de soldatengraven op het plein.
Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove.

Natuurlandschappelijk kan Merendree (en Hansbeke) gerekend worden tot het Gentse Houtland.  Treffend immers is er of was er het voorkomen van populieren (Robusta) langs de straatboorden, knotwilgen als weideafsluiting, het schaar- en kreupelhout langsheen de landerijen, de kasteelparken en de hoogstamweideboomgaarden bij de hoeven.  Dit geeft het gesloten landschapsbeeld dat helaas de laatste jaren zo ontstellend geschonden werd.

Geologisch toont de kaart ons de ontsluiting van tertiaire lagen die gerekend worden tot het Paniseliaans zand of klei, al naar gelang ze al dan niet liggen ten noorden of ten zuiden van een lijn gaande ongeveer van Hansbeke-Station, Kasteel van Melderen, Lembeken.  Een smalle strook, de Kalemeersen, zo typisch weergegeven op de luchtfoto's, is kwartair alluvium.  Daar Merendree nog juist binnen de westelijke rand van de Vlaamse vallei valt, zijn de bovenliggende pleistocene dekzanden er nog meters dik.

De bodemtextuur ziet er dan ook als volgt uit: van alluviale aard zijn de kleiïge zandgronden in het noorden, meestal in de depressie van de Hoge Kale, en het rivier alluvium langsheen de Oude Kale.

Van eolische aard is de rest, gaande van matig fijn zand in het noorden over meer lemige zandgronden eens voorbij de dorpskom, om tenslotte lichte zand-leemgrond te worden op de wijken Muizendale en Heiste.

Generaliserend zou men dus mogen stellen: hoe meer men naar het zuiden gaat, hoe vruchtbaarder de grond wordt.  (Naar kaarten bij Natuurspiegel van Oost-Vlaanderen).

Oro-hydrografisch zien wij dat de loop van de Oude Kale, deze van het Vaardeke en zelfs de Hoge Kale die alle in valleien beneden de +7 m liggen het landschap lichtjes hebben geboetseerd.  De laagste punten liggen ook daar.  In de Kalemeersen langsheen de grens met Lovendegem en in het uiterste zuidpunt: Muizendale.  Eveneens langsheen het Vaardeke, een paar honderd meter voor zijn aansluiting met de Afleidingsvaart ; alle beneden de +6 m.

Tussen deze drie wateringen ligt een soort "schouderblad" door de hoogtelijn van + 8 m bepaald.  Drie geïsoleerde welvingen er op gaan boven de 10 m: de Oostergemkouter, benoorden het kasteel van Melderen en meer zuidelijk het gebied tussen Veldestraat en Schipdonk, met een uitloper waarop het dorpscentrum werd gebouwd.  Op deze laatste hoogterug treffen wij ook het hoogste punt van de gemeente aan + 11 m ongeveer terhoogte van Steyaertsmolen nabij de Basiel de Craenelaan.  Ook op Overbroek bezuiden de Hansbekestraat bereikt men meer dan 10 m.

DE VROEGSTE GESCHIEDENIS VAN MERENDREE

Voor de vroegste geschiedenis van het kerkdorp Merendree dienen wij natuurlijk uit de archieven van onze oudste abdijen te putten.

Het H. Graf (1762) in de kerk te Merendree
Het H. Graf (1762) in de kerk te Merendree
Het H. Graf (1762) in de kerk te Merendree, met prachtig smeedwerk:
a) gesloten; b) geopend.
Oudheidk. Inventaris van Oost-Vl., VI.

Als voornaamste diplomatieke bron hebben wij zo het fameuze charter van de Franse koning Lotharius dat werd opgesteld in de St.-Vaastabdij te Atrecht (Arras) op 5 mei 966.

Daarin verzochten abt Womarus, Gerberga, de moeder van de koning en ook zijn vrouw Emma, hem om de St.-Baafsabdij in haar rechten en bezittingen te bevestigen - bezittingen welke ze na de beroerde noormannentijd van de usurpators hadden weten terug te bekomen - wat hij ook deed.

(Diplomata Belgica p 230)

Het ging hier wellicht in concreto om een deel van de cultuurlanden: de woeste gronden werden door de graaf wellicht uit oogpunt van zijn wildernisregaal behouden.
in Merendra mansi III
in Uuilde mansus I
            (Verhulst : De St.-Baafsabdij en haar grondbezit.)

Een mansus kunnen wij kortweg "boerderij" noemen, de hoeve met het land.


Het oude klooster en de meisjesschool te Merendree in 1901.
Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove.

Uit de studie van de brieven van Aalter blijkt grosso modo dat op alle wijken van Merendree op het einde van de 12e eeuw reeds bewoning aan te wijzen is.  Ook de meersgronden langsheen de Kale zijn reeds in gebruik genomen.  De graaf heeft dus de woeste gronden, bijvoorbeeld rond de oude Oostergemkouter, tegen mout- of gerstrenten uitgegeven.  Dit begon al eind 9e eeuw en is geleidelijk aan verder gegaan.  (L. Stockman : De brieven van Aalter in A.M. 20, 1969)

Een andere, ditmaal verhalende bron van onverdacht allooi is een hagiografisch compilatie-handschrift van de abdij van St.-Bertijn uit St.-Omaars afkomstig.  Hierin staat de Oratio Festiva over St.-Gerolf van Merendree.  Dit is een tekst opgesteld om als voorleestekst gebruikt te worden in de kloosterrefter op de feestdagen van de heilige.  Hij moet opgesteld zijn door een Drongens kanunnik, berust op een oudere bron, en wordt taalkundig en ook overigens anders door verschillende historici nog Xe eeuw gedateerd.  (Lawlor, Gysseling, Levison,... - Moelaert R., A.M. XXVIII (1977) St.-Gerolf in Geschiedenis en legende.)

Men zegt erin dat Gerolf, als zoon van Leutgold en Ratguera, geboren werd in de villa Merendra in de pago Mempisco.  Hij werd te Drongen door zijn vormselpeter medio 8e eeuw vermoord, en in S. Radegundis basilica te Merendree begraven.

De oude vorm Merendra, een niet nader te verklaren hydroniem volgens Dr. Gysseling, ging kort nadien over tot de vorm met doffere uitgang Merendre.

In een diploma gedateerd tussen 1019 en 1030 komen beide schrijfwijzen voor.  Vermoedelijk is dit omdat het nog op oudere stukken teruggaat, die er werden in opgenomen.  Het is de brief aan Otgiva, gravin van Vlaanderen, gehuwd met Boudewijn IV met de baard, waarin abt Othelboldus van St.-Baafs een opsomming geeft van de relieken in de abdij bewaard; dan de goederen opsomt zogezegd door Arnulf I (± 918-965) en anderen aan de abdij ontnomen en vervolgens een lijst geeft van de bezittingen door bemiddeling van keizer Otto II (961-983) en graaf Boudewijn IV (988-1035) terugbezorgd.
(DDB p 248)

Daar vinden wij als behorend tot het domein van St.-Baafs
ecclesia in villa Merendra sita
in villa Merendre mansi V
in villa Uuilde mansi V

Nu ligt alles in de pagus Gandensis en wij zien er dat de goederen te Merendree een zekere uitbreiding hebben gekregen, van drie naar vijf mansi; (Voet: De brief...).  De Mempiscus was in 1010 zeker, doch in 941 wellicht reeds gesplitst.

De villa is meer het grotere gebied van enkele mansi, sociaal en ekonomisch samenhangend en aan de heer onderworpen voornamelijk door herendiensten of karweien door de mansionarii te verrichten op de reserve van het domein.  Zo spreekt men dus van de villa Merendree en de villa Wilde.  Beide worden aangezien als elementen van het abdijbezit van St.-Baafs uit de fiscus Marca, die misschien door gift van koning Dagobert aan St.-Amandus tijdens de VIIe eeuw bij het domein gekomen is.

Heeft de legende als zou St.-Amandus de stichter van de kerk van Merendree zijn dan toch een zekere grond? (Reeds in 1900 vermeld).  De kerkpatrones van Merendree, Ste-Radegonde, zou ook in die richting kunnen wijzen.

De oudste vermelding Merendree komt echter voor in de Annales Blandiniensis van St-Pietersabdij onder het jaar 722: Wendelfridus dedit res suas sancto Petro in Merendra, sub Baudemundo abbate.  (Wendelfried schenkt zijn goederen te Merendree aan St-Pieters onder abt Baudemund).

Het Liber Traditionum van dezelfde abdij uit het laatste kwart van de tiende eeuw (kopij XI°) neemt deze schenking echter niet over en er zijn nog andere redenen tot twijfel.

Wat er ook van zij, zegt prof Verhulst, St-Pieters bezat naast St-Baafs dus, volgens een inventaris van 1280 gronden te Landegem en te Merendree (Van Lokeren, Chartes de St-Pierre I, p 398 en 400.)

EN DE TIENDEN

Inzake tienderecht hebben wij ook een paar interessante gegevens.  Walter I, bisschop van Doornik, schenkt in 1171 de altaren van Knesselare, Zomergem, Gottem, Ursel, Merendree,... aan het kapittel van O.L. Vrouw te Doornik (refectorium-Merendre — copij 1175 — Cart C, De Smet: CCF II, 567)

Deze schenkingen worden door paus Clemens III bevestigd op 22 juni 1190 (Merendre - Cart C, Doornik, AHEB IV, 270)

Bij een altaar behoorde normaal één deel van de grote tienden (geheven op rogge, haver, tarwe, gerst) integraal de kleine tienden (geheven op hooi, wol, fruit, hennen,...) de offeranden, de dotatiën en de novale tienden.

Normaal verwachten wij bij een oude parochie een derde deel, doch hier was het, toch alleszins in latere eeuwen, een vierde deel.  Misschien is Merendree wel een oude moederparochie waar later andere zijn van afgesplitst.  De overige delen zullen in bezit van de abdijvoogden gekomen zijn.

Deze abdij voogden blijken later de heren van Dendermonde te zijn.  De oudste heren van Merendree en Vinderhoute waren voor zover ons bekend leden van de familie van Gavere die deze gebieden van Dendermonde in leen hielden. (Berten: Vieux Bourg de Gand)

Zo zien wij dat Raas VIII, heer van Gavere, in februari 1272 erkende dat hij een tiende en een schuur (= wellicht de tiendeschuur) die hij te Merendree van Robrecht, oudste zoon van de graaf van Vlaanderen, heer van Dendermonde, in leen hield, uit grote nood verkocht had aan het O.-L.- Vrouwkapittel te Doornik. (Cart D, Fol. 199-200 - Doornik)

Vanaf dit ogenblik waren alle kerkelijke tienden volledig terug in kerkelijke hand.  Zij bleven het tot op het einde van het oud regiem.


De pastorie of Sint-Gerolfswal in 1903.
Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove.

MERKWAARDIGE VONDSTEN

Met talrijke bodemvondsten kunnen wij de oudste gegevens uit de geschreven bronnen nog ruimschoots aanvullen.

Enkele vuistwiggen alhier vroeger gevonden, waarvan wij echter niet weten waar zij zich thans bevinden, behoorden tot de verzameling van de heren Versturme te Gent omstreeks 1850. (De Potter)

In 1787 ontdekte men een medaille van keizer Trajanus.  Deze, een Romeins adoptiekeizer, t.t.z. een door zijn voorganger aangeduid persoon, regeerde van 98-117 na Chr.  Hij was een groot veldheer welke het rijk naar alle kanten wist uit te breiden, een gekend wegenbouwer en aanlegger van aquaducten.  Ook imposante bouwwerken werden onder zijn bewind te Rome opgericht.  Deze penning werd vermoedelijk geslagen als herinnering aan zijn overwinning op de Daciërs in 105.

Voorzijde: IMP. CAES. NERVAE, TRAIANO AUG. GER. DAC. P.M. TR. P. COS. V.P.P.

Keerzijde: afbeelding van de keizer te paard een spies werpend naar een gevallen soldaat met het epigram: S.P.Q.R. OPTIMO PRINCIPI.

(De Bast: Recueil d'antiquités Romaines et Gauloises trouvées dans la Flandre proprement dite, Gand, 1808.)


De brouwerij Rots-Wille te Merendree in 1911.
Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove.

In het park bij het kasteel Ter Wallen ontdekte men op 14/7/1800 bij het graven van een vijver, op 1,5 m diepte een urne van 8 duim hoog, stukken van een dolk en een hertekop. (De Bast, o.c.)

Uitgebreide vondsten gebeurden bij het graven van het Kanaal van Schipdonk in 1847.  Iets stroomafwaarts van de Kalebrug vond men over een lengte van ongeveer 200 m vele verweerde boomstammen in een turfbevattende omgeving.  Daarenboven nog het volgende:
- een groot aantal horens van herten, koeien, wilde stieren, beenderen van varkens, katten, honden, enz...
- drie als wapen verwerkte hertshoornen
- een romeinse lans, 27 X 4 cm en 4 mm dik
- een bronzen speld 29 cm lang (foto in Mariën, M.E.: Oud België van de eerste bewoners tot de komst van Caesar, 1952)
- een halve Romeinse dakpan en andere aarden voorwerpen
- een breidel en hoefijzer, twee munten uit laatste kwart XVIe eeuw, wijn.

Het gemeentewapen draagt drie gouden eikels op een veld van lazuur.  Het is het wapen dat Rietstap aan de familie van Merendree toekent.  Er is tot nog toe echter geen enkel bewijs geleverd dat deze familie ooit in het bezit van de heerlijkheid is geweest !

DE HEERLIJKHEID EN HAAR RECHTEN

Vinderhoute en Merendree zijn twee heerlijkheden sinds onheuglijke tijden aan dezelfde heer, en zodoende een tweelingheerlijkheid vormend met één baljuw.  Gerechtelijk en bestuurlijk bleven zij echter gescheiden.

Ze hingen af van het grafelijk leenhof van Dendermonde en uit dien hoofde bezaten zij de hogere, maar hadden ook de middele en lage justitierechten.  In 1460 brachten de heerlijkheden tussen de 700 en 800 ponden parisis op.


De oude kloosterkapel en de ingang van de meisjesschool te Merendree, omstreeks 1948.
Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove.

De heerlijkheid Merendree strekte zich ook te Hansbeke en te Landegem uit.  Men noemde deze gebieden aldaar dan het Gaverse naar de machtige bezitters uit deze doorluchtige familie. Te Merendree hield men vierschaar met de baljuw (meestal was het zijn vervanger, de meier) en zeven schepenen. Twee waren er van Landegem en twee van Hansbeke afkomstig. Volgens de "Coutumes uit 1547" zetelden deze om de veertien dagen, zowel bij winter- als bij zomertijd. De boeten gingen tot drie ponden parisis en voor de rest waren het hoofdzakelijk kwesties in verband met erven en onterven welke er behandeld werden.
Deze schepenbank ging ten hoofde bij de leenbank van Vinderhoute zelf die aldaar zetelde en alle zaken van criminele aard behandelde alsmede deze in verband met de lenen waar die ook gelegen waren.  Deze mannen konden tot de zwaarste boeten van 60 ponden uitspreken alsook tot de ban uit de heerlijkheid voor 100 jaar.  Dit leenhof kon zelf te rade gaan bij dit van Dendermonde.


In de oude kloostertuin.  Kinderen uit het vrij onderwijs te Gent kwamen
regelmatig naar de openluchtscholen te Merendree (vóór 1940).
Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove.

Er hingen 33 lenen van af aan vol verhefgeld, d.i. 10 ponden parisis bij overgaan op een andere erfgename; 2 aan half verhefgeld, en 44 stonden ten beste vrome, d.w.z. dat zij de waarde betaalden van de opbrengst van één jaar gekozen uit drie, en wel van het beste.

De heerlijkheid zelf stond ook ten volle relieve en twintig schellingen kamerlinggeld, het drinkgeld voor de kamerdienaar van de heer.  Ook bij verkoop gold deze regeling.

In alle omliggende dorpen, tot zelfs in West-Vlaanderen toe kwamen lenen van deze heerlijkheid voor.

De heerlijkheid bezat ook het recht van beste hoofd (beste stuk bij iemands overlijden) - confiscatie - (bij bastaarden, bij grote veroordelingen, bij vreemdelingen) - tol op de wegen en wateren (hiervoor dienden gratis de bruggen en wegen onderhouden) - visrecht - vrije maalderij (met banmolen) - karweien (naar costuime) - renten - de wetgeving - het verlenen van genade en terugroepen uit de ban straat- en rivierschouwingen (ook van bruggen, planken, grachten en banluiken) - nazicht van de gebruikte maten en gewichten.  Verder behoorde nog een "droit de champart" t.t.z. het recht op een tiend, tot de emolumenten ervan: de helft van de opbrengst van de Poekmeers immers diende op het kasteel van Vinderhoute geleverd.  De voerders kregen te eten en de paarden hun haverbakje.

Telkenjare werd er een doorgaande waarheid binnen de vijftien dagen vóór of na St-Baafsmis (1 oktober) gehouden.  Hier volgde men een onderzoeks- en betichtingsprocedure en moest ieder aanwezig zijn op de boete van drie ponden parisis.  Publicatie van de bewuste dag gebeurde in de kerken van Merendree, Hansbeke en Landegem.  Geen enkele andere doorgaande waarheid mocht door iemand - ook niet door het kasselrijbestuur - worden gehouden of diende bijgewoond door onderhorigen van de heer.

Zo waren er ook de "francqs plais" of gewone "gaughedinghen".  Deze drie gemene dingdagen zijn de traditionele winter-, lente- en herfstplacita.  Het zijn rechtszittingen op boete van 2 schellingen bij te wonen.  En zoals elders bestond ook hier het systeem vrede-gijzeling-zoen voor de schepenen.

Hoewel Merendree nooit een echt wethuis heeft gehad ziet men er nog de kamer in 1720 door de heer gebouwd om er de zittingen van de vierschaar te houden.  In de lambriseringen rond de schouw bevond zich een schilderij de rechtelijke macht voorstellend.
(BERTEN: Coutumes des seigneuries enclavées dans le Vieux-Bourg de Gand.)

LIJST VAN DE HEREN VAN VINDERHOUTE - MERENDREE

Omstreeks 1190 is er een eerste aanwijzing dat RAAS V VAN GAVERE (1181-1217/18) - naast heer van Gavere - ook heer van Vinderhoute was.

Daarop volgen :

RAAS VI VAN GAVERE (1217/18-1221)
RAAS VII VAN GAVERE (1221-1253)
RAAS VIII VAN GAVERE (1266-1300)
BEATRIJS VAN GAVERE x GUY IX DE MONTMORENCY, heer van Laval en Vitré.
RAAS X VAN GAVERE, kleinzoon van Raas VIII, wordt in 1319 in het bezit gesteld van de heerlijkheden Vinderhoute en Merendree.
BEATRIJS II VAN GAVERE x ROBERT DE FIENNES; zij komt echter in betwisting met GUY IX VAN LAVAL, die in 1331 opnieuw in het bezit van de heerlijkheid wordt gesteld.
GUY X, HEER VAN LAVAL, sterft in 1347.  GUY XI overlijdt reeds in 1348.
GUY XII, HEER VAN LAVAL (1348-1412).
ANNE DE LAVAL (tot 1466), dochter van Guy XII, huwt tweemaal:
  x 1) JEAN DE MONTFORT, later GUY XIII VAN LAVAL (+ 1416)
  x 2) GUY TURPIN.
GUY XIV VAN LAVAL (1466-1486).
GUY XV (1486-1501)
FRANÇOIS DE LAVAL (1501-1504).
JEAN DE LAVAL, tot 1508.

In 1508 wordt de heerlijkheid verkocht aan JEAN DE RASSY voor 3000 gouden schilden en 8100 pond parisis.

In 1517 verkoopt JEAN DE LAVAL de heerlijkheid opnieuw - ditmaal definitief - aan JACQUES VAN LUXEMBURG.
1517: Verdere verkoop aan LIEVEN VAN POTTELSBERGHE.
1531: Overgegaan op zijn zoon, FRANS VAN POTTELSBERGHE.
1548: JAN WOUTERS.
1580: FRANÇOIS WOUTERS, fs Jan
1615: JAN WOUTERS, fs François
1660: FILIEP WOUTERS, fs Jan
1680: FILIEP-FRANÇOIS WOUTERS, fs Filiep.
1705: ISABELLE-THERESE WOUTERS x GUILLAUME LE POYVRE.
1743: CAROLINE-JOANNE LE POYVRE fa Guillaume x JANFRANÇOIS-JOSEPH-FLORENTEYN, GRAAF VAN CARNIN EN STADEN.  Deze laatste wordt in 1758, na de dood van zijn schoonmoeder Isabelle-Thérèse Wouters, heer van Vinderhoute en Merendree.  Tot bij de opheffing van het Ancien Régime blijft hij heer van beide heerlijkheden (A. De Vos).

DE WATERWEGEN

Bij onze oro-hydrografische schets van de gemeente hebben wij terloops al de voornaamste waterlopen op de gemeente vermeld.  Hier volgen nog enkele aanvullende gegevens.

Door de studie van onze voorzitter, de heer De Vos, kunnen wij de middeleeuwse loop van  de Durme  gemakkelijk volgen vanaf het Woestijnegoed op Aalter, over Bellem, Hansbeke, Merendree, Lovendegem en Vinderhoute en verder over Evergem tot zij tenslotte nabij Hamme de Schelde vervoegt.

Een voorname bijtak, de Poeke, kwam van de hoogten in het centrum van Tielt via Poeke, Poesele, twee plaatsen welke er hun naam aan te danken hebben, over Nevele, Landegem, Merendree en Lovendegem om ten slotte te Vinderhoute de Durme te vervoegen.

Alle oude toponiemen wijzen in deze zin.  Te Merendree bijvoorbeeld kennen wij de wijken Overpoeke en Staak-ten-Poeke, de Poekmeers en het Poekstuk.  Daarnaast de wijk Durmen en de Durmestraat.

Sinds begin van de 15e eeuw werden de namen Durme zowel als Poeke ten dele in de bovenloop van deze beide rivieren verdrongen door Kaendele en Kalene.  Ten onderscheid sprak men steeds van de Hoge Kale voor de eerst genoemde en van de Nederkale voor de laatste.  Van het woord Kale werden naderhand geen afleidingstoponiemen meer gevormd, het moderne compositum Kalemeersen niet te na gesproken.


Oorlog 1914-18.  Duitse soldaten in de Dreef te Merendree ('t Spriete).
Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove.

De Kruiskale ligt volledig op Merendree en vormt zelfs een stukje grens met Hansbeke.  Zij wordt voor zover bekend het eerst vermeld in 1438-40.  Het is eveneens een natuurlijke waterloop, de Grotebeek, welke van uit de omgeving van het kasteel van Hansbeke komt en via de (Kruis)kalebrug achter de hovingen van het kasteel van Merendree zich vervoegde met de Nederkale.  Deze beek ontspringt op grondgebied Nevele en Hansbeke heeft er zijn naam aan te danken.  Noordelijk werd ze kunstmatig doorgetrokken in de richting hoeve Schipdonk waar ze de Hoge Kale bereikte.  Van toen af noemde men ze Kruiskale.  In 1751 heeft men deze Kruiskale gekanaliseerd en verder doorgetrokken westelijk en parallel aan de Nederkale tot Nevele, met plan van verlenging tot Deinze op kosten van het kasselrijbestuur.  Men sprak van toen af hier van de Oude Kale naast het Nieuw Kalekanaal of Nevels Vaardeke.  Wanneer men later het Schipdonkkanaal heeft gegraven volgde men deze bedding, maar een vijfhonderdtal meter voorbij de Kalebrug te Merendree koos men toen een rechte richting Sas.

Het resterende stukje noemt heden nog 't Vaardeke, welke nu het Eiland west afpaalt.
Ook het Geleed op de grens met Lovendegem is een zeer oude kunstmatige verbinding tussen beide Kaletakken.


Het mooie, nu verdwenen kapelletje in de Durmenstraat te Merendree,
niet ver van "Het Smisje" en Durmenbrug.
Foto R. Tondat, Eeklo, 1966.

Het kanaal Gent-Brugge werd gegraven tussen 1613-1623 op last van de Staten van Vlaanderen en grotendeels in de oude bedding van de Hoge Kale, met hoofdzakelijk militair belang.  De vroegere Hoge Kale was bevaarbaar vanaf het Woestijnegoed op Aalter.

Marktschepen uit diverse plaatsen langsheen het kanaal, o.a. uit Durmen trokken regelmatig naar Gent en Brugge.  Dit was een oud recht dat aan de aanlandende heren toebehoorde en waar natuurlijk sinds het graven van het kanaal veel betwistingen over rezen.  De marktschepen of beurten hielden het vol tot de oorlog 1914-18.

Dagelijks was er ook een dag- en nachtdienst voor reizigers tussen Gent en Brugge.  De enige aanlegplaats was St.-Huibrechts te Aalter-Brug waar van paarden werd verwisseld.  Bij het aanleggen van de spoorweg viel eerst de dagdienst weg om later ook de nachtdienst concurrentie aan te doen, doch deze hield het nog lang, twee à driemaal per week, vol.  Op 6/8/1768 passeerde hier zo de koning van Denemarken op reis zijnde naar Brugge.

Het kanaal van Schipdonk dankt zijn naam aan de hoeve Schipdonk te Zomergem nabij het Sas gelegen.  Omdat een van de redenen waarom het werd gegraven de directe lozing van het afvalwater uit de Kortrijkse- en Noord-Franse industriezone was en ook het vermijden van de wateroverlast, welke de stad Gent en omgeving moeilijk kon verwerken, noemt dit ook Afleidingskanaal van de Leie.

Zijn loop van Deinze tot Knokke-Heist bedraagt 55,5 km waarvan slechts tot Balgerhoeke een bevaarbaarheid voor schepen tot 300 ton mogelijk is.  Praktisch heeft alleen Deinze-Durmen een redelijk grote trafiek.

Het kanaal werd gegraven in uitvoering van de wet van 18/6/1846 (B.S. 23/6).  De aanbesteding van de sectie Durmen-Nevele (Hulbeek) had plaats op het Provinciaal Bestuur op 20/2/1847.  De heer Thiry uit Masnuy-Saint-Jean zou de werken voor 400.000 fr. uitvoeren.

Op 20 maart daarop begon men reeds met spade en kruiwagen.  Driehonderd werklieden, getal dat de maand daarop reeds 1530 bereikte, hadden op 10 april 1848 reeds 790.418 m3 uitgegraven (7870 m lengte).  Op 5 juni 1848 was alles, behalve de kunstwerken, voltooid.

De tweede sectie was spoedig daarop bevaarbaar want op 29/3/1850 kon het eerste schip Deinze binnenvaren.


Het Kasteel "Velde ", nu bewoond door oud-burgemeester, Prof. Dr. Claeys en familie.
Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove.

In 1857 werden 3000 eiken geplant tussen Nevele en Schipdonk.

De breedte van het wateroppervlak bedroeg 15 m, doch tussen 1936 en 1939 werd het kanaal op een breedte van 20 meter gebracht.

Vroeger kwam het water niet rechtstreeks in de Brugse vaart; er waren sluisdeuren en beiderzijds siphons, zoals heden nog, die onder de Brugse vaart doorliepen.

Op 19 april 1847 brak een staking uit...  Vier à vijfhonderd werknemers dwongen de andere ook het werk neer te leggen.  Op 21 april kwam de procureur des konings, een onderzoeksrechter, een griffier en 116 militairen onder bevel van generaal Leboute naar Merendree.  Het onderzoek duurde tot 5.30 u. in de morgen.  Het geschil werd bijgelegd.  Het liep over de manier van uitbetalen van het loon.
(Zie: Hugo Van den Abeele, "Het Kanaal van Schipdonk", in de Bijdragen tot de Geschiedenis der Stad Deinze, VII, 1940, blz. 57-108).


Hoevewoning te Merendree, Durmen.
Foto R. Tondat, Eeklo, 1966.

HET KERKGEBOUW TE MERENDREE

Bij het kerkgebouw van Merendree valt de tweeledigheid van bouwstijl duidelijk op.  Waar het sterk gerestaureerde koor, transept met vieringtoren en bijgebouwen romaans zijn is het schip met beide zijbeuken neogotisch van stijl.

Gegevens over de oude kerk konden wij slechts halen uit de tekst bij Gyselinck (1846), De Potter-Broeckaert (1864-70) en V. Beulens (1932).  Wij kunnen nu nog zien dat ze oorspronkelijk een kruiskerk in veldsteen was, die vermoedelijk nog van op het einde van de XIIe eeuw dateert.

In het N.-O. van West-Vlaanderen en het aanpalend gebied werden de romaanse kerkjes omstreeks die tijd alle in veldsteen opgetrokken, bij ons de grijsgroene uit het Boven-Paniseliaan.  Delen welke een grotere stevigheid vereisten waren veelal in Doornikse hardsteen of soms in Rijnlandse tufsteen.
Het huidig resterend oud kerkgedeelte veronderstelt een romaanse middenbeuk geflankeerd door twee zijbeuken (zie Afsnee).

Reeds in de 16e eeuw was er een gotisch schip in baksteen gekomen.  Dit was heel wat hoger dan het oorspronkelijke zodat de toegang tot het dakgedeelte via de toren, een romaanse deuropening, zoals heden nog voor de kruisbeuk en koor, diende toegestopt.  De huidige eerste drie traveeën in baksteen dateren uit deze derde periode van de ogiefstijl.  Er moeten alsdan gotische zijbeuken zijn geweest, maar alles was nu zoals later onder een dak gebracht.  Er werd ook een sakristie gebouwd.

De eerste grote herstelling aan de kerk geschiedde rond het midden van de XVIIe eeuw.  Wij weten dat de tiendeheffer, het kapittel van Doornik, werd veroordeeld door de Raad van Vlaanderen om aan de gemeente de som van 1500 gulden te betalen voor de herstelling aan de kerk, alsmede voor de aankoop van benodigdheden (21 november 1654).

In 1676 wende het kerk- en gemeentebestuur zich nogmaals tot de Raad van Vlaanderen om hetzelfde kapittel te verplichten de zolder boven het koor te vernieuwen.  Deze herstelling bleek wel zeer dringend, want de priester welke het H. Misoffer opdroeg was zelfs niet meer van de regen bevrijd.  Na gunstig advies van de Raad van Vlaanderen werden de onkosten, 109 ponden groot, door de ontvanger-generaal op 18 februari 1677 vereffend.  De kerkelijke tienden, die tussen de 2400 en 2600 gulden opbrachten waren op dit ogenblik geconfisceerd.

Denkelijk is ook in 1764 aan de kerk gewerkt; er kwam toen toch een aangebouwde doopkapel: "van het voorseyde kerckhuyseken... daervan is ghemaeckt de vontecapelle in het jaer 1764 den 18 februarius.  Ende oock het beenderhuyseken op den gevel den selven jaere 1764".

Kort voor de Franse Revolutie is het koor naar de westgevel overgebracht en kwam nog een tussengevoegde beukruimte bij.  Beide waren in baksteen.  De kerk verloor alsdusdanig haar oriëntatie.  Dit koor met halfronde sluiting, mat 10 meter diepte op 5,30 meter breedte en had twee vensters.  Ook in de zijbeuken werden er nu 18e eeuwse ramen geplaatst.  Het portaal kwam daar waar nu onder het grote koorvenster de kalvarie (van A. De Beule ?) in de oude deurnis staat.  Dit inmiddels reeds gotisch koorvenster werd ook naar 18e eeuwse trant omgevormd.

In de oude kruisbeuk waren in 1864-70 nog, in de noordelijke gevel, de sporen van een smal romaans venster (?) te zien en in de zuidelijke deze van een deuropening.  Ook in de zijmuren de overblijfselen van een XVIIIe eeuwse kruisweg, zoals er midden op het dorp ook nog een was groter en op pilaren.  (Ferraris: Carte Marchande.)

Bij de inkom lagen in het portaal langs beide zijden grafstenen welke onleesbaar waren geworden; alleen links nog MCCCXLIX in onser Vrouwen Da...  Een paar gekeerde liggen nu nog voor de kalvarie buiten.
Aan de zuiderkruisbeuk, buitenzijds :
Hier vuer dese kercdeur liegt begrave Gheeraert Claeis, fs Gheeraerts baliu was van deser prochien van Meerendre.  Ende overleet deser weerelt den XVIIe in december anno XVe IX.  Bidt voor de ziele (niet correct genoteerd!).

Volgens De Potter telde de kerk toen vier balkruimten, koor niet inbegrepen, van 5,62 elk (Is die maat wel juist ?).  In de middenbeuk waren deze 6,46 m breed, terwijl zij in de zijbeuken slechts 4,90 m bereikten.  Eén enkel breed dak overdekte gans de kerk en er waren geen gewelven maar een houten zoldering: balken met gedeukte puntboog.

De totale lengte van de kerk moet dan ongeveer 4 x 5,62 m = 22,48 m hebben bedragen, hierbij nog de lengte van het koor, 10 m en het romaanse deel, 14,51 m wat ongeveer 47 m geeft.

De breedte van de resterende kruisbeuk, zoals nu 19,38 m buitenmaat.

Onder leiding van architect Van Assche werd een eerste maal aan het gebouw gewerkt van september 1881 tot oktober 1882.  Het betrof het terug "keren" van de kerk, met herinrichten van koor, transept en toevoegen van de beide sakristijen.  Het westkoor verdween en er werden twee balkruimten in dezeflde zin als de oude alsmede een westgevel toegevoegd.  Binnenin ziet men goed verschil aan de steen van de pilaren: 1/2, 2, 1/2 zijn oud; 1/2, 2, 1/2 zijn in nieuwere steen.  De maten bedragen nu : romaanse deel 14,51 m en gotisch gedeelte 34,27 m wat 48,78 m geeft; de breedte 18,05 m telkens buitenmaat.

Met afbraakmateriaal van de oude muren (veldsteen ?) werd de middenbeuk hoger opgetrokken, zoals buitenzijds goed is te merken.  De zijbeuken kregen nu een lessenaarsdak en de middenbeuk kwam heel wat hoger want hij kreeg een scherp zadeldak zodat zelfs een galmgat in de westzijde van de toren gedeeltelijk werd gedicht.  Door dit onderste gedeelte ervan krijgt men nu toegang tot de gebinten van het schip.

In 1893 heeft men op aanraden van De Bethune de herstelling aangevat van het oud gedeelte van de middenbeuk en de zijbeuken, alsmede van de toren.

De zijmuren werden onderkapt en met een gelijkaardige steen als de overige delen van de kerk bekleed, zodat het nu een homogeen uitzicht geeft.

In 1918 heeft men de schade van de oorlog aan de toren en het traptorentje moeten herstellen.

De laat-romaanse vieringtoren rustend op een vierkantig bassement (7,5 m) waarin vier romaanse bogen zijn uitgespaard voor toegang tot koor, kruisbeuk en middenschip gaat op de eerste verdieping of uurwerkzolder over in een achtkantige bovenbouw.  Dit is typisch voor het Graafschap Vlaanderen.  De overgang van het vierhoekig grondvlak naar de ingeschreven achthoek gebeurt door vier doorlopende muurvlakken, geschrankt met vier andere met aanliggende hoekpyramiden boven de, binnen rondbogige, trompen.  Ook in menig ander romaans kerkje was dit zo, denk aan Adegem bijvoorbeeld waar de toren praktisch identisch van constructie was.

In elk der doorlopende muurvlakken is hier een romaanse deuropening welke toegang geeft tot de zoldering boven koor en kruisbeukarmen.  Een gelijke doorgang tot de zoldering boven de middenbeuk is toegemetst en gaf weleer, zoals hoger reeds gezegd, uit op de middenbeuk van het primaire kerkje.  Hier zijn de muren nog 78 cm dik; op de vernauwingsranden liggen de vlakke zolderingen.  (Beneden 90 cm.)


Prachtige hoeve, Diepestraat 160, Merendree.
Foto R. Tondat, Eeklo, 1966.

In dezelfde muurvakken was hoger een opening uitgespaard.  Oostelijk is dit, misschien nog in zijn originele vorm te zien; het gelijkt op een werpgat voor stenen bij verdediging (?).

Zuidelijk en noordelijk zijn deze tot venstertjes met een gedrukt rondboogje uitgewerkt.

Iets boven de trompen liggen de verankeringen, twee maal twee balken, en gaat de toren tot een versmalling over uitgewerkt buitenzijds door een dubbele waterlijst waarop onmiddellijk de acht breedromaanse galmgaten van de klokkenzolder aanzetten.  De Potter-Broeckaert schrijft dat in de oude kerk deze verdubbeld waren onder een zichtbaar boogrond.  Nu is er een inspringende boog als randmotief.  Daar nu telkens de bovendelen ervan vernieuwd zijn kunnen wij wel vermoeden dat deze vroeger het dubbelboogje vormden rustend op een verdeelzuiltje met kapiteel voor de twee vensterlichten onder die afdekkingsboog.  (Biforium.)

Thans bezit ieder raam drie klankborden en de klokkenkamer heeft boven de klokkenstoel met zijn twee klokken een beplaasterde koepel.

De grote klok komt voort van de beiaard van St-Baafskerk te Gent en werd in 1803 voor 945 ponden 9 stuivers wisselgeld aangekocht.  Zij weegt 1147 Gentse ponden wat zo ongeveer 430 kg is.  Zij draagt volgende inscriptie:

     PERILL. ET R'MUS DANTONIUS TRIEST, CATHED. ECCLES
STI BAVONIS GANDAVI. F.(ECIT) J PAUWELS G 1725
 

Mooie, rustige huisjes te Merendree, Biezestraat,
waarvan er nog zoveel bewaard bleven te Hansbeke en te Merendree.
Foto R. Tondat, Eeklo, 1966.

Deze klok werd door de Duitsers in 1943 ook geroofd; gezien ze van vóór 1750 dateerde werd ze echter als historische klok beschouwd en diende terug gebracht.  Ze stond reeds op de kade te Antwerpen en draagt nog het merkteken ervan.  (noot si)

De andere kleine bronzen klok dateert van 1928.

De Potter zegt dat er een lijst rondom de toren liep.  Wellicht bedoelt hij hiermede geen aangezette kroonlijst maar een gewone uitspringende steen als waterlijst.  Nu zijn er "hondjes" onder de uitspringende dakrand.

De specifiek gedrongen romaanse- spits (± 60°) is nu een in lijn gebroken hoge torennaald geworden (45 m).  Tussen 1864 (De Potter) en 1881 (herstelling) is deze er gekomen.  Aan de vernieuwingen te zien is de toren ook iets hoger opgetrokken; de bakstenen verhoging is in 1893 langs buiten door hardsteen vervangen.

De torenspits is bekroond met een soort leliekruis, symbool sinds het einde van de 12° eeuw van het Franse koningshuis, inzonderlijk dan van de Bourbons uit de 16° eeuw.  Dit verwijst natuurlijk naar de patrones, de Franse koningin Radegundis.  Terloops vermelden wij dat de andere stenen kruisen op koor en transeptarmen ook zeer verzorgd gekozen zijn.  Ze lijken geïnspireerd aan het keltisch kruis of wielkruis.  (Denk aan de heldenzerkjes van Joe English).

In de richting van de vier windstreken zijn in 1893 de uurwerkplaten onder dakkapelletjes aangebracht; voordien waren ze onder een lessenaarsdak.  Het uurwerksysteem zelf dateert van 1824.

Het cylindrisch traptorentje met kegelvormige bekroning heeft drie verdiepingen.  Het geeft toegang tot hoogzaal met uitkijk op de koorpartij, (1°) en verder tot de dakruimten en uurwerkzolder in de toren (2°).

In 1910 werden koor, kruisbeuk en toren geklasseerd (romaans deel).  Het jaar daarop volgden de drie gotische beukruimten uit de 16e eeuw; tenslotte geheel het gebouw met nominatief de voornaamste inboedel en omgeving er aan toegevoegd.

Al met al mogen wij zeggen dat de restauratie door architect Van Assche zeer geslaagd mag genoemd worden, hoewel het nieuwe gedeelte ten opzichte van het oude wat lang en hoog uitvalt.  De kerk van Merendree is zeker een mooi en té weinig bekend monument !

Separator

We hebben dit artikel—47 blz in «Ons Meetjesland»—in 2 geknipt.
Klik hier om verder te lezen.

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice


Meest recente bijwerking: 27 March 2018