Herbergen opgericht te Eeklo tussen 1820 en 1830
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1971, 4de jaargang, nr. 3

Herbergen opgericht te Eeklo tussen 1820 en 1830

Inleiding.

Wanneer we een aanvang namen met het bundelen der Eeklose herbergen, was het geenszins onze bedoeling het ontstaan en de ontwik­keling ervan weer te geven. Onze betrachting was het aantonen dat iedere herberg een weer­spie­geling is van zijn eigen era, een brokje volks­geschie­denis dat men zeker niet onopgemerkt mag laten voorbijgaan.

Menig factor laat ons toe een trouwe reproduktie te maken van het dorpsleven ... Waren de vergaderlokalen der diverse maatschappijen niet van ouds gevestigd in herbergen?  Ongetwijfeld mogen we de welvaart van de herberg als maatstaf van het dorpsleven noemen, niets was meer onderhevig aan het wel en wee van een gemeenschap, dan de tapkraan.

Veruit het meest typerend waren de alomgekende uithangborden.  Helaas, nu zijn die bijna totaal verdwenen.

Logischerwijze werd bij de naamgeving geput uit gebeurtenissen die de mensen het meest aanspraken, dus aktuele feiten.

Als voornaamste bron voor de stofverzameling gebruikten we de verslagen van het schepencollege en de bevolkingsregisters. Alle andere bronnen worden vermeld in de voetnoten.

Herbergbenaming.

Het is niet luk-raak dat de aangesneden periode van 1820 tot 1830 gekozen werd.

Algemeen wordt aangenomen dat het aantal nieuwopgerichte herbergen dan zijn hoogtepunt bereikte.

«DE» oorzaak van de niet te stuiten vloedgolf was tweeledig:
Primo: De stijging van het welvaartspeil (1).
Secundo: Na de val van het ancien régime waren de octrooirechten, welke bestonden op het openen van een herberg, afgeschaft; zodoende had ieder de vrije hand om tapper te worden, van het ogenblik dat hij voldeed aan een paar reglementeringen inzake brandgevaar.

De Boelare omstreeks 1910
De Boelare omstreeks 1910. Rechts op de foto ziet men het teken van de slagerij
(ossekop) en wat verder was vermoedelijk de herberg «St. Cecilia» (tweede huis
vóór het Zilverstraatje).
Prentkaart uit de verzameling van R. Tondat.

Dat er onder dit groot aantal herbergen een bonte verscheidenheid bestond wat betreft naamkeuze hoeft zeker geen betoog.

We achten het wel eens interessant uit te zien naar de betekenis ervan, daar het ons toch een beeld geeft van de fantasierijkdom van de toenmalige volksmens.

Veelal werd de naamkeuze ontleend aan rechtstreekse volkstradities, die meestal afkomstig waren van geschiedenis en heraldiek, godsdienstig leven, ambacht, dieren- en plantenrijk, aardrijkskundige benamingen, volksspelen en volkshumor.  Kortom alles wat de mens aansprak.

Voor een groot deel kon men, aan de hand van de naamkeuze, bij benadering het jaar van oprichting situeren.

Een rigoreuse vaste lijn is niet te trekken, daar er dikwijls oude verdwenen benamingen opnieuw werden opgenomen.

Globaal genomen zijn er echter voldoende elementen aanwezig om de historische inslag ervan niet te verwaarlozen.

Door zowel een ideologische als een planologische schikking te geven hopen wij zodoende een grotere efficiëntie te bereiken ter voldoening van de lezer.

Beperken we ons thans tot het weergeven der betekenis van de herbergbenamingen.

De Brugsche straat omstreeks 1910.  Rechts bemerkt men «De Groene Boomgaard» en een paar woningen voorbij het huis met de vlaggestok was eenmaal «De Karper». Deze laatste herberg, sinds lang niet meer uitgebaat, werd onder de oorlog 1914-18 heropend, doch niet meer onder de oude benaming; daar woonden toen de drie herbergiersters, algemeen bekend als «De drie Muilkes».  Links op de foto, juist voorbij de Cocquytstraat, op de hoek, was «De Kroon».
Prentkaart uit de verzameling van R. Tondat.

A. IDEOLOGISCH

1. Geschiedenis en heraldiek.

«Bacchus op de ton».  Eerste vermelding van Bacchus, in de Sibyllijnse boeken (496 v.C.). Romeinse god van de onderwereld, wordt gebaard, met lang gewaad voorgesteld, een beker en wijnrank in de hand houdende.
«Het Prinsenhof» (2 maal).  Typerend voorbeeld van naamgeving uit eigen tijdsperiode. Het was een verblijfsgelegenheid van de stadhouders in de republiek der verenigde Nederlanden.
«Louis XVIII, Koning van Frankrijk».  Ambtsperiode van 1814-15 tot 1824.  Na Napoleons terugkeer van Elba vluchtte Louis XVIII naar Gent.  Pas na de slag van Waterloo keerde hij naar Parijs terug.  Het is dus zeer logisch dat in de streken rond Gent dergelijke benamingen veelvuldig voorkomen.
«Het Hof van Wenen».  Onder impuls van het Congres van Wenen, gehouden van september 1814 tot juni 1815, ter heropstanding van de Europese monarchie.
«In de vier gekroonden».  Schutpatronen van de Vlaamse en Nederlandse metselaars en steenhouwers (2).
«Graaf Olivier».  Waarschijnlijk een krijgsman uit de slag van Waterloo.  Gegevens hieromtrent bezitten we niet.
«In den curassier» en «in den Belgischen curassier».  Een regiment zware ruiterij, in Nederland opgericht in de eerste helft van de XIXe eeuw, uitgerust met kuras, pistool en zwaard.
«La belle alliance».  Waarschijnlijk hier «De grote alliantie» (1815) tussen Engeland, Pruisen, Rusland, Oostenrijk en Frankrijk.  Een verdrag ter handhaving van de vrede in Europa.
«De Tempel van Apollo» (2 x). Griekse God, volgens mythen de zoon van Zeus en Latona.  Meestal gekarakteriseerd als naakte jongeling met lauriertak, boog en hert.
«De Kroon» (2 x) en «De gouden kroon».  Wegens zijn algemeenheid van betekenis is het onmogelijk, het nader te identificeren.  Een dergelijke benaming komt veelvuldig voor.
«De Prins Kardinaal».  Kardinaal infant Ferdinand, Landvoogd der zuidelijke Nederlanden (van 1634); geboren in het Escoriaal op 16-5-1609; overleden te Brussel 9-11-1641, derde zoon van koning Filips 111.
«Hertog van Wellington».  Opperbevelhebber van de gealliëerde strijdkrachten in België, tijdens de slag bij Waterloo (18/6/1815).
«De dubbele adelaar» (2 x).  Symbool van kracht, moed en fierheid.  Gedragen als standaard in het leger.  Franse, Duitse en Russische keizers hadden de adelaar als symbool.

Met deze beknopte verklaring hebben wij getracht de optiek weer te geven van de toenmalige tappers.

Uit het voorgaande kunnen we toch een paar benamingen vooropzetten die zeer typerend zijn voor hun tijd. Nemen we maar In den belgischen curassier, La belle alliance en de Hertog van Wellington.

II. Godsdienstig leven.
«St Cecilia» (2 x).  Schutpatroon van de muzikanten, speeltuigmakers, orgelisten en zangers (3).
«St Sebastiaan» (2 x).  Schutpatroon van de Handboogschutters en soldaten.
«St Pieter».  Schutpatroon van metselaars, schippers en vissers.

We kunnen ons moeilijk in het vlaamse land één gemeente indenken, waar geen St-Cecilia-muziekmaatschappij en dito geen schuttersgilde St-Sebastiaan aanwezig was.

III. Ambacht en Nering.
De benamingen welke hieronder voorkomen drukken meestal de handeling of het beroep zelf uit, waardoor het ons inziens niet nodig blijkt er een verdere verklaring aan te geven.  Het bedrijfsleven kunnen we verder nog indelen in diverse takken, het zijn:

- Landbouw:
«Het boerinneken» (2x), «Het Boerken» (2x), «De Tuinier».

- Handel:
«Koophandelshuys», «De Draadmarkt» , «Nieuw-vleesch-huys», «De Graanmaat», «De Botermarkt», «Het hof van Commerce», «De goede Koop», «De Vlaschmarkt», «Het huys van Commerce».  Al deze markt-benamingen staan rechtstreeks in verband met een bestaande of vroeger bestaande markt, te Eeklo gehouden.  Meestal is de herberg gevestigd op de plaats waar de desbetreffende markt gehouden werd.

- Vervoer:
«De nieuwe afspanning», «In de postilion».

- Ambacht:
«Het Meuleken» (2x), «De Truweel», «De Schietspoel», «Den Engelschen leersouwer».

- Scheepvaart:
«Het Schip», «Het Scheepken».
Beide herbergen vinden we terug aan onze waterwegen.

IV. Dieren- en Plantenrijk.
Het grootste aantal herbergen moeten we hierin onderbrengen.  De mens heeft zich steeds innig verbonden gevoeld met de natuur.  Het is dan ook voor de hand liggend dat uit dit gamma veelvuldig keuze werd gedaan.  Dikwijls werd geput uit middeleeuwse mythen en sagen, verbonden aan een beroep. Zeer verspreid zijn de naarngevingen welke in verband staan met de opkomst van de duivesport.

- Dierenrijk:

- Plantenrijk:
«De Gouden Peer», «In den Fruitboom», «In den Hulsteboom», «In Den Druiftak», «Den Olijfboom», «De Drie Rozen».

V. Aardrijkskunde en toponymie.

Veelal gaan deze benamingen niet samen met een vast tijdspatroon.

Ofwel duiden ze de plaats aan waar de herberg gevestigd is, (toponymie) ofwel is het een vreemde plaats die een speciale indruk heeft nagelaten bij de herbergier.

- Streektoponymie : «Het Motjen», «Het Houten Wambuis», «Het Hoogkasteel», ,dn den Raboutswegel», «De Fontein».

- Vreemde toponymie: «De haven van Oostende» (2x), «Hannover», «In het Wapen van Zeeland», «De Stad Rotterdam», «In den Hollander», «In de Stad Vlissingen», «In de Stad Antwerpen».  Opvallend is wel, dat bij de hierboven vermelde benamingen uitsluitend havensteden voorkomen. Waarschijnlijk is dit te wijten aan de bloei van de toenmalige havens.

- Ontleend aan heraldiek: «De Sterre», «De Gouden Sterre».

VI. Volksspelen.

Niettegenstaande de volksspelen in de XIXe eeuw zeer populair zijn, o.a. het bollen en wipschieten, beperkt Eeklo zich tot één soortgelijke naamkeuze gedurende deze tien jaar, namelijk «Het Schuttershof».  Dat de spelen zelf aan activiteit wonnen, blijkt uit de verzamelde teksten in bijlage.

VII. Volkshumor.

Zeker een niet te versmaden faktor.  Het geeft ons een idee van de fantasierijkdom welke bij de doorsnee volksmens aanwezig was: «Het Gulden Mandeken» (2x), «Den tijd zal alles leren», «Het Blauw Huis», «De Fortuin», «Het Paradijs», «De Hoop van Vrede», «Nieuw Leven», «De Hoorn», «De Klok», «De nieuwe Wandeling» en «Het Vliegende Peerd».

B. PLANOLOGISCH

Om een duidelijker beeld te scheppen van de ligging der nieuwe herbergen, hebben wij het noodzakelijk geacht ze te ordenen per straat.  De straten werden alfabetisch gerangschikt, de herbergen bevinden zich onderling in volgorde van het openingsjaar.

We hebben tevens getracht, in de mate van het mogelijke, de ligging zo nauwkeurig mogelijk te specifiëren.  Alle aangegeven kadasternummers zijn afkomstig van de kadastrale kaart van P.C. Popp.
Antwerpse Heirweg:
Hannover, 12/6/1823 (4).  Was van ouds reeds een herberg. Francies Van Overberge heropent die en behoudt dezelfde titel. Het huisje bestaat nu nog en is gelegen op de hoek van het verbindingstraatje tussen Antwerpse Heerweg en Oostveldstraat.

Balgerhoeke :
Koophandelshuys, 21/10/1820.  Uitgebaat door Jan Claeyssen.  Het is ons niet bekend waar de herberg gelegen was.
Het Lam, 20/5/1823.  Haegeman August heeft de herberg overgenomen van Symoens; gelegen aan de zuidzijde van de baan, bij de wijk Balgerhoeke.
Den tijd zal alles leren, 11/6/1827.  Uitbater De Decker Francies Pieter was tevens metselaar; ook gelegen langs de baan bij Balgerhoeke.
In den Papegaey, 22/4/1830.  Judocus De Coeyer was buiten het beroep van herbergier ook wever.  De herberg bevond zich in de oude rij huizen, aan de zuidzijde van de Balgerhoekstraat (vóór de gemeenteschool).  Volgens Popp sektie A nr 757.
Van de laatste drie vermelde herbergen mogen we zeggen dat ze gelegen waren in elkaars nabijheid.

Blommekens : 
7/5/1821.  Een herberg gehouden door Van Zelder Albert.  In de tekst vernemen we dat het een oude herberg was, waarvan hij de oorspronkelijke benaming wil behouden, doch helaas, deze is ons onbekend.  Gelegen aan de noordzijde, waarschijnlijk waar nu de herberg «Welkom» gevestigd is.  Sektie D nr 245bis.

De stad Rotterdam, 27/4/1826.  Joannes Baptist Van Acker wil de herberg heropenen. Vroeger in gebruik door Bernard De Bruycker.  Gelegen aan de zuidzijde, tot vóór een paar jaar nog steeds herberg. Sektie D nr 18b.

Boelare :

De Tuinier, 3/11/1821. Mattheeuws Pieter.  Ean van die vele herbergen welke maar een kortstondig bestaan kende.  Reeds vóór 1825 was zij verdwenen.  We bezitten geen gegevens nopens haar ligging.

Het hof van Wenen, 29/12/1823.  Goethals Ferdinand wenst een herberg te openen aan de oostkant van de Boelare, in het huis thans bewoond door Bernard Bauts.  Daar we Bauts later nog terugvinden als herbergier, zal het hier ook wel een overname betroffen hebben.

St Cecilia, 4/11/1824. Herbergier-broodbakker Teynckindt Francies vestigde zich aan de oostzijde der straat (tussen Markt en Zilverstraat), waar nu het huis «Gabriël» is.  Volgens P.C. Popp sektie E nr 618c.

In de stad Vlissingen, 26/4/1827.  Herberg-Beenhouwerij, uitgebaat door Halswoede Jan Frans, in het huis toebehorend aan Antoine de Maere.  Tot vóór kort bevond het teken van de slagerij (ossekop) zich nog boven de deur.  Het huis is nu in afbraak, sektie E nr 617.

Het Vliegende Paard, 14/1/1828.  Kleermaker-winkelier-herbergier Andries Bernard opent in het huis van Van de Heuvel een herberg, maar wil de oude naam «De Wildeman» vervangen.  Nu kinderkledij «Heidi» - sektie E nr 614.

Het Wapen van Zeeland, 26/5/1828.  Spittael Lodewijk afkomstig van Breskens, wil in het huis van Bernard Aernaut, gelegen aan de oostzijde van de Boelaarstraat, een herberg openen.

De Gouden Leeuw, 15/10/1829.  Het is ons enkel bekend dat deze herberg werd uitgebaat door Goethals Marie- Thérèse.

Brugsche straat (Koning Albertstraat) :
De Karper, 24/6/1820.  Joseph Claeys hield het amper twee jaar uit, op 2/5/1822 werd het drankhuis overgenomen door Jan Braet.  Nog vóór 1830 verlaat Jan eveneens dit huis. De herberg was gevestigd op een drietal huizen ten westen van de «Groene Boomgaard», sektie E nr 1341.

De Kroon, 3/3/1828.  Wevekammaker-herbergier De Neve August wenst in het huis van Karel Van Hoorebeke, gelegen op de westhoek Kon. Albertstraat-Cocquytstraat, sektie E nr 1349, (nu dameskapsalon), op 1/5/28 een herberg te openen. Na zijn overlijden zet weduwe Sophie De Vos de uitbating verder.

Cocquytstraat :
La Belle Alliance, 19/7/1827.  Uitbater was Voet Frans, reeds vóór 1830 verdwenen.  De ligging is ons onbekend.

De Goede Koop, 6/3/1828.  Bakker-herbergier Coppens Francies deelde er de broodjes en de pinten.  Verdere specificatie was ons ook niet mogelijk.

De Klok, 30/4/1829.  Karel De Neve, fabrikant in tabak, wil een herberg openen in het huis van Jacobus Aernaut, staande op de zuidhoek van de «slag» leidende naar de voormalige gasketels - sektie E nr 1356.

Hondekotstraat (Collegestraat) :
De Haven van Oostende, 2/5/1822.  Angeline D'Havé doet aanvraag tot het openen van een herberg.  Op 6/5/1824 laat ze de herberg over aan Jacobus De Poorter, welke de oude titel behoudt.  Gelegen op de westzijde van de straat, sektie E nr 1144.

Den Engelsen Leersouwer, 12/6/1823.  Herbergier Dryoel Bonaventura hield langer stand dan de meeste zijner collega's.  We vinden hem nog herhaaldelijk terug na 1830. Gelegen op het einde, aan de oostzijde van de straat, volgens P.C. Popp sektie E nr 1123.

De Fortuin, 29/4/1824.  Uitbater Jolie Johan.  Gelegen op de zuidhoek van Collegestraat en Schuttershof, sektie E nr 1150.

Het Schuttershof, 3/1/1824.  Bauts Bernard had zich gevestigd op de noordhoek van Collegestraat en Schuttershof, sektie E nr 1153.

Het Gulden Mandeken, 29/5/1826.  Uitgebaat door Sophie Van Acker.  De ligging is ons niet bekend.

Het Gouden Mandeken, 9/8/1827.  Standaert Petrus neemt de herberg over van Peetermans.  Gelegen naar het einde toe, aan de oostkant van de straat, sektie E nr 1120bis.  Wegens de gelijkenis van naamgeving zouden we geneigd zijn, voorgaande herberg te vereenzelvigen met laatstgenoemde.  Het zou misschien uniek zijn dat dezelfde herberg drie uitbaters kende in één jaar, echter niet onmogelijk.

De Tempel van Apollo, 21/1/1828.  Van Autryve Frans Napoleon Jan-Baptist, opent een herberg in het huis van Augustin De Clercq.  De ligging is ons onbekend.

(wordt voortgezet).
E. DE SMET.

__________________________

(1) Van Acker A .:  «De geschiedenis van Eeklo», blz. 180:
«Vermeldenswaardig is verder de opmerkelijke stijging van het aantal herbergen tegen het einde van het Hollands bewind, hetgeen wijst op een zeer gevoelige stijging van het welvaartspeil.» — Van Acker A.:  «De geschiedenis van Eeklo», uit «De Eecloonaar», 121 jg. nr. 18: «... het steeds aangroeiend aantal herbergen, is de beste barometer van de steeds groeiende volkswelvaart.» Terug naar de tekst
(2) Appeltjes, nr 18. blz. 263 en vgd. - Dr P. Rogghé.
In 1427 werd een gedicht gemaakt op de legende van de vier gekroonden; het bestaat uit 235 versregels en is een vertaling uit het latijn. Terug naar de tekst
(3) «Almanach van Milanen» (1834). Terug naar de tekst
(4) Datum der toezegging van het Schepencollege om de herberg te openen. Terug naar de tekst

Separator



«De Appeltjes van het Meetjesland» van het Histo­risch Genoot­schap van het Meetjes­land heeft zijn eigen webstek.  Heel mooi en effi­ciënt !  Zij zoeken vrij­wil­ligers die hen kunnen helpen om de oude uitgaven op het inter­net te publi­ceren.  Neem contact op met hen indien u kan mee­werken aan dit heel waar­de­vol project.

Herbergen opgericht te Eeklo tussen 1820 en 1830  1 - 2 - 3

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  25-06-2019