Een vergiftigingszaak te Boekhoute
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1980, 13de jaargang, nr. 3

EEN VERGIFTIGINGSZAAK
TE BOEKHOUTE

Frans Van Zeveren was douanier in het jaar 1614 en hij moest dienst doen in de streek van Assenede, Boekhoute, Watervliet en de Oudeman.  Hij is een der oudste douaniers uit onze streek (wij hebben vroeger reeds verteld dat Adam De Pau als douanier vermeld wordt in 1630 te Strobrugge, en Matthijs Janssens, rond diezelfde tijd, te St.-Laureins).

Het woord douanier werd toen nog niet gebruikt, men sprak van licentmeester of commis van licenten.

Er werden reeds licenten geheven op de invoer vanuit Nederland sedert einde 16e eeuw en het kan wel gebeuren dat wij nog een oudere licentmeester vinden.  Tot nu toe echter is Frans Van Zeveren de oudste.  De sukkelaar eindigde zijn leven op een treurige manier.  Op woensdag 26 februari 1614 dronk hij enkele glazen wijn in de herberg De Valk op de Markt te Boekhoute.  In een van die glazen moet vergif ingezeten hebben want Frans Van Zeveren zou daarvan sterven.

Van De Valk trok hij naar den Oudeman waar hij logeerde en hij ontmoette Simon De Croock die daar helper was om het recht van licenten gade te slaan.  Van Zeveren zegde aan De Croock dat hij geen lust had om in de gewone herberg van Pieter De Coninck te slapen omdat daar te veel volk was.  "Laat ons naar Hubrechts gaan», zegde hij (dat was de waard in een herberg daar dichtbij), «want mij is gebeurd dat mij nooit is geschied: ik heb mij geheel vuil gemaakt.  Zij hebben mij daar te Boekhoute wat ingegeven dat mij slecht bevalt".  De goedgunstige lezer zal mij wel toelaten dat ik nu en dan de taal gebruik waarin de mensen zich in die tijd uitdrukten.  Er zijn daar immers zulke merkwaardige uitdrukkingen bij !

Simon De Croock zag wel dat zijn baas niet bij drank was maar toch zegde hij hem dat hij een teug te veel gedronken had.

Toen Frans Van Zeveren naar den Oudeman reed, ontmoette hij ook Guillaume De la Rue, zoon van Jan, 40 jaar oud en weerd in De Kroon te Watervliet.  De la Rue wilde Van Zeveren bij hem doen slapen omdat er bij Pieter De Coninck, waar hij gewoon was te logeren, te veel volk was en kleine commoditeit maar Van Zeveren weigerde en hij trok toch naar den Oudeman waar hij dus sliep bij de weerd Hubrecht.

Hoe kwam het dat er zoveel volk was op de Oudeman ?

Wel, er was spraak van een heks te verbranden en dat was altijd een aantrekkelijke gebeurtenis.  Wie die heks was weet ik nog niet maar het moet iemand geweest zijn uit het gezelschap van Digma Dierickx waarover wij vorige keer schreven.

De volgende dag, de donderdag, kwam de baas uit De Kroon met zijn vrouw, ook kijken naar die verbranding, maar die executie had terug niet plaats.

Nu kwam Van Zeveren met De la Rue terug naar Watervliet om in De Kroon te slapen.  Hij had die dag niet geklaagd van ziekte maar de volgende dag (vrijdag 28 februari 1614) was hij ziek en hij sprak terug over die wijn die hij gedronken had in de Valk te Boekhoute.  Hij wist niet meer wie hem die wijn gegeven had maar daar was toch een glas bij dat troebel was.  Hij had eerst gedacht dat glas niet uit te drinken, maar er was veel volk en al sprekende had hij die wijn toch gedronken.  Toen hij vertrok had hij "kamergang" gekregen zonder van zijn paard te kunnen gaan.  Hij beweerde dat zo iets nooit gebeurd was.

"Ik weet niet wat ik heb", zegde hij aan de vrouw van De la Rue (zij heette Joozijne Van Schiere), "mij dunkt dat de boeren van Boekhoute mij appelouquintum ingegeven hebben" (wat dat is weet ik niet, dat moet zo een woord zijn om een toverdrank aan te duiden).

Simon De Croock kwam toen ook binnen om aan zijn baas te melden dat er paarden aangekomen waren uit Nederland op de Oudeman en dat zijn baas de rechten moest komen ontvangen.

Van Zeveren was echter reeds in zijn bed gekropen en hij zegde aan De Croock: "Al mocht ik gans den Oudeman winnen, ik ben niet gesteld om te gaan, gaat gij, Simoen, doet gij het beste".  Hij sprak toen ook van dat appelouquintum waarop De Croock zegde: "Men zou zo appelouquintum nemen dat men er niet wel mee vaart".

Van Zeveren vertelde toen terug over zijn bezoek aan De Valk te Boekhoute waar zoveel volk was dat hij niet iedereen meer kon noemen.  Hij dacht dat hij Kristoffel Callaert gezien had, de kapitein De Vos en Colle en misschien ook Gillis Matthijs, burgemeester van Boekhoute, mensen waarmee hij niet best overeen kwam.  Met Callaert lag hij in proces en met kapitein De Vos en Colle had hij eens woorden gehad toen die mannen een arme sukkelaar wilden aanhouden die, tijdens de vasten, een eend naar huis droeg (het was verboden vlees te eten tijdens de vasten, ook waterwild was verboden).  Van Zeveren had toen gezegd dat de arme sukkelaar niets misdeed, hij droeg wel een eendvogel in de hand maar dat wilde nog niet zeggen dat hij die tijdens de vasten zou opeten.

Gedurende die vrijdag werd Van Zeveren meer en meer ziek.  Hij was zeer kwalijk te passe, klagende in zijn leden, dikwijls te kamere gaande en ook de potagie die de weerdin maakte terstond uitkerende.  De zaterdag werd het nog erger, altijd willende drinken en terstond uitwerpende, uitermaten dikwijls ter kamer gaande, zijnde van buiten zeer koud zodat hij schudde en beefde en zich met geen deksel kon verwarmen.  Hij kloeg van zijn maag, zeggende dat die geheel verstopt was, dat het van binnen brandde, dat het hem gruwde ter kamer te gaan omdat hij zulke pijn had in zijn fondament.

Françoise Van Driessche, dochter van Pieter, huisvrouw van Pieter Hoste die te Brugge woonde, 34 jaar oud, logeerde toen ook in De Kroon (die kwam waarschijnlijk ook kijken naar de heksenverbranding op de Oudeman).  Zij sliep in dezelfde kamer als Van Zeveren en zij hoorde hem wel tien keren ter kamer gaan.  In de loop van de zaterdag zag zij hem dat ook doen, en hij keerde telker reize huiverig terug.

De nacht tussen zaterdag en zondag werd hij dan in een andere slaapkamer overgebracht.  In die nacht ook ging de waard van De Kroon tot vier keren toe de pastoor halen maar die kwam niet gemakkelijk af.  Eindelijk, in de morgen van de zondag, was hij daar.  Van Zeveren kon nog juist biechten en een kwartier later, tussen negen en tien uur, stierf hij.

De zaterdagavond had de waard uit De Kroon ook de chirurgien van Watervliet gehaald, dat was toen meester Jean Jammes, dertig jaar oud en franssprekend (dat was een dokter die 350 jaar geleden reeds de taal sprak waarin zich de heelmeesters van heden graag uitdrukken.  Hij was dus zeer modern).  Van Zeveren vertelde hem zijn verhaal en de geneesheer maakte hem "ptuisane" (dat is teesane, een drankje waarin afkooksel van gerst verwerkt werd).  De zieke dronk dat zonder succes.

De vrouw van de chirurgien was de vrijdagmiddag reeds bij de zieke geweest.  De weerdin was toen afwezig want zij was terug gaan kijken naar de heks die vorige dag niet verbrand was maar nu zou verbrand worden.  Die doktersvrouw heette Margriete De Coninck, dochter van Niclays en zij was 56 jaar oud (de dokter was er slechts 32).  Margriete zag de zieke man zitten en zij vroeg of zij niets warms moest klaarmaken om te zuipen.  De zieke antwoordde dat dit niet nodig was want dat alles wat hij innam meer ondeugd dan deugd deed.  Hij vertelde haar ook gans zijn verhaal.

De volgende zondag stierf Van Zeveren dus.  Zijn dood was echter verdacht en het werd een rechtszaak waarin Kristoffel Callaert van Bassevelde als verdachte werd aangehouden.  Antoine Gossuyn, paardesmid te Boekhoute, trad ook als getuige op.  Hij had Van Zeveren met gezelschap in de Valk zien zitten terwijl hij het paard besloeg van Gillis Matthijs.

Op 8 maart 1614 moesten drie dokters het lijk van Van Zeveren opensnijden (Jan De Baeke van Gent, Servaas Biebau en Jan Jammes).  De dode had een gezwollen buik, hij was loodachtig, donkerblauwig met plekken, zijn dunne darm was ook blauw en geplekt.  De dokters verklaarden dat dit het gevolg was van vergif (dat zij niet kenden), waardoor een vierige brand in de buik ontstond, geweldige dorst en bestendige buikloop, onrust van het lichaam, ijsachtige kouwigheid, slapeloosheid, braking, walging en geweldige pijn.  Tenslotte nog geweldige koorts met vernietiging van de natuurlijke warmte, die een gezond lichaam op drie dagen naar de dood kon brengen.

Zo was het lot van douanier Van Zeveren.

Wat er met de dader gebeurd is weet ik nog niet.

Daniël Verstraete

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  05-12-2019