Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1980, 13de jaargang, nr. 2

CHRONOLOGIE VAN
EEKLOSE GEBEURTENISSEN VANAF DE
BELGISCHE ONAFHANKELIJKHEID - 2 -

Zoals we in vorige bijdrage opmerkten zouden de belangrijkste gebeurtenissen van 1831 nog steeds in het teken van de Belgische onafhankelijkheidsstrijd staan.  Wat niet alleen tot uiting kwam door de militaire machtsontplooiing alhier, maar ook, en wat veel erger was, door de hatelijk vijandige houding van de Eeklose ingezetenen onder elkaar.

Toch zijn er reeds faktoren aanwezig die erop wijzen dat het sociaal leven binnen de stad stilaan terug op gang kwam.

Hoe onze "regering" - want zo werd het stadsbestuur genoemd aan de problematiek het hoofd bood en er meestal ook nog een passende oplossing aan gaf, mag blijken uit een greep van de nagelaten geschriften op het Stadsarchief te Eeklo, anno 1831.

- 1831 -

01.01.1831: Zesmaandelijks grepen te Eeklo de verpachtingen plaats van de STADSRECHTEN.  Zo gebeurde dit ook over de periode januari-juli 1831.  Naast het feit dat we zo te weet komen waar de stad zijn meeste inkomsten vandaan haalde, leert het ons ook wat er zoal aan handelsaktiviteiten op de donderdagse markt plaatsgrepen.

Wat werd er door de stad in pacht uitgegeven?
  -   Het plaatsrecht van de granen, zaden, aardappelen en allerhande droge vruchten.  Voor 1548 gulden had Benedictus Gillebeert het eerste halfjaar in pacht gekregen.  In compensatie inde de pachter op elke zak van de voornoemde produkten die te Eeklo verhandeld werden 3 cent.  (Tweede halfjaar, zelfde pachter voor 1803 gulden.)
  - Naast het plaatsrecht werd er ook op de vruchten een meetrecht van 2 cent de zak geheven.  Ook dit recht pachtte Benedictus voor 1032 gulden (2° halfjaar, zelfde pachter voor 1202 gulden).
  - Het marktgeld voor "peerden, ossen, koeyen en varsen, kalveren, schapen en verkens".  Pachter werd Pieter Jacobus Braet voor 10 gulden.  Voor elk paard, koe, os of vaars ontving hij 6 cent.  Voor de resterende dieren 2 cent de kop (2° halfjaar, zelfde pachter voor 5 gulden).
  - De "onoverdekte kramen, tafels, blokken of kruydwagen" en de "overdekte kramen, tenten en andere van dat slach" werden gezamenlijk verpacht aan Jan Robert voor de som van 405 gulden.  Zelf ontving hij 6 cent voor elke uitstalling op een onoverdekt tot een oppervlakte van "eene el en half vierkant".  Voor elke bijkomende vierkante el diende men 4 cent extra bij te passen.  De overdekte standplaatsen tot een oppervlakte van drie vierkante el (1 vierkante el = 0,49 m2) betaalden 12 cent en voor elke suplementaire el moest men nog eens 4 cent afdokken in de zak van pachter Robert (2° halfjaar, Jan Robert voor 455 gulden).
  - Marktgeld voor vlas en werk.  Voor elke zak, waarbij men uitgaat dat hij uitgespreid een oppervlakte bedekt van één vierkante el, zal men 4 cent betalen aan pachter Judocus de Smet, die het recht van de stad overnam voor 80 gulden (2° halfjaar, zelfde pachter voor 65 gulden).
  - Marktgeld op "versche schelvrugten, moeskruyd en fruyten" en de "ajuynmerkt".  Verpacht aan Ferdinand Gillebeert voor 50 gulden.  Voor elke halve vierkante el van het eerste soort betaalde men 2 cent en voor een kar ajuin 44 cent (2° halfjaar, J. Robert voor 141 gulden.  Dit groot verschil in pachtsom is te wijten aan het feit dat de produkten sterk seizoengebonden zijn ).
  - Marktgeld voor garen.  In pacht bij Bernard Robert voor 195 gulden.  Per maateenheid van een halve vierkante el ontving Robert 2 cent (2° halfjaar, Leo de Jaeger 182 gulden).
  - De "vischbanken", het recht op de reizende kooplieden, liedjeszangers en "bessems" werden in één lot verpacht.  Pachter Francies van Autrijve nam deze rechten onder zijn hoede voor 16 gulden.  Voor een mand vis werd een vast recht betaald van 2 cent en voor een kar zee- of riviervis 22 cent.  De leurders en bezembinders betaalden 6 cent (2° halfjaar, F. Gillebeert voor 15 gulden).
  - De boter- en eiermarkt en het marktgeld voor wild, kuikens en gevogelte.  Al de voornoemde produkten werden belast aan 2 cent de mand.  Leo de Jaeger hield het recht voor 131 gulden (2° halfjaar, zelfde pachter voor 119 gulden).
  - De "aerd en gleijzewerkmerkt" en de "buskolen en bakkerskolen" werden samen verpacht aan Benedictus Gillebeert voor 9 gulden.  De belastingsaanslagvoet gebeurde per kar.  Voor een kar porseleinwerk betaalde men 44 cent en voor kolen 88 cent (2° halfjaar, J. Robert tegen 9 gulden 50 cent).
  - Analoog verpachtte de stad het recht op de "steen- of houille kolen" aan Karel Staelens voor 170 gulden.  Deze inde op zijn beurt 2 1/2 cent per 100 pond produkt (2° halfjaar, K. Staelens voor 106 gulden).
  - De eeuwenoude meetrechten op de "wulle stoffen, het lijnwaed" en het zegelen ervan, hoewel reeds lang in verval geraakt werden toch nog verpacht aan Jan Baptist Kloeckaert.  Zij het dan voor slechts één gulden.  Per 698 strepen laken betaalde men 2 cent.  Voor "calmande" en ander wollen stoffen 1/2 cent.
Elk stuk lijnwaad ongeacht zijn lengte, werd getaxeerd op 10 cent en voor het zegelen ervan betaalde men nogmaals 1 cent (2° halfjaar, pachter en prijs ongewijzigd).
  - Het laatste recht waarvan de stad genoot, was het "kaeijregt".  Alle vaartuigen die te Eeklo kwamen laden of lossen betaalden 2 cent per ton lading aan kaaigeld.  Pachter ervan werd Richard Wulgaert voor 51 gulden (2° halfjaar, pachter K. Bauwens voor 30 gulden).
  Aldus genoot de stad over het eerste 3698 gulden en voor het tweede halfjaar 4133 gulden 50 cent aan stadsrechten.
 
01.01.1831: Eveneens eind december (29.12.1830), om op 1 januari een aanvang te nemen, ging het stadsbestuur over tot de aanbesteding van het onderhoud van de 26 straatlantaarns die Eeklo rijk was.  Eusebius van de Gejuchte nam voor 1831 de taak op zich tegen een vergoeding van 445 gulden.
Interessanter voor ons is te weten wat Eusebius voor zijn jaarwedde zoal moest uitvoeren !
De overeenkomst hield in dat de 26 lichtpunten - van het type met drie wieken - gedurende 107 vooraf vastgestelde dagen van 17 uur af tot middernacht moesten branden, uitgezonderd deze aan het huis van Augustijn de Clercq die aanbleef tot 5 uur 's morgens.  Tevens moest de lantaarnman instaan voor het dagelijks reinigen van het glaswerk, het bijvullen van "quinquet- of reverber olie", het plaatsen van wieken en allerhande kleine herstellingen.
Bij elke nalatigheid, zoals het onbehoorlijk onderhouden of het niet respekteren van het tijdschema, werd hij beboet met 32 cent per dag, per lantaarn waaraan een afwijking werd vastgesteld.
01.01.1831: Eeklo telde 8268 inwoners.
06.01.1831 Jan Bapist van Acker "deligence exploiteur" van delijn Eeklo-Gent, verzocht om enige wijziging in zijn dienstrooster.  Tijdens de maanden december en januari zou hij in de toekomst vanuit Eeklo willen vertrekken om 3u30 in de morgen en de resterende maanden om 4 u.
06.01.1831: Vanouds was er steeds diskussie geweest tussen de wet en de bakkers nopens de broodprijzen !  Ook nu weer liep het mis en de oorzaak was ditmaal de stijging van de roggebroodprijs.  Sedert 25 januari 1826 gebeurde de prijsstijging per halve cent.  De bakkers waren misnoegd over die grote tolerantie en vroegen om voortaan een prijsaanpassing per kwart cent per pond te mogen toepassen.  Volgens hun motivatie, omdat die grote stijging "te gevoelig voor de werkende volksklasse" was !  De waarheid was natuurlijk te zoeken rond een grotere winstmarge bij de bakkers.  Bij goedkeuring zouden de officiële gewichten en prijsstijgingen bedragen: 5 ponders + 1 1/4 cent, 4 ponders + 1 cent, 3 ponders + 3/4 cent en 2 ponders + 1/2 cent.  Wanneer we de bakkers mogen geloven, dat ze 94 pond roggebrood vervaardigden uit één mudde graan, dan is de winstmarge door het vroeger innen van de 25 cent per pond brood eenvoudig na te gaan !
10.01.1831: Door het vernieuwen van de voltallige magistratuur waren de vertegenwoordigers van het stadsbestuur in de commissie belast met het nazicht op het brandwezen weggevallen.  Werden als nieuwe leden benoemd: burgemeester Karel Stroo, schepen Bruno Martens en de raadsleden Angelus Aernaut, Antone Vermast en Joseph van Wassenhove.
12.01.1831: De leden van de muziekvereniging St. Cecilia, die voordien deel uitmaakten van de schutterij (onder Hollands bewind), verzochten om geïntegreerd te worden in het korps van de burgerwacht.  Volgens de ondertekenaars van het rekwest zou de aansluiting zonder kosten kunnen verlopen, gezien de bestaande uniformen "uitzonderlijk mooi zijn".
Ondertekenaars waren: J.X. Bastien, B. van Han, Cornelis (leraar Academie), A. van Damme, J. Temmerman, B.H. Spittael, E. Corthals, Van de Putte, Felix Reychler, J. du Bois, J.A. Lievens, Goethals, S. Minne, J. de Vildere, J.F. Bastien, A. Locufier, A. Willems, E. Verdickt en E. Rodrigos.
26.01.1831: Aangaande de bekasseiding van de Moerstraat bracht jonkheer de Schietere de Caprijck een paar suggesties naar voor, betreffende de grondafstand en de verkoop van de bomen daarop staande.  Na inzage verklaarde de raad zich akkoord over volgende punten:
  - dat de voornoemde de Schietere eeuwig het plantrecht langs de afgestane grond zou behouden;
  - dat de stad het rooien en de verkoop van de bomen tot aan de "eerstestraete" op zich zal nemen, ten behoeve van de heer De Malstaple;
  - dat het onderhoud van de straat en de daarnaast liggende aardeweg integraal ten laste van de stad zal vallen.
26.01.1831: Daar eind juni de pacht verviel van het gebouw waarin de gendarmerie gehuisvest was (deel van O.L. Vrouw ten Doorn) en de heer Triest, als eigenaar, er een andere bestemming wenste aan te geven, diende dringend naar een nieuw onderkomen uitgezien te worden.
Naast de aanbieding van de herberg "den Appel" in het "hondekotstraetjen" en de fabriek van Pieter Goethals, zou ook het huis, de stad toebehorende en bewoond door graaf d'Exaerde (oud Vredegerecht-Stationsstraat) in aanmerking komen voor kazerne.
Op 26 februari werd een provisioneel akkoord bereikt om het huis in pacht te nemen tegen een jaarlijkse pachtsom van 240 gulden.  Wèl diende een nieuwe paardenstal opgericht te worden.
Op 31 maart was de planning definitief.  De opbouw van de paardenstal werd toegewezen aan Joannes Heysse voor de som van 899 gulden 9 cent.
01.02.1831: Hoe zorgwekkend de toestand voor de armen te Eeklo was, blijkt uit de noodkreet van Bonaventura Vermast, lid van het armbestuur.
Op 1 februari liet hij het stadsbestuur weten dat er geen fondsen meer beschikbaar waren om het brood voor de armen te laten bakken.  Ofwel betaalde de stad de toegekende subsidie uit over 1831, ofwel gaven ze toelating om in hun naam schulden te maken!
Nagenoeg een maand later had de stad nog steeds geen gevolg gegeven aan de smeekbede om aan het prangend probleem een oplossing te geven.
02.02.1831: Op vrij onverwachte wijze kwam onze stad begin februari in de nationale belangstelling te staan.
Eind januari was te Eeklo het 6° regiment voetvolk ingekwartierd.  Op zichzelf niets uitzonderlijks!... ware het niet dat uit de houding van de officieren bleek dat zij, niettegenstaande ze onder Belgische vlag vochten toch sterk Hollands gericht waren.  Het dubieus gedrag van de bevelhebbers was wachtmeester Kiekens ter ore gekomen, die de informatie per ijlbode doorspeelde naar Gent.  Toen de legerbende in Gent aankwam werden ze, dank zij de Eeklose berichtgeving warm onthaald en op de vlucht gedreven.  Op 2 februari kwamen de uiteengedreven muiters terug binnen Eeklo waar ze onmiddellijk aangehouden werden.
De politiecommissaris noteerde op 2 februari:
    "Aenhouding van den Colonel Ernest Grégoire, Ernest Herst luytenant der jagers, Jancquart Capitaine, Vielle, Gossin, Willems Luytenanten en Van Lokeren doctoor, alle van het 6° regimenten verdagt van hoogverraed, deze aenhouding is gevolgd geworden door de ontwapening van 120 onderofficieren en soldaten die onder de bevelen van Jancquart deelgenomen hadden in den aenslag van Grégoire beraemt".
  Op 3 februari zijn de aangehouden officieren gevankelijk naar Gent overgebracht.
Rond half februari werden de alhier nog verblijvende gevangenen in vrijheid gesteld en naar huis gezonden.  Enkel Grégoire en zijn medeplichtige officieren werden op 11 juni te Gent gevonnist.  Alle uitgesproken straffen, gaande van vijf tot tien jaar hechtenis werden op 16 september in hoger beroep verworpen.
Gans het land door kwam het gebeuren, zij het sterk aangedikt, in de krant.  Eeklo en zijn bewoners werden in die dagen verheven tot de helden van de jonge Staat.
 
Klik op de foto voor een grotere versie ervan.
Plan van de nieuwe paardenstal. - Zie blz. 88, onder 26/01/1831.
Stadsarchief Eeklo.
 
05.02.1831: Om 10 uur in de voormiddag verscheen burgemeester Stroo met gans de raad op de pui van het stadhuis.  De harmonie St. Cecilia speelde de Brabançonne waarna de burgemeester de hertog van Nemours, de zoon van de Franse koning, uitriep tot eerste koning der Belgen.  Deze proclamatie gebeurde op aanwijzen van het Nationaal Congres.
Dat de bekendmaking ietwat te voorbarig was geweest bleek al snel, gezien hij onder politieke druk afzag van dit "eervolle" aanbod.
09.02.1831: Het op 29 december 1830 ingediende reglement voor de Eeklose burgerwacht (zie O.M. jg. 13, nr 1, blz. 47) werd van hogerhand afgewezen, daar er voor gans België een egaal reglement in de maak was.
26.02.1831: Seraphien de Vliegher, leraar aan de Academie, werd omwille van een politieke vete in 1831 als "professor" geweerd.  Dat Seraphien, hoewel miskend door het toenmalig bestuur, geen wrok koesterde mag blijken uit zijn schrijven: "........ de gewoonelijke lesien die van dees jaer niet gegeeven zijn is mijn schuld niet, ik ben altijds bereijd geweest ende nog om lessen te geeven, wanneer U.E. het mij zoude verzogt hebben......".
05.03.1831: Bij besluit van 5 maart werd door het Nationaal Congres geëist dat elke stadsfunktionaris volgende eed zou uitspreken: "Je jure fidélité au Régent, obéissance à la constitution et aux lois du peuple Belge".
07.03.1831: Van stadswege werd enkel voor de 10 ban van de burgerwacht uniformen aangekocht.  De resterende leden moesten zelf in hun kledij voorzien.
Het uniform bestond uit "een kiel, schakos, pompon en zwarten lederen gordelriem".
11.03.1831: Het armbestuur liet weten dat hun fondsen niet meer toereikend waren om, zoals gebruikelijk, alle arme eerste kommunikantjes uit hun kas van kledij te voorzien.  Indien de nog voorradige gelden uit de nu leegstaande spinschool, - destijds beheerd door Pieter Remery, - en het armbestuur toekomende, werden overgemaakt zou toch nog het noodzakelijke kunnen aangekocht worden.
14.03.1831: Dat de kleine man, zelfs indien hij een vast beroep uitoefende, niet noodzakelijkerwijze gevrijwaard bleef van beroep te moeten doen op het armbestuur blijkt uit de gezinstoestand van Karel Staelens, een 36-jarige schoenmaker.
Van Karel, die voorbeeld kan staan voor alle kleine ambachtslui uit deze periode, schreef men "....... daer hij geen ander inkomen of eenig salaris trekt dan het dagloon zijns arbeids dien ten gevolge hij in staet van behoeftigheijd kan beschouwd worden.......".  Aan de hand van voorgaande tekst blijkt dat nagenoeg alle arbeiders dansten rond de rand van behoeftigheid.
13.04.1831: Vanaf 1 mei zou door de stad geen beroep meer gedaan worden op de diensten van onderwijzer Jeenel.  Deze beslissing vond haar oorsprong in het feit dat Jeener "geen inboorling van België is" en anderzijds omdat zijn school te weinig leerlingen hield.
13.04.1831: Klacht van Jan Francies de Haeck, tavernier in het "Pannenhuijs", nopens de uitblijvende schadeloosstelling, omdat een deel van zijn woning van 2 maart tot 3 april gebruikt werd als militair wachtlokaal.  Naast de huur hadden de wachten ook nog schade toegebracht aan stoelen, een tafel, glazen en de kachel ten belope van 45 gulden 72 cent.
17.04.1831: Op zondag 17 april werd te Eeklo de "Belgische Vereniging" opgericht.  Ter dier gelegenheid kreeg deze een vaandel met als inscriptie "Gent aan Eecloo".
21.04.1831: Eeklo kreeg een provinciale subsidie toegewezen van 2000 gulden om de weg Eeklo-IJzendijke te laten kasseien.
30.04.1831: Rekwest van Charles Louis Verstraete, wever, om in het huis van Charles de Paepe, gelegen met de zuidzijde tegen de Vlasmarkt, west het "Rood huis", een herberg te openen met als uithangbord "Den Belg".
02.05.1831: De begrootingstaat opgemaakt voor 1831 leert ons dat de Stad hoopte op een ontvangst van 16.570 gulden 63 1/2 cent en een uitgave van 15.169 gulden 49 cent.  Zodat de stadskas, 1831 zou kunnen afsluiten met een batig saldo van 1401 gulden 14% cent.
Een gedetaileerde tekstweergave van de begroting zou mogelijks als schoolvoorbeeld kunnen gelden voor onze huidige mandatarissen, op welke wijze men de stad uit de rode cijfers houdt !
02.05.1831: De drie Eeklose ordehandhavers, agent Ferdinand de Hulsters en de veldwachtels Jan Bapist van Hecke en Jan Baptist pynaert vroegen om een aanpassing van hun wedde, gelijk aan deze van de andere veldwachters uit het distrikt, zijnde 200 gulden.
In de raad waren vier leden die de bestaande jaarwedde van 150 gulden wilden ophalen tot 175 gulden.  Terwijl de resterende vijf opteerden om de zaak nog een jaartje te laten rusten.
02.03.1831: Om het negatief saldo van de armenkas aan te zuiveren, stond het stadsbestuur een toelage toe van 600 gulden.
04.05.1831: Voor het komende werkjaar, dat aanving op 1 mei, kreeg het armbestuur 2000 gulden gewone en 800 gulden buitengewone subsidie toebedeeld.
Deze 2.800 gulden werd gerechtvaardigd "door aengroeiing dagelijks van het getal armen, veroorzaakt door gebrek aen werk en de dierte van het brood; het echter te vermoeden is dat die bezwarende omstandigheden niet tot het eijnde van het jaer zullen voortduren en eene vermindering in den prijs der levensmiddelen met vertrouwen kan te gemoet gezien worden".
04.05.1831: Eis van de voormalige onderwijzer Pieter Francies Verbiest, nu lesgever te Kaprijke, om achterstallige gelden die de stad hem nog schuldig zou zijn van wedde en vergoedingen van huur van lokalen.
Na onderzoek bleek dat Verbiest vergoedingen vroeg voor prestaties die hij niet geleverd had.  Derhalve werd zijn rekwest onontvankelijk verklaard.
05.05.1831: Aan Jan Baptist van Acker, uitbater van de "diligence" en Martin de Bakker "voiturier" alhier, werden respektievelijk 66 gulden 67 cent en 23 gulden 33 cent uitbetaald, omdat beiden een ziek paard hadden moeten afvoeren.
09.05.1831: De officieren van de Eeklose burgerwacht waren dermate op aktie belust dat ze schriftelijk vroegen om de Hollanders toch maar te lijf te mogen gaan....! ".... Als wij
van iver zijn vervold, om de vijand van onze vrijheid en onafhankelijkheijd te bestrijden....."
De kandidaat vechters waren:
  1° compagnie   2° compagnie
  Veracx Charles
Vanden Bossche P.
Lintelo F.
Temmerman A.
- kapitein -
- 1° luitenant -
- 2° luitenant -
- 2° luitenant -
Goethals H.
Cornand C.
De Smet E.
Denijs H.
28.05.1831: Bij het bepalen van het hoofdelijk omslag over het jaar 1831 bleken er 860 belastingsplichtigen te zijn of 10,40% van de totale Eeklose bevolking.
01.06.1831: E. de Jagher van Eeklo benoemd tot kapitein-adjudant-majoor van de burgerwacht van het distrikt Eeklo.
22.06.1831 Kolonel Kenor, bevelhebber van de Belgische troepen "op de linie van Zeeland", eiste dat Eeklo hem een lokaal ter beschikking zou stellen "tot ambulance of ziekenzael".  Gezien de stad over geen hospitaal beschikte, zat men te Eeklo met de zaak erg verveeld.
Uiteindelijk werd besloten stappen te ondernemen om een deel van het gewezen klooster der Recollecten ter beschikking te krijgen.  Desnoods wou men een maandhuur van 10 gulden betalen.  Mits het pand af te sluiten en te voorzien van enige dekens "van gemeene soort", waren de lokalen bruikbaar als ziekenzaal !
25.06.1831: Eerste gemeenteraadsverslag dat integraal in het Frans werd gesteld.
18.07.1831: Bezoek van koning Leopold I aan Oost-Vlaanderen !...  Zo blokletterde men het althans.  Wanneer we het tijdschema even nagaan blijkt het eerder om een "doorreis" dan om een bezoek te gaan.
Op zaterdag 16 juli vertrok het gezelschap vanuit Londen naar Calais waar de koning overnachtte.
Zondag 17 juli, overnachting te Oostende.
Maandag 18 juli reisde de koning via Eeklo naar Gent, waar gedineerd en overnacht werd.
Dinsdag 19 juli, terugkeer te Brussel.
Door de nieuwe staat werd beroep gedaan op de patriottische gevoelens van zijn onderdanen om de koning alle eer te betuigen.
25.07.1831: Van alle tijden is de brandbestrijding één der hoofdbekommernissen van het stadsbestuur geweest.
Door alle tribulaties die het laatste jaar hadden plaatsgegrepen was de zekerheidszorg over de stad enigszins op de achtergrond geraakt.  In een weinig benijdenswaardig verslag bracht opperbrandmeester J. Dhuyvetter de ware toestand van het brandblusalaam naar voor.  Herhaaldelijk moest hij in zijn verslag wijzen op vermist of onbruikbaar geraakt materiaal.
Op heden beschikte het korps nog over "eene brandspuit met twee douwstoken, eenen trekriem met twee trekstoken, vier ijzeren sleutels voor de vijzen te openen en te sluiten, drij leernen darmen, een linnen darm, 6 kleine riemkens, 8 riemen met ijzeren haekken, een leernen sloover, 84 leerne hemers, 2 lange blekken buizen, 2 brandleeren, 2 brandhaeckken, 1 slot voor de leeren mede te sluiten, 1 lantaarn op een stok en 4 fakkels".
Dienden dringend hersteld : "8 hemers, de trekriem te naeijen, eene woeling in te binden in een leern darm, een leening van het kofferken der brandspuit, twee riemkens gespen in te naeijen, een sloover te repareren, de lantaarn te herstellen".
Werden opgegeven als zijnde vermist: "1 slot voor de leeren mede te sluiten, 1 sleutel van het kofferken der spuit, 1 leerne sloover, 1 paer woelingen".
De samenstelling van het korps bestond uit 16 man.
Opper brandmeester : J. Dhuijvetter.
Spuitmeester : J. de Nijs.
Spuiters : Petrus Standaert, Joseph Meerschaert, Pieter Smits, Karel Heene, Angelus D'Have, Karel Lippens, Francies de Rijcke, Francies Standaert, Henry van de Gejuchte, Pieter de Bouvere, Antone van Hijfte, Bernaerd Eggremont, Damien van de Gejuchte en Joseph Claeijs.
02.08.1831: Daar een groot aantal manschappen van de burgerwacht onbemiddeld waren om zelf in hun uniform te voorzien, besloot de stad zelf voor circa 450 gulden aan kledij aan te schaffen.
Jacques Landwehr, Jan Baptist Kloeckaert, Charles van Hoorebeke en Adolph de Smet zouden 60 bloezen à 2 gulden 36 cent 't stuk, 90 zwart lederen gordels met gesp à 47 cent en 90 tassen aan 1 gulden het stuk leveren.
31.08.1831: Doordat Pieter Lievens, dagloner, wonende in de Vlote, ingevolge zijn armzalige toestand een opgelopen boete van 38 gulden 86 cent niet kon voldoen, werden bij deurwaardersexploot zijn schamele goederen en vruchten aangeslagen.  Uit het proces-verbaal lichten we de inventaris van de aangeslagen goederen, omdat die ons een typisch beeld geeft van wat de doorsnee dagloner bezat:
In de keuken: twee ijzeren potten, hangel, brandel, tange, schoppe, blaespijpe, houten emmer, koperen theeketel, twee schenkketelkens en kuijpe, tafel, zes stoelen, huijshorlogie, een kasken, bedstede en een koffer.
In de kamer: bijle, spae, een scheerbank, een weefgetouw voor lijnen met toebehoorten, een pluijmen bedde en twee wolle sargiën.
Op de zolder: een koffer, vijf stoelen, scheerbank, koelvat, een kuijpken en eenige rommelingen.
Op het hof: circa honderd busschen, vijftig ongebonden, zes schelfpersiën.
Op het land, door Lievens in pacht: 4 roeden 80 ellen aerdappelen.
Al het hebben en goed van de ongelukkige werd op 15 september openbaar geveild op de markt te Eeklo.









Deze afbeeldingen zijn afkomstig uit een folder die door de Luikse firma
"Fabrique de pompe à incendie et autres de François Requilé à Liège"
werd toegestuurd aan de Stad Eeklo.
Verder vermeldt men daarin nog enkele technische gegevens en de prijzen.

 

01.09.1831: De weg Gent-Oostende was te Eeklo in een zo slechte staat, dat 4.200 kasseien nodig bleken om hem terug behoorlijk te herstellen.
21.09.1831: Verzoek van Jan van Hijfte, slager te Eeklo, om alhier een herberg te mogen openen, onder de naam van "Den Kanonier".
29.09.1831: Militaire opeising van 360 Eeklose werklieden, 80 kruiwagens, 30 wagens en dito paarden om te arbeiden aan de versterkingswerken te Maldegem-Strobrugge.
Een tweetal dagen later werden nogmaals 50 aardewerkers en een opzichter opgevorderd, voorzien van schoppen en levensmiddelen voor meerdere dagen om analoge werken te Boekhoute.
01.10.1831: Majoor Jan Charles Domers bij koninklijk besluit benoemd tot Luitenant-kolonel van de burgerwacht van het kanton Eeklo.
01.10.1831: Klacht van diverse grondbezitters te Eeklo, o.a. Gimberie B., Bovijn A., De Heuvel F., Eueraerd B., Rijffranck S., Aernaut J., Aernaut A., de wed. Roegiers, Diericx Anna, Eurard F. en Stroo Charles, allen eigenaars van goederen in de Pokmoer en het Leen, dat hun gronden door het afsluiten van de sluis van de Burggravenstroom te Evergem, deels onder water zijn komen te staan.  Het verlies van de meersen, klaver, aardappelen, wortelen, loof en niet in het minst van de mestvette en labeur, zou voor de eigenaars zware financiële verliezen tot gevolg hebben.
06.10.1831: Rekwest van schoolmeester Ledeganck opdat de stad zijn vroegere toelage van 75 gulden zou handhaven.
Daar het stadsbestuur elk vroeger geschapen precedent wou wegwerken, zou een globale som van 100 gulden aan onderwijs worden gespendeerd, verdeeld onder alle onderwijzers naar rata van het aantal arme kinderen die ze les gaven.
22.10.1831: De raad gaf zijn goedkeuring om de jaarwedde van het politiekorps met ingang van 1 januari 1832 op te trekken tot 175 gulden.  Alleen de wedde van politiekommissaris Vrombout bleef gehandhaafd op 150 gulden!
Hoe paradoksaal het nu moge overkomen, schijnbaar vond men het vroeger heel normaal dat een ondergeschikte meer verdiende dan zijn chef !

E. De Smet.

Werf leden voor 'Ons Meetjesland'

Separator

Chronologie van Eeklose gebeurtenissen 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice


Meest recente bijwerking: 27 March 2018