Chronologie van Eeklose gebeurtenissen vanaf de Belgische onafhankelijkheid - 1837
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1983, 16de jaargang, nr. 3

CHRONOLOGIE  VAN  EEKLOSE  GEBEURTENISSEN
VANAF  DE  BELGISCHE  ONAFHANKELIJKHEID

—- 1838 —         (deel 2)

18.07.1838:  De gemeenteraad ontving klachten van een groot aantal handelaars uit Adegem, Maldegem en St.-Laureins.  Geneverstoker Ph. Potvliege, de bierbrouwers L. Potvliege, A. vande Velde, Francies en Charles Louis Tijdgadt, J. van Mullem en de kooplieden J. de Meulemeester, de wed. Vande Putte en Jan Baptist Verweire uitten hun ongenoegen over de stadsrechten die geheven werden op de waren die per schip langs de Lieve tot in de "kom" gebracht werden.  Gemeenschappelijk vroegen ze om vrijstelling van de stadstol op hun goederen die langs de Lieve werden aangevoerd.

Het rekwest kreeg in de Raad geen schijn van kans !

Fragment van het zuid-westelijk deel van Eeklo met de loop van de "gendtsche Lieve".  Tussen Balgerhoeke en "de blackstraete" bemerken we de "com", de losplaats voor de scheepsvrachten naar Adegem, Maldegem en St.-Laureins.
(R.A.G. - Kaarten en Plans 597. a° 1753).

Vanouds werd een plaatsrecht geheven op granen, zaad, aardappelen..., een recht dat bij resolutie van 17 augustus 1818 en bij K.B. van 21 februari 1819 nog vernieuwd was.  Nogmaals werd duidelijk gesteld dat "... 9 deniers vlaemsch, nu 3 cents of 6 centimen 35/100, voor elke zak graan, zaad, aardappelen of droge vruchten die zullen verkocht of geleverd worden op het grondgebied van Eecloo..." zal geheven worden.  Analoog verging het met het recht op de brandstoffen.  Het K.B. van 16 december 1818 regelde dat: "er zal een municipael regt van 2 1/2 cents per 100 kg. ontvangen worden op houille of steenkolen".  Derhalve bleven alle handelaars van rechtswege onderworpen aan dit recht, waarvan de tarieven laatst vastgelegd waren bij wet van 19 april 1829.

18.08.1838:  Lieven en August de Vlieger, vader en zoon, timmerman en huisschilder... wilden een gemeenschappelijk uithangbord aan de ouderlijke woning in de Paterstraat aanbrengen.
Het schepencollege vond de tekst niet welluidend genoeg en wou derhalve enkel toestemming verlenen indien het bord volgende inscriptie kreeg:

L. de Vlieger en zoon, timmerman huisschilder en glazenmaker

22.08.1838:  Rijksveearts Jan Jacobus Cremers rapporteerde dat hij bij landbouwer Pieter Lippens op het Oosteindeken (huidige Stationsstraat) en bij de ongebrevetteerde veearts Pieter Steyaert twee paarden in afzondering had geplaatst.  De dieren waren aangetast door "den kwaeden besmettelijken droes en ongeneesbaar".  Om een vee-epidemie te vermijden werd terstond opdracht gegeven de dieren af te maken.

12.09.1838:  Tegen de prijs van 6 frank kon de stad de kadastrale kaart van "Gerard" aankopen.  Omdat Eeklo reeds over een eerste editie beschikte werd op het aanbod niet ingegaan.
Langs deze weg richt ik een oproep tot onze leden.  Het ons ontbreken van dit uiterst belangrijk werkdocument schept een onoverkomelijke leemte tussen het ancien regime en de hedendaagse geschiedenis.  Voor een tip, waar we een afdruk van deze kaart kunnen verwerven zijn we alvast zeer dankbaar.

19.09.1838:  Ingevolge stijgend pauperisme in de stad kwam het Bureel van Weldadigheid in financiële moeilijkheden.
De distributie dreigde volledig in een slop te geraken !  Voor de nog resterende vijf maand was slechts 508,99 frank beschikbaar voor brood voorziening en 19 fr. voor geldelijke steun.
De noodkreet om een bijkomend krediet van 800 fr. voor brood en 100 fr. voor "gelduitdeling ten huize" vond gelukkig gehoor bij de Raad.

22.09.1838:  Bij K.B. van 6 februari 1837 diende elke gemeente zich een zegel voor het wettigen van de gemeentestukken aan te schaffen.  De Gentse graveurs J. Lanckrock en J. Moreels boden de stad een gamma van geldige modellen aan, de een al duurder dan de andere, naar gelang van de afwerkingsgraad.  Lanckrock voorzag in drie uitvoeringen 15, 10 of 6 fr. Moreels bood vier stempels, respektievelijk van 20, 15, 12 en 8 fr. te koop aan.
Omdat Eeklo vanouds over een eigen zegel beschikte werden, met goed gevolg, stappen ondernomen om deze te blijven gebruiken.  In elk geval bewaarde de stad op deze wijze zijn eigen identiteit.

  In gebruik zijnde stadszegel,
die uiteindelijk mocht behouden blijven.
1 2
Zegeltype Moreels:
          1: 20 fr.
          2: 15 fr.
          3: 12 fr.
          4:   8 fr.

 


3
 

4

 
Zegeltype Lanckroock:
        1: 15 fr.
        2: 10 fr. (ontbreekt)
        3:   6 fr.
1 3

26.09.1838: Als uitbreiding van het feestprogramma van de "Septemberse verjaring" besloot het schepencollege een gaaischieting met de bolpijp toe te voegen.  Het gebeuren zou plaatsvinden ten huize van Hyppolite Beelaert.  De bol of bolpijp was een houten blaaspijp met een lengte van ongeveer 2,20 m., waarmee met een kleikogeltje naar gaaien geschoten werd.

29.09.1838: Volgens artikel 54 van de nieuwe grondwet diende het stadsbestuur tussentijds gedeeltelijk af te treden.  Volgens het nieuw stelsel zouden een schepen en vier raadsleden hun mandaat onderbreken.  De resterenden bleven in funktie tot de voorziene verkiezingen van 1839.
De ontslagnemers werden aangewezen bij lottrekking.
Schepen Bruno Martens en de raadsleden Bernard Huysman, Engel Dauwe alsmede de twee vacante plaatsen van Ange van Han en Antone Vermast zouden weldra vrijkomen.  De uitvoering van de wet liet evenwel op zich wachten.  Eind 1838 was het voltallig bestuur nog steeds in funktie.

10.10.1838: De "proffessor en taelmeester" J. Smitsman, gaf te kennen te Eeklo een school met "pensionnaat" te willen openen.  Volgens het stadsbestuur was daar geen principieel bezwaar tegen wanneer hij dit alles maar tot stand bracht zonder de financiële tussenkomst van de stad.
Op 26 december ontving het College een tweede schrijven van Smitsman.  Daarin liet hij weten tegen de komende lente van start te gaan.  Naar het eind van zijn schrijven was evenwel vertwijfeling merkbaar !  Geruchten deden de ronde "dat de Principaal van het college van Dendermonde op verzoek van de Bisschop en de parochiepastoor van Eecloo een gelijkaardig etablissement van onderwijs" hier zou openen.  Klaarblijkelijk was hier de heropening van het college bedoeld.  Ofschoon de stad ontkende van een dergelijk projekt op de hoogte te zijn bleef de professor wijselijk uit Eeklo weg.  Zoals later zal blijken had zijn informant het bij het rechte eind !

10.10.1838: Met enige vertraging kon de rekening van het "gesticht of werkhuis van Liefdadigheid" over de eerste werkingsmaanden aan de commissie, bestaande uit schepen Temmerman en de raadsleden Van Hoorebeke en Dauwe, voorgelegd worden.  Het nazicht verliep niet rimpelloos en de grieven van het trio brachten de totaal verkeerde ingesteldheid van deze commissie aan het licht.
De doelstelling, "de bedelarij gedeeltelijk te doen verminderen en de behoeftigen dezer stad een gelukkiger lot te verschaffen" was hun schijnbaar ontgaan.  Winstbejag bleek primordiaal te zijn !
Het nazicht was weliswaar bemoeilijkt door het ontbreken van de mandaten, het gebruik van oude afgeschafte maten, gewichten en geldspeciën.
Nog steeds werd door de overste ponden vlaams courant i.p.v. de frank als rekenmunt aangewend.
Ofschoon er op 31 december '37 een batig saldo van 917,75 fr. restte, drong de magistraat aan op besparing !
De 10 werkende behoeftigen hadden van 7 augustus tot 31 december 117 dagen gearbeid en slechts gemiddeld 103 gr. garen gesponnen !  De nobele heren Temmerman, Van Hoorebeke en Dauwe die de stad vertegenwoordigden vonden dat de oudjes en wezen niet voldoende arbeidsintensief waren.  Dienaangaande zouden de "opzichters" (de zusters) onderrichtingen ontvangen om "meerdere neerstigheid te doen betrachten".
Tevens vond men de onderhoudslast van circa 44 centimen per persoon per dag veel te hoog.  Om deze prijs te drukken wou de beperkte commissie de 600 fr. besteed aan verwarming en verlichting reduceren tot 375 fr. Op de aankoop van voedsel en spinloon moesten de zusters nog eens 200 fr. zien te bezuinigen.  Voorstellen die stuk voor stuk op verzet van de bestuurscommissie stuitten.

24.10.1838: Gevolg gevende aan het K.B. van 2 april 1829 vond het armbestuur het een noodzaak om over een dokter te beschikken.  Zonder de goedkeuring van de magistraat af te wachten waren door de armmeesters reeds afspraken gemaakt met Felix van Hoorebeke "medicine doctor" alhier.

Vanouds was het steeds een chirurgijn, een niet-universitair geschoold geneesheer dus, die de verzorging van de armen op zich nam.  Principieel stemde de Raad in met dit voorstel, maar zat enigszins verveeld met de oude heel- en vroedmeester Taminiau die de armen reeds jaren onder zijn hoede had en men zomaar niet buiten spel wou zetten.

De Raad wou de beslissing op de lange baan schuiven, een struisvogelpolitiek die bij het armbestuur niet in goede aarde viel !  Hun oordeel was streng: Chirurgijn Taminiau was oud en bleek niet meer in staat zijn taak naar behoren uit te voeren.  Op 1 december werden twee moties ter stemming gelegd:
—  Een dokter voor de armen.
—  Taminiau blijft behouden maar moet op eigen kosten een geneesheer inschakelen bij ingrepen waartoe hij bij de wet onbevoegd is.

Het is duidelijk dat de tweede motie geen haalbare kaart was.  Desondanks werd het voor de chirurgijn een nipte nederlaag van 4 tegen 3.  Men werd het dan toch eens nog een weinig te wachten met de bekendmaking.  Klaarblijkelijk vreesde de Wet een konfrontatie met de vinnige oude chirurgijn.  Het was immers niet de eerste maal dat er een geschil gerezen was tussen de twee partijen, konflikten die steeds op een weinig aangename wijze waren beslecht.

27.10.1838: Schepen Temmerman kwam met een plan om de steenweg Eeklo-Bentille in de loop van '39 volledig af te werken.  Een lening van 10.000 fr. bleek evenwel onontbeerlijk.  De oppositie in de persoon van oud-burgemeester Dhuyvetter had berekend dat deze werkzaamheden konden plaatsvinden met eigen middelen, maar hij opteerde voor de afwerking van de Tieltsesteenweg.  Een lening van 15.000 fr. zou volstaan om Eeklo's deel te beëindigen.

Een politiek vergelijk voorzag een lening van 20.000 fr. dienstig voor beide projekten.  Aanvankelijk werd gedacht aan het uitschrijven van een eigen lening tegen 4 à 5% verdeeld over 49 coupures van 500 frank.  De politieke tegenpolen Stroo en Dhuyvetter stelden meer vertrouwen in de bankinstellingen, zij het dan uiteraard van verschillende strekking !

27.10.1838: Op aandringen van Stroo zou de stad haar patrimonium tegen brand laten verzekeren.

Na prijzij werden de stadseigendommen ter waarde van 37.000 fr. voor zeven jaar verzekerd.
—  de kazerne der gendarmerie voor 9.000 fr.
—  de bijhorende stallingen 1.000 fr.
—  het stadhuis 24.000 fr.
—  het gebouwtje naast het stadhuis, gebruikt als wachthuis en de bovenverdieping als kantoor voor militair logement 3.000 fr.

31.10.1838: Herhaaldelijk hebben we Eeklonaars aangetroffen die wegens desertie vervolgd werden.  Slechts in weinig gevallen kwamen we te weten wat er met onze jongens, die het onder Franstalig militair bevel niet meer zagen zitten en huiswaarts keerden, gebeurde.
Onze stadsgenoot Charles Louis Heirbrandt, zoon van Jan Baptist en Caroline Standaert, milicien bij het 5de linieregiment kon blijkbaar niet aarden zover van zijn geboortestad en kwam tot tweemaal toe, zonder verlof, naar Eeklo afgezakt.  De krijgsraad nam hem deze "wandeling" niet in dank af en veroordeelde Charel tot drie jaar "kruiwagen" of dwangarbeid.

03.11.1838: De reeds in 1837 geplande wijzigingen aan het stadsuurwerk waren tot dan nog steeds niet uitgevoerd.  Burgemeester Stroo trachtte het bestek in de Raad goedgekeurd te krijgen, wat ingevolge onvoldoende kontanten niet lukte.  De werkzaamheden verdwenen nogmaals in de koelkast !

03.11.1838:  De commissie van het Liefdadigheidswerkhuis vroeg toelating om 76 aren 70 centiaren land, gelegen in de huidige Kon. Albertstraat, eigendom van jonkheer Joseph Kervijn de Lettenhove voor 3.000 fr. te mogen aankopen.
De aankoop en de bouw van een noodzakelijk nieuw "gesticht" (de kiem van de huidige H. Hartkliniek) werd mogelijk gemaakt dank zij het legaat van oud-armmeester Karel Louis Misseghers, die het jonge gesticht bij testament van 2 maart 1838 een som van 10.000 fr. had nagelaten.  Op 7 november volgde reeds de toelating.

06.11.1838:  Door het wegvallen van een derde stadsbediende boden de twee resterende "commiesen", Ferdinand de Heuvel en Pieter de Raedt spontaan hun diensten aan om het werk onder hen beiden te verdelen... uiteraard mits een weddeaanpassing.
De gemeenteraad ging graag op het voorstel in.  De jaarwedde ging met 100 fr. naar omhoog, evenwel onder de voorwaarde dat ook de werktijd, van 9 tot 16 uur, zou gebracht worden van 8 tot 17 uur.  Het verdelen van de beschikbare arbeid was dus klaarblijkelijk geen probleem eigen aan onze eeuw !

07.11.1838:  Bij K.B. van 15 oktober was bepaald dat Eeklo terug zijn douanekantoor kreeg.  Dit kantoor dat vanaf 7 november funktioneerde had tot doel uitvoerdocumenten naar het "onvrije teritoir" af te leveren.  De eerste stappen werden dus gezet om de handel met Zeeuws-Vlaanderen nieuw leven in te blazen.

14.11.1838:  Aan Bernard vande Putte werd provisioneel toelating verleend om een postwagendienst tussen Gent en Eeklo in te leggen.
De uitbouw van deze dienst was te wijten aan de uitzonderlijke transporten voor de in aanleg zijnde "ijzeren weg".  Het rijtuig dat zou in gebruik genomen worden bood plaats aan 12 passagiers.  Rijschema en prijs waren strikt gereglementeerd:
Vertrek, elke dag vanuit Eeklo om 7 uur en vanuit Gent om 19 uur.  De tarieven waren vastgesteld op:
  2 fr.  per passagier
1 fr.  voor elke 100 kg. bagage
1 fr.  per 1000 fr. aan waardepapieren.

01.12.1838: De tolhekkensaffaire in de Peperstraat was, zoals we reeds zagen, voor het stadsbestuur op een financiële flop uitgelopen Om de schade enigszins te beperken kreeg het schepencollege opdracht na te gaan of de provincie geneigd was de steenweg Eeklo-Watervliet van de stad af te kopen !

Het lag dan ook in de lijn der verwachtingen dat de verpachting op 22 december niet het verhoopte resultaat zou opleveren.  Het tolhek in de Peperstraat bleef aan Joannes Robert voor 1840 fr., het tweede aan de Goochelaar ging naar Pieter de Smet voor 560 frank.  De verpachting haalde nog slechts 1/3 van deze over '38.

Het "Feisstraetjen" (Feys-, Fey-) of dreefken verdween in 1860 bij de aanleg van de Eeklose vaart, Dit stadsdeel diende tengevolge van de werken aan het kanaal grondig gewijzigd.  De Nieuwendorpstraat werd doorgetrokken tot de westelijke oever van het kanaal.  Het zuidelijk deel van de Lange Moeie (de huidige Slachthuisstraat) en de volledige Feidreef werden afgeschaft.

01.12.1838: Een van de klassieke bestrijdingsmiddelen tegen de werkloosheid, waarnaar de stad reeds eerder teruggegrepen had, was het in eigen beheer laten uitvoeren van bestratingswerken.  Ingevolge de terugval van de lijnwaadnijverheid heerste bittere armoede in de stad.  De voorziene aanbesteding voor het aanleggen van het bed van de Tieltsesteenweg werd van de agenda geschrapt en ingezetenen zouden in dagloon de ondergrond voorbereiden.
Het geplande trajekt liep van de "Brugsche straet" tot aan het "Feisstraetjen".  Het Feisstraatje, medio 19de eeuw ook "feydreefken" is te vereenzelvigen met het westelijk deel van de Zeventien Bilken, gesupprimeerd door de aanleg van het Eekloos kanaal.

01.12.1838: Geruchten deden de ronde dat Eeklo een militaire kazerne zou krijgen om van hieruit manschappen naar de versterkingen te Boekhoute en Maldegem te sturen.  De handelaars die met de komst van vreemde manschappen hun omzet reeds zagen stijgen, drongen er bij het stadsbestuur op aan alles in het werk te stellen om het bolwerk binnen de stad te krijgen.

22.12.1838:  De verpachting van de stadsrechten bleven over heel de lijn beneden de verwachtingen !  Enkel het onderhoud van de straatlantaarn en de opkuis van de binnenstad vond gegadigden.  Jan van Veirdegem voor 1050 fr. en Jan Spittael voor 100 fr. waren de respektieve pachters.  De overige stadsrechten en in het biezonder de marktrechten vonden vooralsnog geen afnemer.  Het konflikt rond de tollen in de Peperstraat waren daar zeker niet vreemd aan !

1838:  De frequentie waarmee de nieuwe herbergen geopend werden was sterk teruggevallen.  In de loop van 1838 troffen we slechts drie aanvragen aan:
—  Klompmaker Antone Kindts opende op 1 mei in de Boelare "Het Meuleken".
—  Lodewijk Buyck die zijn beroep niet wou verloochenen ging eveneens in de Boelare achter de tapkast staan en noemde zijn nieuweling "Den Wolle Kammer".
—  In het Vlamingstraatje vonden we Marie Pijnaert die haar geluk wou beproeven in "Den Ouden Franschen Dragonder".

1838: Het schepencollege zetelde dit jaar 80 maal.  Het absenteïsme was zoals steeds zeer laag.  Burgemeester Karel Stroo en stadssecretaris Philippe Rodrigos waren steeds aanwezig.  De schepenen Bruno Martens 75 en Charles Bernard Temmerman 78 maal.
De "Communalen"- of gemeenteraad vergaderde 28 keer.  Het schepencollege dat uit hoofde van zijn funktie ook hier zetelde was steeds voltallig aanwezig.

Onder de raadsleden heerste wel enige malaise !

Ange van Han en Antone Vermast lieten het ingevolge ziekte en overlijden van bij den beginne afweten.  Bernard Huysman "volgde" zeven zittingen, zorgde blijkbaar voor weinig inbreng want geen enkele maal troffen we een tussenkomst van hem aan.  Jan Baptist Bovijn was 16 en Bernard van Hoorebeke in 20 zittingen aanwezig.  Al evenmin behoorde dit tweetal tot de vaandeldragers van een bepaalde ideologie.  Anders was het gesteld met oud-burgemeester Joseph Dhuyvetter, Ange Aernaut en Engelbertus Dauwe, die respektievelijk in 26, 24 en 25 vergaderingen, elk op een eigen geaarde wijze, hun aanwezigheid niet onopgemerkt lieten voorbijgaan.

(vervolgt)
Erik de Smet.

Separator

Chronologie van Eeklose gebeurtenissen
1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 15 - 16

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  05-09-2019