Maldegem, die grote - of de oorzaak van De Eeklose Dobbelgebakkene
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1984, 17de jaargang, nr. 3

MALDEGEM, DIE GROTE — of de oorzaak van
"DE EEKLOSE DOBBELGEBAKKENE" (3)

1424  Dit jaar verliep ook kalm.  Wel kwamen de burgemeester en schepenen van Maldegem naar Eeklo om een zekere zaak met de wet te bespreken.  Hun werd een kan Rijnse wijn aangeboden.  Op het einde van het jaar kwamen Willem Mychiels en Pieter Calfeer zich voor het Eeklose schepenkollege beklagen "hoe dat zii huut ghegheven waren te Maldeghem van hackerscaden, twelke noyt ghezien en adde gheweest, alzo zii zeyden".  De burgemeester Tryestram Hauweel, de schepenen Jan Wante en Lodewyc de Krooc begaven zich naar Maldegem waar zij de klacht samen met de baljuw en schepenen bespraken.  Eeklo haalde de overeenkomst aan betreffende "ghemerct dat wii vry staen deen jeghen den anderen".  De zaak werd in der minne geregeld.  Twee jaren, 1425, en 1426 zijn onvindbaar.

Maldeghem Stroobrug

1427  Eeklo had twee Maldegemnaren gevangen genomen.  De reden hiervoor is onbekend.  Maldegem wendde zich naar het Brugse Vrije om zijn invloed aan te wenden tot de vrijlating van zijn twee bewoners.
Het Brugse Vrije stuurde daarvoor een brief naar Eeklo.  De stad stuurde zijn burgemeester Triestram Hauweel en schepen Jan de Vulderen naar Brugge.  Na een onderhoud met deze schepenen trokken zij naar Maldegem.  Tot geen akkoord komende gingen de Eeklonaren terug naar het Brugse schepenkollege.  's Anderendaags was er een nieuw gesprek met een Maldegemse afvaardiging waarbij de zaak werd "ghetermineert".

1428  Blijkt een goed jaar zonder verwikkelingen.

1429  Er greep een ernstige overtreding plaats.  Enkele bewoners van Maldegem hadden op Eekloos grondgebied enkele Eeklonaren gevangen genomen, en naar de gevangenis te Maldegem gevoerd.  Waren er vroeger dikwijls betwistingen tussen baljuw en het schepenkollege te Eeklo, dan werd de zaak nu heel anders.  Het was de baljuw in eigen persoon die hulp en bijstand vroeg aan het schepencollege, namelijk Symoen Utenhove, de latere stichter van het klooster te Waarschoot (8).  Zeer uitzonderlijk zien we dat de baljuw, Symoen Utenhove samen met de burgemeester Jan de Vuldere en de schepenen Jan Zoetaert en Jan Zegbrouc naar de grafelijke Raad trekken.  Daar diende de baljuw een verzoekschrift in dat werd ingewilligd.  De Raad stelde een bevelschrift op dat ter uitvoering werd overgemaakt aan de eerste deurwaarder van de Raad.  Zeer waarschijnlijk werd dit zonder protest van Maldegem aanvaard.  We vinden er in 1430 niets over terug.

1431  Dit jaar greep er dan toch een misdrijf plaats dat als zeer ernstig mag worden beschouwd: een schaking !

Jan de Ketelboetere f. Gheeraert en enkele van zijn aanhangers ontvoerden te Maldegem de dochter Marthin f. Matheus Heins, waarvoor ze te Maldegem werden opgesloten, dit niettegenstaande Jan de Ketelboetere zijn daad had bekend aan het Eeklose bestuur en dit binnen de derde dag van het gebeurde.  Daar hij gehandeld had zoals het werd voorgehouden door de Eeklose Wet, vroeg hij dan ook de bijstand van het schepenkollege.  Eeklo stuurde zijn burgemeester Michiel Sersanders de twaalfde dag in maart naar het Gentse schepenkollege om raad.

Daar werd gevraagd de zaak voor de grafelijke Raad te brengen.  De vraag werd ingewilligd, de Raad stelde een bevelschrift op en gelastte zijn deurwaarder, Jan van Craybrouc met de uitvoering ervan.
Maldegem reageerde langs het schepenkollege van het Brugse.  De Eeklose Wet werd te Brugge ontboden.  De eenendertigste april gingen de burgemeester Michiel Sersanders met de schepenen Jan Loy en Victor Blomme de zaak verdedigen voor het Brugse schepenkollege, die hun ook de vraag stelde waarom Eeklo het hof te Maldegem had laten sluiten.  Eeklo gaf als antwoord dat elke Eeklose keurbroeder die een misdaad beging buiten de keure en vrijheid van Eeklo en hij kwam binnen de derde dag van het gebeurde zijn misdaad eerst aangeven aan de Wet te Eeklo, handelde volgens de keure, costumen en usanties van de stad Eeklo.  Zij voegde eraan toe dat de Eeklose schepenen het recht hadden daar de eerste kennis van te hebben.  Brugge stelde de zaak veertien dagen uit en vroeg aan Eeklo om dan hun keure en privileges mede te brengen "Omme te zienen en te horen lesen".  Op de gestelde dag gingen burgemeester Michiel Sersanders en de schepenen Victor Blomme, Thomaes Soethaert en Symoen Vrombaut met de privileges naar het Brugse schepenkollege "omme die te thoghene ende te doen lesen gheliict dat de dachvaart inhijlt".

Ondertussen werd weer een Eeklose keurbroeder, Jan de Smet f. Lamsin, aangehouden.  Daarvoor gingen de schepen Victor Blomme met de notabele Jan Loys naar Maldegem.  Zij bespraken er het geval met het Maldegemse schepenkollege.  De zaak werd tot een goed einde gebracht.  Maldegem bleef Eeklo last bezorgen.  Willem Michiels, Pieter Callewaert en nog enkele andere Eeklose keurbroeders kwamen zich bij het Eeklose bestuur beklagen over de moeilijkheden die zij ondervonden te Maldegem.  Zij werden dit jaar allerlei belastingen opgelegd die onredelijk waren.  Zij waren echter zeer mistevreden omdat de Eeklose Raad, dit jaar, niemand naar het Brugse Vrije had gestuurd om een voorziening te hebben op deze moeilijkheden, en dit gedurende de periode dat er nog processen hangende waren tussen Eeklo en Maldegem.  Daarop stuurde men Jan de Vuldere, de oude, met een brief naar de burgemeester en schepenen van het Brugse Vrije.  De achttiende januari 1432 werd Eeklo te Brugge gedagvaard en stuurde de schepenen Jan Loys, Victor Blomme en Daneel Bertholmeeus (zoon) om er zich te verantwoorden tegenover Filips, heer van Maldegem.  Het Brugse Vrije stelde zaak acht dagen uit.  Op de voorziene dag gingen de schepenen Victor Blomme, Pieter de Munster en Willem Lievins naar de dagvaardiging te Brugge.  Daar de Brugse Raad overbelast was werd de zaak weer uitgesteld met negen dagen.  De twaalfde dag in februari gingen de schepenen Victor Blomme en Jan Loys naar Brugge om de dagvaardiging "tusschen philips heere van Maldeghem ende zine laten (inwoners) over een zide ende der stede van eclo over ander (zijde)".

Wegens ongekende redenen werd het proces terug uitgesteld.  Na het uitstellen kwamen beide partijen (Eeklo en Maldegem) tesamen en bespraken de situatie "omme dat zy zo naers ghebuere ende vrienden waren".  Toch kon men tot geen akkoord komen.  Het uitstellen, dat werd gevolgd door deze samenkomst moet gebeurd zijn op aandringen van het Brugse schepenkollege die graag wou dat Eeklo en Maldegem onderling tot een akkoord kwamen (9).  Daar dit niet doorging kwamen beide partijen terug voor de Brugse Raad waar de zaak werd bepleit, echter zonder tot een overeenkomst te komen.  Beide schepenen waren afwezig gedurende twee dagen en deden de verplaatsing te voet.

1432  Boudin De Smet had met het Maldegemse bestuur enkele keren moeilijkheden gehad.  Daarom stond deze niet goed aangeschreven bij de heer van Maldegem en zo gebeurde op "den letsten dach van septembre int jaer duust vierhonderd twee en dertich" dat Boudin De Smet op het Eeklose grondgebied gevangen genomen, over de Lieve gebracht en in het gevang te Maldegem terecht kwam.  Eeklo verzette zich daar sterk tegen.  Maldegem reageerde heftig !

De schout Lamsin Coppins, de baljuw Philips Claeys, zoon van Praet, de klerk Jan Gheeraerd, zoon van Zegbrouc en Jacob Vocke en enkele inwoners van Maldegem hadden de vierschaar te Eeklo doen sluiten, dit in verband met de zaak van Boudin de Smet.  Hier volgt een samenvatting uit het proces dat te Gent voor de grafelijke Raad werd behandeld.  De Maldegemse baljuw Lamsin Coppins, Filips Van Praet, zoon van Clais, klerk van de vierschaar te Maldegem en de Maldegemse laten Jan, zoon van Ghevaerts, Van Zeghbrouc, Jacob Vecke, zoon van Jacobs hadden Boudin de Smet, zoon van Lamsin gevangen genomen te Balgerhoeke, op Eekloos grondgebied.  Ze hadden deze laatste gevankelijk in "beslotene vanghenesse ende inde ijseren gheleghd" te Maldegem.  Eeklo stelde zich teweer en eiste de onmiddellijke vrijlating van hun keurbroeder.  Maldegem weigerde daarop in te gaan en bracht de zaak voor het schepenkollege van het Brugse Vrije.  Daar kreeg Maldegem gelijk.  Eeklo aanvaardde deze uitspraak niet en ging in beroep bij de grafelijke Raad te Gent.

Maldeghem - 't Konduit (Stroobrug)

De Eeklose baljuw Willem Arends, de burgemeester Michiel Sersanders en zijn schepenen Jan Benijs, Victor Blomme, Thomaes Soetaert, Pieter Munster, Willems Lievins, Daneel Berthelmeeus, Simon Vromout, Andries Simoen Arends en Gillis Everdeij, gingen zelf de zaak te Gent bepleiten.  Eeklo had toen zes schepenen en Lembeke drie.  Zij hadden de plaats van de ontvoering laten opmeten en op kaart gebracht.  Deze lag wel degelijk in de keure "ende scependomme van Eclo" (10).  De grafelijke Raad had kommissarissen ter plaatse gestuurd.  Deze bevestigden de Eeklose versie.  Maldegem werd veroordeeld tot het betalen van alle kosten door Eeklo gemaakt met het proces te Gent en deze die werden "ghedaen inde vorseide eerste instantie", namelijk voor het schepenkollege van het Brugse Vrije.  De uitspraak viel op 12 december 1433.  De Eeklose baljuw en de Eeklose Wet werden door een bevelschrift gedaagd voor de Raad te Gent, op de zestiende dag in februari om zich te verantwoorden tegenover de hogergenoemde van Maldegem.  Men stuurde daarvoor de schepenen Pieter Munster en Daneel Bertholmeeus zoon, Gentwaarts om de uitspraak te aanhoren en er desnoods terug voor de rechter te brengen.  De zaak werd echter uitgesteld tot de vierde maart.  Enkele dagen later stuurde de Eeklose Wet hun klerk Jan de Vuldere naar Maldeghem bij Filips, heer van Maldegem.  Spijtig, maar Jan de Vuldere kon de heer van Maldegem niet vinden.  Hij was afwezig.  Enkele dagen later had er toch een ontmoeting plaats.  Beide besturen bleven op hun standpunt, dus volgde er geen akkoord.  Eeklo stuurde de achtentwintigste februari de burgemeester Jan van Zegbrouc, Pieters zoon en de schepen Jan van Westvoorde naar het schepenkollege.  Filips, heer van Maldegem met zijn schepenkollege was daar ook.  Zij hadden hun klachten schriftelijk vastgelegd.  De Brugse schepenen betreurden dat de Eeklose Wet niet hetzelfde had gedaan.  De Brugse schepenen moesten echter ook toegeven dat zijzelf niet op de hoogte bleken te zijn van de situatie.  Het voorgaande was onder "de oude wet vorseit" behandeld.  Om de tijd te krijgen er kennis van te nemen, werd de zaak uitgesteld tot de tweeëntwintigste maart.  Zij waren "uit eenen dach te peerde".  De vierde maart ging schepen Loy de Crooc naar de Raad te Gent om de rechtszitting bij te wonen.  Deze werd wegens het teveel werk van de Raadsheren uitgesteld tot de negenentwintigste dag in maart.  De zaak die nu te Gent voor de grafelijke Raad plaats vond, was deze die ging over Boudin de Smet.  De tweeëntwintigste dag in maart kwam de Eeklose burgemeester naar het Brugse schepenkollege voor de betwisting tussen Eeklo en Filips, heer van Maldegem.  De Brugse rechtbank deed het voorstel dat trouwens werd gevolgd, namelijk dat het geschil werd besproken in een kommissie die bestond uit twee Brugse raadsheren, twee schepenen van het Brugse Vrije, Filips, heer van Maldegem en de Eeklose baljuw, Symoen Utenhove.  De raadsheren onderschreven ondermeer de wettelijkheid van het Eeklose hof.  Over deze bijeenkomst verstrekt het archief niets.  De negentwintigste dag in maart ging de Eeklose schepen Cornelis van Zuwekercke naar de Raad te Gent om de verwijzing over de grafelijke Raad over te geven.  Cornelis van Zuwekercke "was ute ij daghen te voet".  Op de 6de april was Cornelis terug te Gent om er "ghescriften van die van Maldeghem weder over te ghevene".  Enkele punten kwamen ter diskussie omdat Maldegem beweerde dat er verschillende punten vroeger niet ter sprake waren gekomen.  Ze werden dan toch besproken.  Cornelis van Zuwekercke was "ute ij daghen te voet".  Gheeraerdt van den Rine, de procureur die de Eeklose belangen behartigde voor de grafelijke Raad te Gent, vroeg een bestuurslid van de stad Eeklo om bepaalde zaken te bespreken.  Loy de Crooc ging daarvoor de twintigste dag van mei.  Bij zijn aankomst werden hem alle geschriften die betrekking hadden tot het geschil tussen Eeklo en Maldegem voorgelegd.  Daar waren reeds kommissarissen aangesteld en het nodige werd gedaan om de zaak te kunnen afwerken.

De Eede en de Maldegemsche Ardennen

Op zes juni stuurde Eeklo zijn burgemeester Jan van Zegbrouc te paard naar het Brugse schepenkollege en de schepen Cornelis van Zuwekercke kwam te voet.  De Eeklose baljuw, Symoen Utenhove, die had beloofd daar enkele dagen vroeger reeds aanwezig te zijn, stuurde zijn kat.  Het had tot gevolg dat de zaak werd uitgesteld.  Op die dag stuurde Eeklo zijn schepenen Loy de Crooc en Philips Beelezone.  Gedurende de zitting werd in het lang en in het breed de zaak besproken.  Gevolg, "dat de goede lieden vanden vryen ute stelden toten xx sten dach vanden hoymaend" juli.  De twintigste dag in juli, moest Eeklo zijn burgemeester, Jan van Zegbrouc, Pieters zoon, en zijn schepen Cornelis van Zuwekercke zich opnieuw naar Brugge begeven.  De Brugse raadsheren wilden dat Eeklo wou afzien van het sluiten van het hof te Maldegem.  Dat was ook gebeurd in verband "van vrauwe crachte" de zaak Jan de Ketelboetere.  De afvaardiging van Eeklo kon daar niet op ingaan.  De Eeklose Raad had hun opdracht gegeven niet toe te geven.  Als er meer dan één betwisting of proces tussen Eeklo en Maldegem hangende of in gang was, kan van enkele reizen die Eeklose schepenen naar het schepenkollege van het Brugse Vrije of de grafelijke Raad te Gent deden, niet altijd worden uitgemaakt over welk proces het juist ging.  Brugge stelde de besprekingen acht dagen uit omdat de partijen zich zouden bezinnen om tot een akkoord te komen.  "Item, binnen de viij daghen de wet sproken teclo met den notabelen ende ghemeenen (volk) vander stede" die besloot op haar standpunt te blijven dat het aangeven en het ter kennis geven van een misdrijf door "hunlieden poorters ende ceurbroeders" aan de Eeklose schepenen toebehoorde.  Met deze opdracht moesten de Eeklose schepen Filips Beelezone en de Lembeekse schepen Symoen Vromant de zaak gaan verdedigen te Brugge.  Dit gebeurde enkele dagen later te Brugge.  Het Brugse Vrije stelde terug de zaak uit, nu tot op de zesde dag in september.  Beide partijen moesten tegen die datum alles op papier zetten.  We hebben reeds vroeger geschreven dat het voeren van processen soms lang duurde.  Deze brachten aan de stadsbegroting zware tekorten toe en daardoor was men dikwijls verplicht nieuwe belastingen te heffen om deze kosten te dekken.  Voor Eeklo gebeurde dit nu ook vooral omdat voorgaande begrotingen met een tekort werden afgesloten.  Deze opbrengst moest dienen om de kosten te betalen voor het proces tussen Maldegem en Boudin de Smet en aldus verder te kunnen procederen.  Op het einde van september gingen de Eeklose schepenen Cornelis van Zuwekercke en Jan van Zegbrouc f. Jans, met de klerk naar Gent met de geschreven getuigenissen en verklaringen.  Hun reis duurde twee dagen te voet.  De vijftiende november, een maand later dan voorzien, brachten de Eeklose burgemeester Jan van Zegbrouc en zijn schepen Jan van Westvoorde voor de kamer van het Brugse Vrije de nodige geschriften over.  Begin december gingen dezelfde personen naar de grafelijke Raad te Gent met de bede "omme een cortinghe te hebbene" (meer spoed te zetten) in de zaak Maldegem en Boudin de Smet.  De raadsheren beloofden het proces zo vlug mogelijk af te werken.  Deden beide Eeklonaren hun voorgaande reis op een dag en te paard, nu was het te voet.

1433  Belangrijk jaar voor Eeklo tegenover zijn gebuur Maldegem.  Eeklo won het proces Boudin de Smet tegen Maldegem.  De raadsheren hadden woord gehouden, het werd zelfs beëindigd met een overwinning !  De uitspraak viel op twaalf december 1433.  Zie bespreking proces.

1434  De dertiende dag in januari ging de Eeklose schepen Cornelis van Zuwenkerke naar de Raad te Gent, om een oorkonde van onkosten te hebben om deze tegenover Maldegem te kunnen innen.  Daarvoor was de Eeklose schepen 4 dagen afwezig en legde de weg te voet af.

Van de jaren 1433 en 1434 vinden we weinig of niets terug.  We kunnen maar herbeginnen met 1435.
Het Brugse Vrije vroeg een verwijzing voor de grafelijke Raad te hebben in het geschil tussen Eeklo en Maldegem.  De procureur die de Eeklose belangen verdedigde en te Gent verbleef liet enkele Eeklose wethouders bij zich roepen.  Eeklo stuurde daarvoor Victor Blomme en Jan Pieter Heins, schepenen van de vorige Wet.  Bij de Raad werd hun het verzoek van het schepenkollege van het Brugse Vrije medegedeeld en onderzocht.  De Raad stelde de zaak uit tot twintig februari.  Op die datum werd dit weer uitgesteld met veertien dagen, op die datum gebeurde toen weer hetzelfde: vier dagen uitstel.  Op de laatste voorziene afspraak stuurde Eeklo zijn schepen Victor Blomme en hun klerk Jan van Zegbrouc om de uitspraak aan te horen.  De uitspraak was afwijzend voor het Brugse Vrije en Maldegem moest zich verantwoorden tegenover Eeklo.  Maldegem antwoordde op nieuwe Eeklose voorstellen.  De procureur die de Eeklose belangen behartigde, vroeg inlichtingen.  Eeklo stuurde zijn schepenen Willem Blondeel en Alaerd de Scheerere naar de Raadskamer.  Beide partijen werden aangeraden alles op schrift te stellen en terug te keren, vijftien dagen nadien.

De vastgestelde dag stuurde men de Eeklose burgemeester Joos Bruninc met Cornelis van Zuwekercke om "de scirfturen te visiteerne ende over te doene ghevene".  Dit "visiteerne van de scrifturen" gebeurt dikwijls, zodat de afvaardiging van Eeklo verscheidene keren over en weer moet reizen.  Was Maldegem weerspannig ?  Waren het de financiële kosten ?  Wie weet, in elk geval besluit Eeklo de zaak voor het Parlement te Parijs te brengen.  Eeklo stuurde Cornelis van Zuwenkercke met een volmacht om te Brugge een bode te zoeken die naar Parijs trok, deze werd gevonden en met de nodige geschriften naar het Parlement te Parijs gestuurd.

Ondertussen stuurde Eeklo Victor Blomme naar Gent om de papieren over het proces van Jan de Ketelboetere over te maken.  Hij besprak er de situatie met enkele schepenen die hij persoonlijk kende.  Hij was twee dagen te voet onderweg.

Maldeghem - 't Konduit (Stroobrug)

1436  De vorige moeilijkheden tussen Eeklo en Maldegem waren nog niet volledig uit de weg geruimd.  Het proces Jan de Ketelboetere-stad Eeklo tegen Filips, heer van Maldegem, kwam nu voor het Parlement van Parijs en zou enkele jaren aanslepen.

Een belangrijke gebeurtenis zou de situatie tussen beide gemeenschappen sterk vertroebelen.  Er greep een zelfmoord plaats.  Wat heden wordt aanvaard als een wanhoopsdaad, met weinig of geen morele moeilijkheden, soms zonder financiële problemen, had voor die periode een heel andere betekenis.  De zelfmoord greep plaats de laatste dag van de hooimaand (juli) het gebeurde in de persoon van de vrouw van Boudins van Synaij.  "twiif Boudins van Synaij nam haer zelven 'tliif".  We hebben reeds vroeger deze zelfmoord beschreven (11) gezien welke gevolgen dit kon meebrengen voor het slachtoffer en voor haar familie.  Het was weliswaar in de vijftiende eeuw, toch doet het, mijns inziens althans, nog wreed aan als we weten welke onterende behandelingen het slachtoffer nog moest ondergaan.  Daar de vrouw zich in haar woning van het leven had benomen, diende het lijk "in 't huys te slepen van onder de sille (deurdorpel) als niet weerdich van over de sille ghesleppt te zijn, makende daer toe een gat onder de sille".  Wij zien dat de zelfmoordenaar "zijn goed verwijst verbeurt".

In vele heerlijkheden en in sommige steden werden de goederen en bezittingen in beslag genomen en verdeeld, de ene helft behoorde toe aan de heer van de heerlijkheid en de andere helft kwam toe aan de erfgenamen.  In andere heerlijkheden kwam het hele bezit van de zelfmoordenaar in handen van de heer of eigenaar van de heerlijkheid.

Als wij zien dat van de zelfmoordenares "haer goet verwijst verbeurt" werd, moet hier toch de vraag worden gesteld waarom Eeklo, maar dan ook Maldegem, zoveel belang hechtten aan de plaats van de zelfmoord ?  Was het om de waarde van de in beslag genomen goederen ?  Of was het zuiver een kwestie van echte of vermeende wettelijk aanzien en rechterlijk gezag ?  In elk geval zullen we zien dat het voor Maldegem een zware afstraffing wordt.  Dikwijls moet worden besloten dat Maldegem onbeheerst handelde.  Zo zullen we verder zien dat de grafelijke Raad Eeklo gelijk gaf en Maldegem weer wordt veroordeeld, doch zij gaan in beroep voor het Parlement te Parijs, wat toch wijst op een zekere onbezonnenheid van Maldegem.  Of waren zij zo verblind door hun steeds groter wordende antipathie voor Eeklo dat hun drang naar wraak en weerwraak hen elke redelijkheid ontnam ?  Ondertussen bleef dat proces rond Jan de Ketleboetere maar aanslepen.  Eeklo stuurt zijn burgemeester Joos Brunic en zijn griffier Cornelis van Zuwekercke naar de grafelijke Raad te Gent om de verjaring der feiten in te roepen, hetgene de Raad niet aanvaardde.

(wordt vervolgd)
Romano Tondat

__________________________
 
(8)    Nu vindt men er nog het priorshuis terug dat in oorsprong "het casteel vanden fondateur" was en waar Symoen Utenhove zijn laatste levensjaren doorbracht.  Het werd gebouwd in 1444.  Terug naar de tekst
(9 "'Wannier dat hem ghelieve zoude den dachvaart met zine wet te houdene ende om van Eeclo omme ghescil tusschen hem ende der stede van Eeclo te goede accorde te bringhene, gheliic hem ende ons bij den goeden lieden vanden vrijen bevolen was".  Terug naar de tekst
(10 "tusschen Jan Smets landt an deen zijde ende der kinderen Jan Paps landt an dander zijde ende behoorende de voorseide plecke landts toe Willem Oste".  Terug naar de tekst
(11 Zie Ons Meetjesland 1981, nr. 2, blz. 35. Het strafrecht te Eeklo in de 15de eeuwTerug naar de tekst
 

Separator

Maldegem, die Grote  1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  05-09-2019