Voor en tegen het graven van het Leopoldskanaal
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1982, 15de jaargang, nr. 2

VOOR  EN  TEGEN  HET  GRAVEN
VAN  HET  LEOPOLDSKANAAL

Na de gevechten van 1830, waardoor België zich van Nederland afscheidt, en vooral na deze van 1831, waarmede Willem I een gewelddadige poging tot her­eni­ging onderneemt, duikt het plan op een kanaal te graven van Zelzate naar Blankenberge.  Men hoopte op die manier de Scheldepolders in België te bevrijden van de Hollandse humeurigheid die ge­re­geld de afwateringsinrichting stoorde.  Bovendien zagen de inwoners van het Brugse Vrije met lede ogen hoe in tijden van gewapende konflikten, onze Noorderburen de sluizen manipuleerden met perfekte inzichten in de strategische mogelijkheden ervan.  En hoe dikwijls konden ze er het bewijs niet van leveren.  Denk maar aan de godsdienst­oorlogen en de veroveringstochten van de Franse Zonnekoning.

Het huidige Leopoldskanaal.
Foto Heemschut "Ons Meetjesland"

Zelfs in perioden van vrede en peis kon het apparaat, dat zich deels op natuurlijke wijze had gevormd langs het geulenstelsel, bezwaarlijk geloofd worden om zijn absolute doel­treffendheid.  Vooral in de winter lag Watervliet er beroerd bij, wat blijkt uit een rekwest dat op 25 juli 1784 door de wet van deze Stede ende Heerlykhede aan de keizer van Oos­ten­rijk wordt gestuurd (1).  Op 26 juni van hetzelfde jaar had Jozef II een edikt uitge­vaardigd, waardoor de kerkhoven buiten de bewoonde centra dienden aangelegd.  Onze wegen waren 's winters evenwel niet berijdbaar, alle velden overstroomd en zelfs het kerkhof, achter de kerk, stond dan gedeeltelijk onder water.  Met de beste wil van de wereld kon men geen ander stuk grond vinden, buiten de woonkern, waar men tijdens de zomermaanden zou kunnen begraven.  Daarom vroeg de wet om van die verplichting te worden ontslagen.  Op 20 oktober werd het verzoek ingewilligd, waaruit de juistheid van de beschrijving moge blijken (2).  Tenslotte waren er nog de plagerijen, waarvan men zich kan afvragen of ze slechts uit één richting kwamen, maar in elk geval werden in onze bronnen slechts die genoteerd die de Hollanders onze voorouders aandeden, zoals op 10 november 1784.  Om zes uur 's morgens schrijft Van Outryve-d'Ydewalle van uit St.-Margriete aan griffier Van der Heyden van Watervliet: "Men seght alhier dat er eenen troubel op uwl. Canton desen naght is geweest.  Can my wel laeten voorenstaen dat het sal t'water hebben geweest.  Sondagenaght heeft men beginnen water te steken tot Sluys, tot gisteren waster noch niet extra veel toegecomen, maer sy syllen niet afhouden.  Gisternaght heeft men tot Lapscheure, Moerkerke en Middelburg de clocke geklipt, men meende aldaer den hollander uyt Sluys quam, is doch in syn cot gebleven, misschien uyt vreese en heeft hij het tot nu toe niet bestaen; want hebben noch sedert gister avont geene maere..." (3).

Het zou derhalve verwonderlijk zijn mocht de idee van een kanaal slechts na de onaf­han­ke­lijkheid zijn ontstaan en onmiddellijk uitgevoerd.  Vermoedelijk heeft men gedurende eeuwen aan die mogelijkheid gedacht, maar dan zoals wij nu denken aan een woning op een andere planeet, voor het geval een derde wereldoorlog de aarde onbewoonbaar zou maken: een utopie waarvoor we noch de technische noch de financiële kracht hebben.  Bijgevolg praten we er niet over, althans niet luidop.  Naargelang de tijd verstrijkt en de realiseerbaarheid van een plan dichterbijkomt, ontwikkelt het zich en men begint er over te schrijven: men verlaat een droomwereld.

Met het Leopoldskanaal is het niet anders gegaan.  De eerste adviezen tot het graven ervan, die ik tot nu toe vond, dateren van aanvang 1789 (4) toen graaf van Trauttmansdorff- Weinsberg gevolmachtigde minister van de keizer in de Oostenrijkse Nederlanden was.  Toen was de situatie van de mensen in onze kontreien niet rooskleurig en als schuldige wezen ze de Hollanders aan.  Gespreid over een lange periode komen een reeks werken tot stand ten noorden van onze grenzen, waarvan men de bedoeling kan raden.  In een uitvoerig schrijven daterend van 24 januari 1789, aan de gevolmachtigde minister (4), beweert een onbekende adviseur (het archief van Watervliet-heerlijkheid bevat slechts een afschrift dat de naam van de steller niet vermeldt), dat de redenen te vinden zijn in de mémoires van generaal Dumoulin, voorstander van een algemene overstroming van Sluis tot Hulst (5).  Om dit te kunnen bereiken moest men de afwa­te­ring van onze gebieden volledig kunnen verhinderen.  Het is duidelijk dat men de nodige infrastruktuur niet ineens kon aanleggen, omdat zulks een hevige reaktie in de Zuidelijke Nederlanden zou oproepen, die ongetwijfeld het projekt in de grond zou boren.  Daarom besloot men heel diskreet en deelsgewijze te werk te gaan.  In 1690 begon men "door feitelijkheden" de haven van Boekhoute te sluiten.  Twee sluizen werden gebouwd onder de forten van Philippine.  Zo kan men de omgeving van deze plaats en van Sas-van-Gent onder water zetten.  In het jaar 1752 ging men een sluis oprichten in het hartje van de versterkingen rond de stad die aan dergelijke bouwwerken zijn naam had ontleend.

Hierdoor werden we niet alleen afhankelijk van de Hollandse goede wil, maar de inwoners van het Brugse Vrije werden bovendien nog verplicht voor een som van dertigduizend gulden bij te dragen in de kosten van de bouw.

Met allerlei trukjes was men er voordien reeds in geslaagd onze afvoer langs de Moerspuy af te sluiten en tijdens de laatste oorlog (gezien vanuit 1789) waren de Hollanders begonnen met het oprichten van een sluis nabij Sas-van-Gent.

In de daaropvolgende periode van vrede wierp men er een dijk langs zodanig dat de afwatering door de nieuwe sluis van Langelede onmogelijk werd.  Toen de brief geschreven werd had men de laatste vrije afwatering in zee afgesloten.  Deze gebeurde door het sas van St.Margriete in het Coxisgat en precies die kreek werd door een dijk en een sluis versperd, de druppel die de emmer in het Zuiden deed overlopen.

De adviseur stelt graaf von Trauttmandorff-Weinsberg voor, in overeenstemming met de prokureur-generaal van Vlaanderen, L. Maroux-d'Opbracle, een kanaal te graven van Sas-van-Gent naar de zee.  Het wordt voorgesteld als de enige manier om onafhankelijk te zijn van de Hollanders in vredestijd en om te kunnen overleven tijdens de gewapende konflikten.

"De zee" betekende nu niet de Braakman (daar diende de normale lozing te gebeuren) zoals de verdragen van Münster en Fontainebleau hadden gewaarborgd.  Men wou het kanaal doen lopen langs de Isabellesluis bij Hazegras, wat bijgevolg ongeveer neerkwam op het huidige tracé.

Een afschrift van het voorstel wordt naar het Ambacht Boekhoute gestuurd om de ziens­wijze van de lokale overheden te kennen.  Op 13 februari 1789, wordt een vergadering belegd in de herberg van Joseph de Wispelaere, in het dorp van Bassevelde.  Deelnemers zijn de afgevaardigden van Boekhoute, Kaprijke, Waterdijk en Watervliet, "om daer op serieuselijk ende met vrucht te resolveren".

Wie dacht dat men de geboden kans met beide handen zou aangrijpen om voor altijd uit de waterellende te worden verlost, heeft het verkeerd voor.

Het antwoord is in tamelijk heftige bewoordingen gesteld (4) en is ondubbelzinnig negatief.  Men kwam tot het besluit dat de verwezenlijking van die idee de ruïne van de vier administraties zou betekenen.  Indien men alles te koop stelde wat zich binnen de grenzen van de vier bevond zou de opbrengst nog niet volstaan om de onkosten van het graven te dekken.  De toon van het antwoord lijkt me niet in overeenstemming met de zakelijkheid van het argument, zodat er misschien toch wel een verdoken addertje onder het gras zit.  Wat men dan als oplossing voorstelt?  Eenvoudigweg de haven van Boekhoute te doen openen!  Die maatregel had men reeds verscheidene keren aan de keizer gesuggereerd.

Het deerde de vergadering niet dat hun visie weinig praktisch en/of onrealiseerbaar was, wat blijkt uit een toegevoegde beschouwing als er moet gekozen worden tussen het delven van dat kanaal enerzijds en verder lijden en vernederd worden anderzijds, dan gaat de voorkeur naar het laatste.

Beweren dat de vier administraties het voorstel gekelderd hebben zou wel voorbarig zijn, want precies op datzelfde ogenblik komt de geschiedenis in een zodanige stroom­ver­snelling terecht dat er van uitvoering absoluut geen sprake kan zijn.  In hetzelfde jaar krijgen we nog de Brabantse omwenteling met de Belgische republiek, die na korte tijd reeds ter ziele gaat in de steriele ruzies van Vonck en Van der Noot.

De Verlaetsluis.
Foto Heemschut "Ons Meetjesland"

Hierdoor komt men opnieuw onder Oostenrijks beheer, waaraan een einde wordt gesteld, in 1792, door de eerste Franse inval.  Na enkele maanden voltrekt zich de oostenrijkse Restauratie als gevolg van de slag bij Neerwinden; niet voor lang echter, want in 1794, behalen de Fransen een klinkende overwinning bij Fleurus waardoor ze onze streken voor een tweede maal bezetten en nadien aanhechten bij Frankrijk.  Zowel tijdens de Franse als tijdens de Hollandse periode stelt het probleem van het sluizenbeheer (vooral de gebruiks­wijze) zich niet, gezien het nu een binnenlandse aangelegenheid wordt.  Doch nauwelijks zijn de september dagen van 1830 verstreken of we worden opnieuw gekonfronteerd met dezelfde narigheid, die kulmineert op 2 augustus 1831, met de inval van Willems troepen die de Kapitalen Dam en het Verlaet bezetten.  Nog tijdens de vijandelijkheden verdwijnen ganse polders (o.a. de Clarapolder) onder water.

Evenals de verdragen van Münster en Fontainebleau, voorzag het Verdrag van 15 november 1831, meer bepaald artikel 8, een waarborg voor de afvloeiing van de Vlaamse wateren.  Evenals in de twee verlopen eeuwen bleef deze waarborg dode letter.  Daarom kwam de Belgische regering reeds in 1833 met het plan voor een kanaal tussen Zelzate en Blankenberge voor de dag, dat ons regenwater rechtstreeks naar de Noordzee zou voeren.  De bedoeling was tweevoudig:
een vrije en onafhankelijke waterafvoer van een aanzienlijk deel van de polderstreek;
de ontwrichting van het Hollands verdedigingsdispositief.

Met de eerste bedoeling was ook de tweede bereikt.  Inderdaad als de wateroverlast kon bezworen worden langs een dergelijk kanaal gold dit evengoed voor een kunstmatige als voor een natuurlijke overlast.  Tevens zag men in de werken de uitvoering van een sterke verdedigingslinie en van een tolmuur, inbegrepen de mogelijkheid om een deel van Zeeland, desgewenst, zonder zoet water te zetten (6).

Een grote meerderheid bleek voor het ontwerp gewonnen.  Het argument van onbetaal­baarheid uit het "ancien régime" was uiteraard weggevallen door de nieuwe staats­in­rich­ting.  Toch was een groep mensen tegen de voorgestelde oplossing gekant en dat kwam tot uiting in een dokument van 1 december 1834, dat genoemd werd: "De adviezen van Watervliet" (6).

Wie allemaal onder die benaming schuil ging is niet duidelijk.

De tegenargumentatie kwam neer op een zeer beperkt aantal punten:
—  het kanaal is overbodig gezien het verdrag van 15 november 1831.  De regering moet het verdrag slechts doen toepassen;
—  de linkerscheldeoever komt rechtmatig aan België toe; laten we hem dus bezetten;
—  de landerijen die het verst verwijderd zijn van de zeesluis zullen niet profiteren van het kanaal omwille van de afstand die het water moet afleggen;
—  zal men het kanaal genoeg helling kunnen geven, zal het breed genoeg zijn, en zal de zeemonding voldoende groot zijn?

Deze motieven waren niet al te steekhoudend.  Zo was de negatieve waarde van de verdragen reeds eeuwen gebleken, tot op het ogenblik in kwestie toe.  De bezetting van de linkerscheldeoever was onuitvoerbaar, niet alleen wegens de krachtsverhouding van het Belgisch en het Hollands leger, doch ook ingevolge de houding van de Europese groot­machten.

De overige argumenten werden door de deskundigen weerlegd of beantwoord.

Toch hield de pers rekening met de belangrijkheid van de personen die de adviezen formuleerden.  Wie zich in elk geval als een tegenstander van het projekt ontpopte was Renier Grégoire Dubosch, direkteur van de Grote Wateringen van Oost-Vlaanderen en, in de donkerste tijden van de Franse overheersing kommissaris van de uitvoerende macht bij de administratie van het Schelde­departement.  Zijn oplossing bestaat er in een bres te maken in de zeedijk van de Isabellekom; een sluis te bouwen met drie of vier openingen (elk van drie meter) in de dijk die, aan de haven van Boekhoute de grens uitmaakt, om het water uit de vier wateringen te lozen; een haven te bouwen in voornoemde kom (7).

Oostelijke vertakking van de Wulfsgeule naar de "Rijerij".
Foto Heemschut "Ons Meetjesland"

Zijn ideeën hebben niet veel aanhang gevonden tenzij... aan Waalse zijde, niet zozeer om de waarde van de argumenten maar wel omdat men het een te grote uitgave vond voor het land, en ze enkel Vlaanderen ten goede zou komen, niets nieuws onder de zon dus !  Wat bezielde Dubosch, die terzake echt deskundig was, een wisseloplossing aan te bevelen waarvan hij niet bij machte was de verdediging waar te nemen ?  Eigenbelang.  Waar­schijn­lijk was het een wanhopige laatste poging om het graven te beletten.  In vele artikels en dissertaties heeft hij getracht de koning en de regering te bewegen tot een aanhechting van Zeeuws-Vlaanderen met militaire middelen (8).  Het bestaan van het kanaal zou de voornaamste redenen wegnemen voor de verovering van de linker­schelde­oever, waar, op Staten Bodem, een groot deel van zijn eigendommen waren gelegen.  Met hetzelfde doel voor ogen had hij zich trouwens kort voordien (voorjaar 1830) ingespannen om de Belgische afscheuring van de Verenigde Nederlanden te beletten (9).

Een nuance was er natuurlijk wel.  Vóór de septemberdagen dacht Dubosch dat de "klerikalen" het in een onafhankelijk België voor het zeggen zouden hebben.

Hij vreesde zijn bezittingen kwijt te spelen die hij vooral verworven had uit de aan- en verkoop van de nationale goederen die, in hoofdzaak, van kerken en kloosters afkomstig waren.  In 1831 geloofde hij dat de Hollandse staat zijn goederen zou verbeurd verklaren.  Het kwam dus telkens op hetzelfde neer: eigen bezit vrijwaren.

Het kanaal is er uiteindelijk toch gekomen; het werd gegraven tussen 1843 en 1862 en kreeg de naam van onze eerste koning.  Een onverdeeld prettige tijd was het zeker niet.  De Eecloonaar schrijft in zijn nummer 14 van de eerste jaargang, op 1 april 1849: "De delfwerken der Zelzaetsche vaert, zyn wederom in volle bezigheid op het grondgebied der gemeente St.-Laureins.  Meer dan 1.200 mannen bevinden zich daer om zoo te zeggen tegen elkanderen gestapeld.  Dat er dagelyks gekyf, vechtery en andere baldadigheden plaets grypen begrypt men ligtelyk.  Grootelyks ware het te wenschen, dat ten minste een sterke brigade gendarmen zich ter plaetse bevonden, zoolang het werkvolk er zoo talrijk is, zy zouden oneindig veel goed doen en persoonen en eigendommen doen eerbiedigen, hetgeen thans niet altoos het geval is.  Wat vermag een veldwachter onder zulke menigte half wilde kerels ?  Wat vermag eene geheele gemeente ?  Wy durven hopen, dat deze wenk zal gehoord worden door wien er belang by heeft onregelmatigheden te voorkomen, liever dan ze te straffen".

Eens gegraven heeft het Leopoldskanaal de verwachtingen ingelost.  Niet zelden gebeurt het dat in natte perioden de grachten in Eeklo boordevol staan, terwijl die in de polder praktisch leeggelopen zijn.  Zijn strategische waarde is mettertijd, gelukkig waardeloos geworden.  Een onverwacht gevolg is vermeldenswaard: de polderkoorts, die in de streek zoveel dodelijke slachtoffers heeft gemaakt, verdween als bij toverslag.

De logica en het algemeen belang hebben het gehaald op kortzichtige argumentatie van mensen op hun smalst en op het enggeestig regionalisme, niettegenstaande het luide geschreeuw en de autoriteit van hen die zich als tegenstanders opwierpen.

Maar ja, dat moet de goede (!) oude tijd geweest zijn, want in honderdvijftig jaar is er veel veranderd !  De vooruitgang nietwaar...

J. De Paepe

__________________________
(1 R.A.G. Watervliet-heerlijkheid nr. 17.
Uittreksel uit rekwest aan de keizer dd. 25.7.1784
Remontrent très respectueusement ceux de la loy de la ville et Seigneurie de Watervliet que Votre Majesté a été Servie d'ordonner par l'édit du 26 juin 1784 et nommement par le quatrieme article de construire hors les enceintes des villes et des Bourgs des cimetieres dans lesquels exclusivement, a tout autre lieu il sera permis dorenavant d'enterrer, et de prescrire tous les devoirs ulterieurs necessaires à l'execution du même edit.
Les remontrants dans le doute si cet edit devoit operer dans le district de leur administration ont fait des vaines recherches pour découvrir un terrain plus convenabie que le cimetière existant actuellement.  Il est important pour eux d'en decrire le local autant qu'il; soit possible pour convaincre Votre Majesté, que les enterrements qu'on fait au dit lieu ne peuvent causer la moindre infection ni nuire aucunement à la salubrité des inhabitants.
Le cimetière qui est situé derrière l'église et contre la digue est entouré du cöté du septentrion et de l'orient par un large fossé et de l'autre cöté par une muraille.  Il n'existe que deux maisons de peu d'importance qui n'en sont pas fort éloignées!  Le Chäteau qui, à l'exclusion des ces deux maisons en approche le plus en est au moins eloigné de vingt cinq verges.  Des chemins qui entourent la ville sont tellement defaits pendant l'hiver qu'il serait impossible sans faire de très grande depenses de transporter les cadavres dans tel autre lieu qu'on voudrait assigner.
Les remontrants doivent en outre observer que pendant l'hiver tous les champs sont mondés au point quo l'eau occupe souvent une partie du cimetière, de sorte que dans tout le district de leur administration ils ne pouvaient assigner une place quelconque ou il seràit possible de faire les enterrements pendant l'hyver hors le cimetière actuellement existant.  D'ailleurs les inhabitants de cette ville et des environs n'ont pour la plus grande partie d'autres moîens pour subsister que ceux qu'un travail asoi dû leur procure et par consequent ils seraient hors d'était de suporter les frais que les enterrements ne pourraient manquer de causer.  Terug naar de tekst
(2 In de linkerbovenhoek van het zopas geciteerde rekwest werd de beslissing als volgt geformuleerd op 20-10-1784: "Sa Majesté à la délibération des sérenissimes gouverneurs généraux des pays Bas, a déclaré et déclare que par provision on pourra continuer d'enterrer dans le cimetière actuel de Watervliet, dispensant à l'égard de cet endroit de ce qui est prescrit pas les articles 2 et suivans de l'édit du 26 juin dernier".  Terug naar de tekst
(3 R.A.G. Watervliet-heerlijkheid nr. 17.  Terug naar de tekst
(4 R.A.G. Watervliet-heerlijkheid nr. 18.  Terug naar de tekst
(5 "Lorsque le général Cohorn eut examiné la position des places de la flandre hollandaise, il format le projet de le couvrir par une inondation générale depuis la ville de L'Ecluse jusqu'a celle de hulst".  Terug naar de tekst
(6 Journal des Flandres van 23 februari 1834.  Terug naar de tekst
(7 Journal des Flandres van 4 maart 1836.  Terug naar de tekst
(8 o.m.:
  "Mémoire adressée à la Chambre des Représentants sur les objections faites contre la Pétition du Capitalen-Dam, Clara-polder et autres.  Gand 12 octobre 1831 - bibliotheek R.U.G. nr. G220062.
  "Pétition à la Chambre des Représentans, tendante à faire évacuer par les hollandais les posititions du Verlaet et du Capitalen-Dam". 15 octobre 1831 - bibliotheek R.U.G. nr. 201 N 214.
  "Résumé des notes remises au ministère des affaires étrangères par Mr Dubosch ancien administrateur et directeur en chef du grandes waterinques de la Flandre Orientale pour éclavier le Congrès National sur nos droits et nos intérêts dans la Flandre Hollandaise et sur la rive gauche de l'Escaut". Gand 29 mei 1831 - bibliotheek R.U.G. nr. G 11086.  Terug naar de tekst
(9 Nationaal Biografisch Woordenboek - Deel IV.  Terug naar de tekst

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  14-08-2019