Chronologie van Eeklose gebeurtenissen vanaf de Belgische onafhankelijkheid
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1981, 14de jaargang, nr. 1

CHRONOLOGIE VAN
EEKLOSE GEBEURTENISSEN VANAF DE
BELGISCHE ONAFHANKELIJKHEID

—  1833  —

Na meer dan twee jaar de nadelige invloeden van een politiek onstabiel klimaat te hebben ondergaan, - wat een zeer grote weerslag had op het sociaal-economisch levenspatroon van de gewone man - kwam uiteindelijk een periode van rust en voorspoed.  Weliswaar zou deze slechts tot 1836 duren, maar toch werd in die relatief korte periode aangetoond dat men als orangist en patriot in vrede naast elkaar moest leren leven, wou men de belangen van de gemeenschap en in ons geval de stad Eeklo, behartigen.

03.01.1833: De bekasseiding van de weg naar Watervliet was één der belangrijkste verwezenlijkingen die onze wekelijkse markt zijn oude glans moest teruggeven.  Langs deze weg stroomde immers vanouds de welvaart naar Eeklo.

De Molensstraat en de Kapel van het H. Graf

Door de massale aanvoer van tarwe en rogge uit de noordelijke gemeenten zakte de graanprijs ineens zienderogen.  Vergeten we niet dat brood nog steeds het voedselbestanddeel bij uitstek vormde !  Het leven werd gelukkig weer een stuk goedkoper !

Een mudde witte tarwe kostte op de Eeklose markt van 3 januari 17 frank 78 centiemen.  Te Gent en te Aalst 18 fr. 78 ct., te Oudenaarde 16 fr. 36 ct. en te Lokeren, St.-Niklaas en Wetteren respektievelijk 19 fr. 16 ct., 19 fr. 05 ct., en 19 fr. 28 ct.

In september noteerden we hier met 13 fr. 82 ct. zelfs de laagste tarweprijs van alle voornoemde markten.

De roggeprijs schommelde het jaar door hier rond de 10 fr. de mudde.  Ter vergelijking betaalde men alhier in het crisisjaar 1817 niet minder dan 36 fr. 98 ct. voor de tarwe en 24 fr. 76 ct. voor een mudde rogge.  Een mudde gold zes zakken en één zak had te Eeklo een inhoud van 108,33 liter.

Enkele prijzen van andere eetbare produkten alhier op de markt gebracht waren: per mudde boekweit, haver, gerst en aardappelen respektievelijk 11,60 fr.; 7,47 fr.; 11,43 fr. en 3,83 fr.

Een kilogram osse-, runds-, kalfs-, schaaps- en varkensvlees kostte in volgorde 1,01 fr.; 1 fr.; 1,16 fr.; 1,10 fr. en 1,06 fr.

Voor een liter genever betaalde men toen 0,19 fr.

Helaas beschikken we voor die periode over geen lonen van de "gewone" man.  Wel vonden we de maandwedden van het stadspersoneel terug.  Stadssecretaris Rodrigos verdiende 88,18 frank in de maand; stadsontvanger Van Hoorebeke 64,46 fr.; politiekommissaris Vrombaut 66,66 fr.; agent De Hulsters en veldwachter Jan Baptist van Hecke elk 30,86 frank.

05.01.1833: Het jaar was amper een paar dagen oud of de droeve mare, dat talrijke jongens van bij ons in militaire dienstplicht waren overleden dompelde opnieuw diverse gezinnen in de ellende !

Op 5 januari bereikte ons het bericht dat soldaat Seraphin Van der Sluys, gekazerneerd bij het 8ste regiment infanterie, op 24 december 1832 te Herentals ingevolge een hevige koorts was overleden.  Dezelfde dag stierf te Ieper Martin Vereecke, plaatsvervanger bij het 4de bataljon burgerwacht.

De 9 januari overleed te Diest militair Desiderius Boelens, zoon van Bernard en van Petronella De Visschere.  Drie dagen later stierf te Brugge Dominicus De Roover, ingelijfd bij het 4de bataljon burgerwacht.

09.01.1833: In hoofdzaak ingevolge politieke haarklieverij was het manschappenbestand van ons brandweerkorps ontoereikend geworden om nog efficiënt te kunnen optreden.  Bij hoogdringendheid werden door het college volgende benoemingen doorgevoerd: Angelus Antonius Aernaut, schepen, promoveerde tot "onderbrandmeester" in vervanging van de overleden Jan Baptist De Schrijver.  Nieuwe "spuiters" waren Dominicus, Henri en Pieter Van de Gejuchte, Joannes Meerschaert, Antone Vrombaut in vervanging van Ange Dhavé en Karel Lippens.  Pieter De Boever was afwezig uit hoofde van zijn militaire dienstplicht, terwijl Seraphin Gabriel en Antone Standaert als reserve-spuiters weerhouden werden.

Na de nieuwe werving kon spuitmeester Ferdinand Euerard nu beschikken over 15 "brandspuitgasten" om het brandgevaar binnen de stad te beteugelen.

26.01.1833: Verzoekschrift van Bernard Van Hoorebeke, geneverstoker alhier, om "eenen steenen koren- en oliewindmolen met draeijende kap" te mogen rechten op de berg op het einde van de Molenstraat.

Reeds op 23 maart volgde de vereiste toelating, dit evenwel op voorwaarde dat de molen minimaal 48 ellen van de aslijn van de straat zou verwijderd blijven.  (1 el = 0,69 m) Schijnbaar had Bernard geen overdreven haast om zijn bovenkruier in bedrijf te stellen, gezien op 27 november nogmaals een verzoek kwam om nu de uitweg van de molen naar de straat te verbeteren en de oude molenberg met één meter te verhogen om boven de omgeving uit te komen.

02.02.1833: Antoine Benoit Roegist-Pussemier werd in kennis gesteld dat zijn rekwest om in de Boelare, op de noordzijde van de Teirlinckstraat (volgens kadastrale kaart Popp, sektie E nr. 398) een geneverstokerij op te richten door het comité van conservatie bij data van 16 december 1832 was toegestaan.

06.02.1833: Belastingsontvanger Willems vroeg toelating om de aangeslagen meubelen van de achterstallige Jacobus Billiet openbaar te mogen verkopen.  Vooraleer tot deze drastische ingreep over te gaan, besloot het college de onwillige of was het onvermogende vooralsnog te bewegen het verschuldigde over 1832 aan te zuiveren !

11.02.1833 : Nadat veearts Jan Baptist Speeckaert een besmettelijke longziekte bij de 8-jarige merrie van landbouwer Marten Mortier van het St.-Jansgoed had vastgesteld, greep hij naar eigen zeggen naar de "zware middelen" om aldus de resterende veestapel te beschermen.  Deze drastische ingreep bestond uit het inbrengen van een "seton" in de borst van het paard gevuld met o.a. "salpeter, wonderzout en pulver altha".  Alle middelen ten baat, viel het arme dier diezelfde avond nog dood.

12.02.1833: Om de groeiende misbruiken op het onwettig uitoefenen van de geneeskunst te beteugelen werden de gemeenten voorzien van lijsten waarop het erkend medisch korps voorkwam.

Voor Eeklo waren dit:
- de geneesheren Antoine De Bast, afgestudeerd te Parijs op 27.3.1809 - Romain Eugène Maroij, Gent 2.8.1820.
- heelmeester Jean Alexandre Taminiau, Gent 3.3.1793.
- de vroedvrouwen Petronelle Baene, Gent 29.5.1820 - Isabelle Cabooter, gemachtigd te Brugge 17.7.1809.

De boeten op het onwettig praktizeren, bepaald bij wet van 12.3.1818 waren vastgesteld: bij een eerste vergrijp, alnaargelang de aard van 25 tot 100 gulden met confiskatie van alle geneesmiddelen.  Bij herhaling verdubbelde men de boeten, terwijl na een derde inbreuk gevangenisstraffen van 2 weken tot 6 maand gegeven werden.

13.02.1833: Genoegzaam zijn de verhalen rond de beruchte "militieloting" te onzent gekend !  Een ritueel dat zich ieder jaar opnieuw voltrok.

Op 27 februari 1833 om acht uur 's morgens, moesten alle jongeren die tot de lichting '33 behoorden op het stadhuis aanwezig zijn voor de gevreesde loting.  Een maand later, op 26 maart hield de militieraad hier een tweede zitting om de klachten van de "ingeloten" te onderzoeken... en er waren er veel !  Op 3 april werden de plaatsvervangers geregistreerd en 10 dagen daarna vond een vierde en tevens laatste zitting plaats.  Alle niet opgeloste klachten werden dan uiteindelijk beslecht.

Het getal dienstplichtigen werd per provincie bepaald.  Voor de lichting 1833 moest Oost-Vlaanderen 2.159 jongens leveren.  Op basis van het aantal inwoners berekende men dan de te recruteren miliciens.

Eeklo zou ingevolge zijn 8.494 zielen 25 man leveren.  Reeds op 27 april vertrokken de 25 Eeklonaars naar Gent in aktieve dienst.

Ter vergelijking enkele cijfers uit andere Meetjeslandse gemeenten.

 

Bevolking

Te leveren miliciens

Adegem
Assenede
Bassevelde
Boekhoute
Ertvelde
Evergem
Kaprijke
Kluizen
Knesselare
Lembeke
Maldegem
Middelburg
Oosteeklo
Oostwinkel
Sleidinge
St.-Jan-in-Eremo
St.-Laureins
St.-Margriete
Ursel
Waarschoot
Wachtebeke
Waterland-Oudeman
Watervliet
Zelzate
Zomergem 
3.626
4.073
3.504
2.022
3.095
7.822
3.827
1.616
3.893
3.236
6.182
780
1.888
1.057
5.902
704
2.856
728
2.357
6.127
3.775
721
1.723
3.027
7.384
  11
12
10
6
9
23
11
5
11
9
18
2
5
3
17
2
8
2
7
18
11
2
5
9
21
 

06.03.1833: Vraag van Jan Baptist De Smet, kaarsenmaker, wonende op de Kaai, om zijn bedrijf onder te brengen in het huis van de heer Pieter Remerij op het "oosteijndeken", heden bewoond door het gezin Walter Van de Rostijne-De Baerdemaeker, Stationsstraat 47.

Na het onderzoek van 27 maart op de hinderlijkheid, volgde een gunstig advies waardoor op 20 april de kaarsenmakerij aldaar zijn deuren kon openen.

06.03.1833: Door de verbouwingswerken aan het uitstalraam van wijnsteker Karel Bernard Temmerman wonende op de Markt, voelden zijn beide buren L. Lintelo, uurwerkmaker en Benedictus Lagaet, broodbakker, zich beknot in hun verkoop.  Waarop het tweetal dan ook prompt een klacht deponeerde bij het college.  "Daar Temmerman ten gevolge eener verkregen autorisatie van het stedelijk besteur om in zijn huys palende langs de oostzijde aen hunne woningen eene toonvenster of tribune heeft geplaetst welke zoo zeer ter straete uytspringt dat daerdoor het zicht van hunne winkels langs den eenen kant teenemael is belet; dat zijn aldus in het uytoefenen van hun beroep wezentlijk beschadigd worden, door dien de goederen welke zij voor hunne vensters te koop stellen veel minder in het oog van het publiek vallen".  Na onderzoek stond het college op 8 mei het verzoek van Temmerman toe. Weliswaar stak het raam een weinig naar voren, daar het nog om een "oud type" ging !  De geciteerde hinder leek evenwel sterk overdreven.

13.03.1833: Op aandringen van diverse ingezetenen om de openingsuren van de wekelijkse lijn- en koolzaad-, eier-, boter- en garenmarkt met één uur te vervroegen kwam op 27 en 30 maart dit punt op de agenda van het college.  Besloten werd vanaf de eerste donderdag van april volgende uurregeling toe te passen.

Het bewuste uitstalraam van K.B. Temmerman, dat ingevolge zijn licht gebogen konstruktie het verkoopscijfer van zijn naaste geburen zou aantassen ?  Het bovenaanzicht geeft ons een duidelijk beeld van de betwiste uitsteek.

S.A.E. Modern nr. 1652, oude nummering.

Voor de garenmarkt, van 1 mei tot 1 september opening om 6 uur, de overige maanden om 7 uur.

De boter- en eiermarkt, tijdslimieten als voor, de uren respektievelijk om 7 en 8 uur.

De lijn- en koolzaadmarkt, tijdens de zomermaanden d.w.z. van 1 april tot 30 september om 7 uur.  De resterende maanden een uur later.

De aanvangsuren van de overige markten bleef ongewijzigd.

17.03.1833 : Eeklo kreeg bericht dat het in de volgende twee maanden zou belast worden met circa 1.050 militaire logementen.

Het ging hier uitsluitend om manschappen van de burgerwacht op transport naar Boekhoute, Gent en Oostende.

28.03.1833: Door het om 7.30 u. ongewoon "openbaer gerugt" werd politiekommissaris Jan Francies Vrombout uit nieuwsgierigheid naar buiten gedreven !  Daar kwam hem ter ore dat het huisje van Marie Van Vlassenbroek, weduwe van Jan Symoens, fruitverkoopster in het "Vlamingstraetje" in lichte laaie stond.  Toen hij ter plaatse verscheen waren de buren reeds ijverig met "hackers en eemers" aan het blussen, waardoor uitbreiding kon vermeden worden.  Nadat een weinig later de stadsbrandspuit onder leiding van burgemeester Dhuyvetter was ingezet, kon men de vuurhaard "in minder dan een halve uer als geheel uytgedoofd" beschouwen.

Door het snel ingrijpen had de schade zich beperkt tot de voorplaats van het huisje.  Niettemin was toch de slaapkoets, het stro, de hangende gordijnen, een coating vrouwenmantel, drie jakken, enkele neusdoeken, stoelen en nieuw gemaakt mandewerk ter waarde van circa 200 frank verloren gegaan.  Uit het onderzoek naar de brandoorzaak bleek dat Marie reeds zeer vroeg haar woning verlaten had om zich naar de markt te begeven, haar minderjarige kinderen alleen achterlatend.

Deze waren bij het uit bed komen bij de buren "met een schop om vuer gegaen".  In het voorplaatseken stond een bed met stro.  Waarschijnlijk hadden de kinderen wat stro willen nemen om het vuur aan te wakkeren en was een brandende kool in het bed gevallen.

In het schepencollege van 30 maart werd Marie Van Vlassenbroeck ten uitzonderlijken titel gemachtigd om gedurende twee dagen, namelijk op 1 en 2 april, van huis tot huis te gaan om giften in te zamelen.  Bij K.B. van 31 augustus kreeg het gezin van overheidswege nogmaals een onderstandsgeld van 20 frank toebedeeld.

29.03.1833: Gelijktijdige benoeming van vier beëdigde landmeters te onzent, namelijk H. De Smet, Dirickx Hypolitus Jacobus, Poppe Jan Baptist en Willems Eduard.

03.04.1833: Nu de politieke tribulaties enigszins waren afgezwakt konden de Eeklose notabelen zich weer wijden aan de expansie van de stad.  De walgelijke stank die de open riolen verspreidden was sinds lang een doorn in het oog van de gegoede burgerij !  Oud-burgemeester Charles Stroo ontpopte zich al vlug als de vaandeldrager in de strijd voor een "properder" Eeklo.  Of ze nu gemotiveerd waren door een milieubewustwording of er politieke intriges mee gemoeid waren laten we in het midden !  Feit is dat het plots klachten regende.  Zo o.a. tegen de fabriek van de familie De Vos in het "Hondekotstraetje" en tegen Jozef Castelain, bewoner van de Markt, e.a. wegens de "ongemeen vuyle uytwassemingen" van geloosd afvalwater.

Reeds op 4 mei vaardigde het college het verbod uit nog langer de overloop van vuilputten naar de straat te leiden.

06.04.1833: Nagenoeg 150 jaar geleden werden de Eeklonaars ook reeds gekonfronteerd met de vrange smaak van de kadastrale perekwatie.  Vanuit Brussel zou "eenen géométre" op de grond- en huiseigenaars losgelaten worden om de kadastrale lasten aan te passen.

Dat men hier geen al te vlotte medewerking verwachtte, getuigen de aanplakbrieven die de ingezetenen tot bereidwilligheid aanmaanden.

30.04.1833: Van overheidswege werd eraan herinnerd dat het provinciaal reglement van 7 juli 1828 op het sluiten van de herbergen nog steeds van toepassing was.  De herbergen te platte lande moesten sluiten om 21 uur tijdens de maanden november tot maart en om 22 uur van april tot oktober.

De in gebruik zijnde reglementen binnen de steden bleven eveneens gehandhaafd.  Algemeen werd aangedrongen om strenger op te treden.  Doordat "de herbergen zeer laet in de nacht openblijven" zijn ze er oorzaak van dat veel "twisten en gevegten" voorkomen.

04.05.1833: De kontinue massale aanwezigheid van militairen binnen de stad en de daarbij horende schare publieke vrouwtjes, had de moraal van de ingezetenen dermate aangetast dat een dringende ingreep meer dan noodzakelijk bleek.  Aan het politiekorps werd opgedragen, strenger op te treden op het sluitingsuur van de herbergen en de hoertjes eens aan een grondige identiteitskontrole te onderwerpen.

04.05.1833: Aangedrongen werd, om de sinds lang in onbruik geraakte publieke waterpomp op de Spriet opnieuw bedrijfsklaar te maken.  Dienaangaande moest Jan Van de Putte, die kontraktueel instond voor het onderhoud, verantwoording komen afleggen.

Dat niettegenstaande de belangrijkheid ervan, de herstelling toch op zich liet wachten, getuigen de herhaalde oproepen.  Op 24 augustus was aan het probleem nog steeds geen oplossing gegeven !

Ingevolge de aanhoudende droogte was er binnen de stad waterschaarste ontstaan.  Een gevaarlijk tekort, te wijten aan de in onbruik geraakte pomp op de Botermarkt en de slecht funktionerende op het marktplein.

In mei 1822 werd het plan goedgekeurd om eveneens een arduinen pomp te plaatsen op de spriet.
In december '22 gebeurde de overdracht tussen aannemer Victor Van Lantschoot en de stad.  De kosten van dit projekt beliepen 1680 gulden.

(SAE-Modern. ongeklasseerd).

11.05.1833: Koning Leopold I, op doortocht naar Brugge, bracht op zaterdag 11 mei een bezoek aan de stad.  De bevolking werd verzocht haar huizen te bevlaggen, terwijl de magistraat zich op het stadhuis zou verzamelen om een passende hulde te brengen.  Voor deze gelegenheid kocht de stad 3 ellen zwarte en 6 ellen gele en rode merinos waaruit twee vlaggen vervaardigd werden, één voor het stadhuis en een ander voor op de kerktoren.

Het kostenpakket voor de bevlagging bedroeg 31 frank 73 centiemen.

18.05.1833: Stadsontvanger Willens liet 18 dwangbevelen uitvaardigen tegenover onwillige belastingsbetalers.

Pieter De Lange was nalatig voor 4,51 fr. voor zijn hondentaks.  De overige 17 bleven in gebreke in verband met hun "personeel omslag".  De bedragen hiervan zijn bij de meesten te situeren tussen de 1,33 en 3,17 frank.  De vervolgden waren:
Beelaert Francies, De Corte Brasilius, De Groote Seraphin, De Hulsters Karel, De Lannoy Bernaerd, De Vriendt Karel Louis, Dhavé Francies, Dhondt Pieter, Hautekeete Karel, Martens Jan Francies, Ruys Jan Baptist, de weduwe van Jan Francies Thienpondt, Verbrugge Joannes, Verhé Seraphin, Verstraete Antone, Van de Putte Bernaerd en Wille Jan Baptist.

21.05.1833: Overleed in het militair hospitaal te Brugge onze stadsgenoot Jan Frans Philips, gekazerneerd bij het 4de bataljon burgerwacht.  Een paar dagen later stierf te Luik korporaal Joannes Verbiest, ingelijfd bij de nationale militie.

De monumentale pomp geplaatst in 1821 op de oostzijde van de markt, met het doel de nefaste invloeden van de open waterputten uit te sluiten, was op 30 april toegewezen aan aannemer Jan Baptist Ladrière voor 1415 nederlandse guldens.

(SAE-Modern. ongeklasseerd).

22.05.1833: Ferdinand Euerard, Karel De Vlieger, Jan Baptist Standaert als armmeesters en Ferdinand Van Hoorebeke, ontvanger, kwamen voor het college verklaringen afleggen nopens hun beheer.

De rekeningen van het Bureel van Weldadigheid hadden ze kunnen afsluiten met een boni van 833,94 frank, wat voor deze periode een hele verwezenlijking was.

20.06.1833: Omstreeks 15 uur was Eeklo en het ommeland door een dermate hevige hagelbui getroffen dat heel wat akkerschade gemeld werd.  Teneinde de omvang van de ramp te kennen, zond men Ferdinand Euerard en notaris Ange Dauwe uit om de aangerichte ravage op te nemen.

22.06.1833: Door een ongelukkig maneuver met zijn gespan, had Jan Francies Martens de publieke waterput in de Boelare deels verwoest !

De 4,08 frank herstellingskosten die metser Joseph Meerschaert vroeg, werden op bevel van het college teruggevorderd van Martens.

22.06.1833: Bij een onderzoek naar schade voortspruitende uit het omwentelingsgebeuren moest Eeklo bevestigen noch aan zijn gebouwen, noch door waterschade getroffen te zijn geweest.

27.06.1833: Het verzoek om alhier een derde onderpastoor aan te stellen die dienst zou doen in de kerk "der voordere recollecten" tegen een jaarwedde van 500 frank, ten laste van de stadskas, werd na onderzoek door de gemeenteraad verworpen.

19.07.1833: Met het oog op de nakende geboorte van een koninklijke spruit bereidde ook Eeklo zich voor op de komende feestvreugde.  Reeds op 24 juli lagen alle attrakties vast !

De blijde tijding zou met klokgelui aan de bevolking kenbaar gemaakt worden.  Gevraagd was, de huizen te versieren en 's avonds te verlichten.  De maatschappij voor toonkunst St.-Cecilia zou uitgenodigd worden om op het stadhuis enkele muziekstukken uit te voeren.

23.07.1833: Heden, om 1.30 u. in de morgen waren Felix Spittael, slachter en Joannes Francies Tuytschaevers, timmerman en koopman in gist, bij politiekommissaris Vrombaut aangifte komen doen van een erge milieuvervuiling waarvan ze de voornaamste lastdragers waren.

De schuldige bleek Jacobus De Nijs, tingieter en wonende op de Markt, te zijn.  Zonder wettige toelating zou hij een roetsmelterij in zijn stallingen ingericht hebben !  Gezien aan zijn aktiviteiten, zowel letterlijk als figuurlijk, een reukje vastzat werkte Jacobus liefst 's nachts.  Door een voor de aanklagers onbekende reden was het roet door de scheidingsmuur gedrongen en terechtgekomen in de gemeenschappelijke waterput van het duo, waardoor "het grootste deel der oppervlakte van het in dezen put staende water door roet was bedekt".  Samen met politieagent Ferdinand De Hulsters verscheen onze kommissaris 's morgens om 7.30 u. ter plaatse om proces-verbaal op te maken.

"Op het erf troffen we een onlangs nieuw gebouw aen van een verdiep, hebbende twee vensters en eene deure in het midden van den voorgevel.  Eene schoorsteenpijp..."

Op vraag wat hij daar verrichtte, verklaarde De Nijs "dat hij daer geen rouw roet smolt, hij enkel het gezuyverd roet in het aldaer staende forneys smolt en daer van keersen maekte, en t'elkens dat zij hunne werkinge ophielden, het in den ketel of forneys blijvende roet wierd uytgeschept en in de twee aldaer gemetselde en met gesmolten roet gevulde bakken gegoten, hier door de doorleking van roet op de erve en in den steenput van spittael is veroorzaekt, maer hij bereid is de hierdoor te leijden schade te vergoeden...".

De Nijs verklaarde dat hij door "iemand" van het college de mondelinge toestemming had gekregen om zijn beroep uit te oefenen.  Evenwel op voorwaarde dat er uitsluitend gewerkt werd met gezuiverd vet, een punt dat steeds is nageleefd !  Toen smolt de firma Goethals-De Smet het ruwe roet.  Niettemin bekrachtigde het college in zitting van 24 juli de sluiting.

Op 31 juli verzocht De Nijs opnieuw om zijn smelterij in bedrijf te stellen.  Het ruwe roet zou hij "ergens" smelten buiten de stad.  Ingevolge zijn vage situering kreeg zijn verzoek terug een negatief advies mee.  Op 3 augustus volgde een derde rekwest: het roetsmelten zou plaatsvinden in "het looghuys der oude bleekerije" (het motje) eigendom van Engelbert Bocxstael, terwijl de eigenlijke kaarsenmakerij op de Markt zou blijven.  (Heden fotohandel Nollet nr. 67)  Op 28 september werd door het comité van conservatie de knoop doorgehakt.  De toelating kwam er, mits hij zich hield aan de beloften van 3 augustus.

08.08.1833: Teneinde de provinciale en gemeentelijke overheden toe te laten eer te betuigen bij de geboorte van een kroonprins aan de koninklijke familie, zou op 8 augustus te Brussel, zijnde de dag van de doopplechtigheid, een afvaardiging ontvangen worden.  Terwijl Eeklo het geplande feest inzette, vertegenwoordigde burgemeester Dhuyvetter zijn stad te Brussel.

14.08.1833: De zaakgelastigde van kunstrijder Golz komt in zitting de toestemming vragen om tijdens de komende kermis een optreden binnen de stad te mogen geven.  De attraktie was zo populair dat het college zich genoodzaakt zag speciale maatregelen dienaangaande te treffen !

"Wetende dat daer waar zulkdanige kunstvertooningen plaets hebben gemeenlijk een zoo grooten toevloid van volk is dat daerdoor al de neiring op een punt getrokken wordt, dat alzoo het vergunnen eener onbepaelde toestemming de overige ingezetenen te zeer zou benadeeligen, en het noodzakelijk is het getal vertooningen te beperken..."!

Omwille van voornoemde motivering mocht de heer Golz enkel op zondag 25, dinsdag 27 en donderdag 29 augustus tussen 17 en 19 uur zijn vertoning geven.

31.08.1833: Jean Louis Jolie, dagloner alhier, richtte zich tot koning Leopold I met het verhaal dat zijn vrouw op 8 augustus het leven had geschonken aan een negende kind.  Op zichzelf was dit in de optiek van die tijd geen wereldschokkende gebeurtenis, ware het niet dat gelijktijdig het kroonprinsje boven de doopvont gehouden werd.  In deze toevallige samenloop van omstandigheden zag vader Jolie munt !  Hij gaf zijn eigen zoon ook de naam van Louis Phillieppe Leopold Victor Ernest.  Van deze gelegenheid werd tevens gebruik gemaakt om aan Z.M. "eenigen onderstand ten titel van gratificaite" te vragen !   Vermoedelijk vond de bede van Jolie geen gehoor, gezien we naderhand geen enkele vermelding dienaangaande meer terugvonden.

18.09.1833: Voor de viering van de Septemberse dagen voorzag het college als voornaamste attraktie een mastklimming, een loopwedstrijd en een gaaischieting met respektievelijk 30, 10 en 36 frank aan prijzen.  Het feestgebeuren greep plaats op 26 september.

04.10.1833: Door het uitwijken van Ed. De Jaegher, kapitein - adjudant - majoor van de burgerwacht alhier kwam de plaats vacant.  Op maandag 21 oktober verzamelden alle officieren zich op het stadhuis om een opvolger aan te duiden.  Jan Baptist Kloeckaert werd met meerderheid van stemmen verkozen, waarna hij op 6 november voor het college de eed uitsprak.

14.10.1833 : Om het steeds maar stijgend uitgavenpakket van het behoeftigenprobleem in te dijken werd gevraagd "kragtdadige middelen" te gebruiken tegenover de marginalen.  Als oplossing voor dit nagenoeg algemeen probleem programmeerde men van overheidswege:
"een wel gepaste uytdeeling der onderstanden ter woonste".
"de aenstelling van commisen om de behoeftigen gade te slaen en de oorzaken hunner ellende op te sporen".
"de daerstelling van bijzondere godshuijzen voor de ongeneesbaren, de krankzinnigen, de doofstommen en de blinden".
"het stichten van vrije werkplaetsen om gedurende de wintermaenden te werken en bewaerplaetsen voor de jonge kinderen".

De Eeklose raad opteerde voor het oprichten van werkplaatsen.  Dienaangaande heeft de heer Pieter Remerij, raadslid, te kennen gegeven dat hij alles wat in zijn vermogen lag zou aanwenden om het gestelde doel te bereiken !  Dat hij vooreerst zijn gebouw "het welk tot werkhuijs voor de katoenweverij ingerigt is, aenbiedt om daerin kosteloos op te nemen om te leeren weven alle behoeftige kinderen van het mannelijk geslacht...".  (Het gebouw is heden nog intakt en bevindt zich in de Prinsenhofstraat.)  Indien het projekt de nodige aanhang zou krijgen, werd de armenkas aanzienlijk verlicht.  Om dit doel te bereiken achtte Remerij het niet alleen raadzaam, maar zelfs noodzakelijk "eenige dwangmiddelen op te leggen".  Zo o.a. de kinderen van ondersteunden verplichten om in het werkhuis te leren werken... op straf van hun onderstand te verliezen.
Besloten werd zo snel mogelijk het voorstel van Remerij in een definitieve vorm te gieten.

14.10.1833: De begrotingsstaat voor 1834 voorzag volgende werken die in de loop van volgend jaar binnen de stad zouden uitgevoerd worden:
De bekasseiding van het laatste gedeelte van het "Vlamingstraetjen", geraamd op 502 frank.  De gans nieuwe bestrating van het "Nieuwstraetje", lopende van de Molenstraat naar de Raverschootstraat.  De huidige Désiré Goethalsstraat.  Voor het beleggen van het 101 ellen lange en 4 ellen brede straatje schatte men de kosten op 957,60 frank.

14.10.1833: Burgemeester Dhuijvetter geeft in vergadering te kennen dat voor de staatsomwenteling van 1830 hier een bloeiende tekenschool heeft bestaan, welke ongelukkig door politieke verwikkelingen gesloten werd.  Steeds meer stemmen laten zich horen om de school te heropenen.  Na beraadslaging werd met 6 tegen 3 besloten de tekenschool herop te richten en een stadssubsidie toe te kennen.

26.10.1833: Sedert lange tijd lagen in het midden van de Raverschootstraat drie eikebomen, die uiteraard erg hinderlijk waren en waarvan de eigenaar niet gekend was !  Na diverse klachten werd op 27 oktober publiek verkondigd dat de tuigen uiterlijk tegen 15 november dienden verwijderd te worden, zoniet zou de stad overgaan tot inbeslagname.

30.11.1833: Het projekt voor de aanleg "van eener vaert tusschen Zelzaete en Blankenbergen" met het doel de polders langs de Nederlandse grens van wateroverlast te vrijwaren, lag ter inzage van het publiek op het stadhuis.

04.12.1833: Met het oog op het verwerven van een nationale onderscheiding in de vorm van het IJzeren Kruis, dienden diverse ingezetenen hun motivering in.  Politiekommissaris Vrombaut voerde aan dat hij bijgestaan door wachtmeester Kiekens had ingestaan voor de aanhouding op 2 februari 1831 van de muitende Ernest Grégoire en zijn manschappen.  (Zie de chronologie van 2 februari 1831.)  Politieagent Ferdinand De Hulsters volgde op 7 december het voorbeeld van zijn chef !  De Hulsters opteerde voor het ijzer omdat hij tijdens "de moeijlijke omstandigheden van 1830" de rust in de stad had weten te handhaven.

Seraphin Rijffranck hengelde in de hoedanigheid van Kolonel van de burgerwacht van het kanton eveneens naar de onderscheiding.  Aan het college verzocht hij om de nodige aanbeveling alsdat hij in de maand september 1830 tot chef van de burgerwacht was benoemd, in welke funktie hij zich tijdens de omwenteling verdienstelijk had gemaakt.

Op 28 december volgden nog twee aanvragen.  Respektievelijk van Francies Napoleon Van Autrijve, luitenant bij de burgerwacht en van Louis Baudts, wever.  Aan de eerste werd een certifikaat gegeven omdat "hij op 29 september 1830, zich den eersten bij de regering heeft begeven ten eijnde de toestemming te vragen om het national vendel op den toren uijt te steken, en ten gevolge dien het drijkleurig vendel ook dadelijk is uijtgesteken geweest...".  De tweede rekwestant werd voorgedragen omdat hij als vrijwilliger had gediend onder het kommando van Pontécoulant tijdens de aanval op Oostburg van 31 oktober 1830.

1833: De Eeklose onderwijzers werden uit de stadskas vergoed voor hetzij gratis of aan verminderde prijs verlenen van onderwijs aan kinderen uit behoeftigde gezinnen.

Meester Pieter Francies Verbiest, die school hield in de "Brugsche straet" ontving 79,63 frank voor het onderwijzen van: Bert Ferdinand, Dhavé Augustijn, Van Autreve Charles, Engelbert Symoens, Karel Symoens, Joanna Verhoest, Verstraete Seraphin, een kind de families Eeckhout, Bosschem en Symijnck.  Per kwartaal betaalde de stad 3 frank per toegewezen leerling.

Bij Joannes Ledeganck kwamen heel wat meer kinderen over de vloer !  Zo hield hij een deel leerlingen volledig op kosten van de stad, terwijl anderen beneden het normale schoolgeld aangenomen werden.  Het verschil werd bijgepast door de stad.

Over 1833 betaalde men Jan, (die toen school hield in de Raamstraat) 175,86 frank.  Als aangenomen leerlingen noteerden we : Jan Baptist en Marie Catharina Blondeel uit het "Hondekotstraetje"; Marie en Seraphin Van Hoecke van op het Oostveld; De Latter Marie, Petrus en Bernard Heene uit de Lijnendraaierstraat; Van de Walle Bernard en Masquelier Seraphine uit de Raamstraat; Beelaert Sophie, Rombaut Ferdinand en Davelooze Marie uit de Patersstraat; Delcourt Antone, Ludovica en Petrus van op de Spriet; Van Poucke Karel uit de Molenstraat; Vervijnck Karel en Seraphin van het "oosteijndeken"; Karel Frans en Pieter Jan Wille van Blommekens; De Meyer Marie uit de Zuidmoerstraat; Clement Marie uit de Snuifmolenstraat en tenslotte Gabriel Ludovica, Antonia, Karel en Van de Gehuchte Etienne, Marie en Adolph, allen uit de Boelare.  Meester Ledeganck hield er dus een gemengde school op na !

Ook werd hij hier speciaal geprezen om zijn inzet voor de arme kinderen tijdens de periode 1829-30 toen hij elke zondag gratis onderricht gaf in het klooster van de Recollecten.

Aan Rosalia Goethals betaalde men 7,64 frank als schoolgeld voor Antoina Van de Woestijne.

1833: In de loop van 1833 was de bekalseiding van de weg Eeklo-Watervliet afgewerkt tussen de Eerstestraat en de Wiskensdam.  De gemaakte kosten bedroegen 4.123 gulden 60 cent, waarvan 396 gulden voor de aankoop van 1.320 ellen borduren aan 30 gulden per 100 ellen en 1.534 gulden 30 cent voor 1.980 ellen kalseidesteen van Lessen, berekend op 41 stenen per vierkante el, wat neerkomt op een verbruik van 81.180 stenen van 14 bij 16 duim à 40 frank per 1.000.

Portret door Theodoor De Heuvel, 1848.
Burgemeester Dhuyvetter Josephus, ° Eeklo 11 November 1779, + Eeklo 28 september 1861.
Burgemeester te Eeklo 1819-1830, 1831-1836, 1848-1859.

1833: Aan nieuw opgerichte herbergen had Eeklo geen nood.  In de loop van '33 werden weer een 10-tal aanvragen ingediend, die ook alle een gunstig advies meekregen.
Jacobus Scheir wou in de Stationsstraat, in de omgeving van de huidige brouwerij Krüger, een herberg openen met de naam "Maria Theresia" (9.2.'33).
Pieter Bernard Van de Walle opende op Blommekens de "Nieuwe Wandeling" (20.4.'33).
In het gekende tabakshuis Cornand, vestigde Joannes De Bruijcker de "Prins Ipsilanty" (8.5.'33).
Angelus Vijncke, timmerman van beroep, bedacht zijn nieuwe herberg in de Vlamingstraat met de passende naam "Den Timmerman" (8.5.'33).
In de Patersstraat openden twee herbergen hun deuren.  Dominicus Van Hecke, schoenmaker, tapte in "De Groene Leers" (22.5.'33), terwijl we Joannes Bruggeman als patroon terugvonden in de "St.-Hubert" (21.8.'33).
Antoine Philippe Tulpinck, een oud-onderluitenant van de douane, opende in de Boelare het "Cheval Volant" (22.6.'33).
Ietswat verder, op de scheiding tussen Boelare en Blommekens troffen we Johan De Poorter, wagenmaker, aan in "La Couronne Impériale" (28.12.'33).
Pieter De Cneudt hield in de Zilverstraat de "Manege" (21.8.'33).
"In de Peperstraet" was de nieuwe herberg van wever Jooris Van Daebel en uiteraard gelegen in voornoemde straat.  (14.9.'33).

1833: In de loop van het jaar kende het stadsbestuur geen wijzigingen.  Het schepencollege zetelde 101 maal, en de raad hield 17 vergaderingen.

(Vervolgt).
Erik De Smet.

Separator

Chronologie van Eeklose gebeurtenissen
1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 15 - 16

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  06-08-2019