Maldegem, die grote - of de oorzaak van De Eeklose Dobbelgebakkene
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1985, 18de jaargang, nr. 2

MALDEGEM, DIE GROTE - of de oorzaak van
"DE EEKLOSE DOBBELGEBAKKENE" (6)

Zoals wij in onze vorige bijdrage zagen behoorde de betrokkene, Vincent Soetaert tot de begoede families te Eeklo.  Dat zal dan ook de reden geweest zijn waarom er zo een grote oppositie van Eeklo was.  Nochtans wist het Eeklose stadsbestuur zeer goed dat de graaf van Vlaanderen het recht had om een te Eeklo in gang zijnde, of reeds behandeld proces, voor zijn grafelijke Raad of Kamer te brengen.  Hier te Eeklo was het een zuiver geval van rechtsmisbruik.  De moordzaak staat (bij mijn opzoekingen) nergens vermeld, maar werd eenvoudigweg in de doofpot gestopt !  Helaas voor Eeklo, want de gevolgen waren zeer zwaar, vooral financieel maar ook moreel.  Voeg daarbij de 304 ponden voor de bezwaarschriften en verdediging in verband met de Eeklose revolte tegen het grafelijke gezag en ze kostten al de helft van de stadsbegroting voor 1459.

De reaktie bleef niet lang uit, vlug werden enkele leden van het Eeklose stadsbestuur en een aantal andere Eeklose keurbroeders door de grafelijke soldaten gevangen genomen en dit tot enkele dagen voor de dagvaardiging.

Omdat het zo belangrijk is geven we de volledige tekst weer over het gebeurde volgens de Eeklose versie over het feit dat de misdaad nog "ongebetert stond" (38).

Verschillende nog bijkomende kosten zouden het tekort van de stadskas doen oplopen.  Maar laten we eerst de rechterlijke uitspraak zelf lezen.  Deze viel op 14 april 1458 en was in het Frans opgesteld en begint met een opsomming van de verschillende titels die graaf Filips bezat.

Nadat het ter kennis kwam van de grafelijke baljuw, hoe een genaamde Vincent Soetaert, ongeveer vier jaar voordien samen met zijn broeder Adriaan Soetaert een manslag beging "commist et perpetra".

Het laatste woord wijst duidelijk op de misdadige opzet en uitvoering van Vincent Soetaert.

Dit gebeurde op de persoon van Hannequin de Corte.  Het slachtoffer had als handelaar geregeld omgang met Eeklonaren en verbleef dikwijls te Eeklo.  De grafelijke baljuw gaf aan een van zijn sergeanten, Audry Paesdach opdracht om de genoemde misdadiger aan te houden en op te leiden.  De sergeant voerde het opgelegde bevel uit en begaf zich met de gevangene op weg.  Na een vierde van een mijl (één mijl was toen ongeveer één uur gaan) verwijderd te zijn van de stad Eeklo (centrum), kwam men voorbij (of in de nabijheid) van de verblijfplaats van Vincent Soetaert.  De sergeant die bezorgd was om het welslagen van zijn opdracht, was vast besloten de gevangenen voor zijn meesters (rechters) te brengen.  Maar daar verschillende burgers en vrienden van de genoemde Vincent, zowel mannen als vrouwen, macht en geweld gebruikten was de sergeant genoodzaakt de gevangene terug te voeren naar Eeklo en hem af te leveren in de handen van onze schout die Vincent overnam als gevangene van de grafelijke baljuw.

Nadat deze laatste het gebeurde had vernomen stuurde hij enkele van zijn dienaars naar Eeklo om de Eeklose wet aan te manen en te eisen dat men aan de verantwoordelijke de hem toebehorende gevangene zou uitleveren.  Eeklo weigerde en stelde de uitlevering met de verklaring (van de Eeklose schepenen) dat zij wettelijk niet in aantal waren om tot het uitleveren over te gaan.  De grafelijke dienaars moesten met ledige handen terugkeren met de boodschap dat Eeklo bleef weigeren.  Daarop kwam de opperbaljuw persoonlijk en vergezeld van zijn gevolg naar Eeklo.  Hij begaf zich naar de afspanning De Zwaan, op de Markt, waar de hogergenoemde schout verbleef die de verantwoordelijkheid droeg voor de bewaking.  De schout kreeg van de opperbaljuw, in naam van de graaf, het bevel de gevangene uit te leveren.  Zoals gevraagd gehoorzaamde de schout en hij leverde de gevangene uit in handen van onze grafelijke baljuw.

Deze laatste liet zijn dienaars de gevangene op een paard vastbinden met de bedoeling hem met zich mee te voeren.  Toen dit ter ore kwam van de burgemeester en schepenen begaven deze zich, vergezeld van een tweehonderdtal personen, ter plaatse bij de afspanning De Zwaan, waar de genoemde baljuw klaarstond om met de gevangene de terugreis aan te vatten.  De koorden werden doorgesneden en de gevangene van het paard gehaald met het gezegde dat hij nergens heen zou worden gevoerd.  Hoe lang en hoe goed de baljuw het ook wilde uitleggen dat de gevangene hem en alleen hem toebehoorde en dat het ter kennis brengen van de misdaad hem moest toebehoren en niettegenstaande zij geen wantrouwen voelden tegenover zijn persoon, moesten zij eerst en vooral niet onwillig zijn in hun berechting voor ons of onze mensen uit de Grote Raad.  In elk geval waagden de vertegenwoordigers van de Eeklose baljuw, burgemeester en schepenen en hun aanhangers de genoemde Vincent, zijn gevangene door daad en macht uit de handen van de grafelijke baljuw te halen.  Dit gebeurde met levensgevaar voor de baljuw, deze zaken zijn zo voorgevallen en nadat deze ter kennis zijn gekomen, hebben wij ons doen inlichten over de waarheid van het gebeurde.


Na het bekomen van de gegevens is de zaak voor de Grote Raad gekomen, waar onze procureur-generaal de hogergenoemde vertegenwoordiger van de Eeklose baljuw, burgemeester, schepenen en andere, personen die hebben deelgenomen aan de opstandige beweging en de uitvoering ervan in staat van beschuldiging werden gesteld en voor de Grote Raad verschenen om er te worden terechtgesteld of gestraft, dit naargelang van de aktieve deelname aan deze zaak.  Maar de voorgenoemde burgemeesters, schepenen en andere notabelen (particulieren) overladen door de voornoemde mededelingen, biechtten de hoger genoemde feiten op, smeekten nederig om vergiffenis en hoopten op vergeving van hun wangedrag.  Voor wat de hogergenoemde zaken betreft beschouwen wij vergevensgezindheid en met medelijden de genoemde burgemeesters, schepenen en andere notabelen die schuldig zijn aan de genoemde daad, willen in dit geval medelijden (misericorde) verkiezen ten opzichte van de gerechtelijke werking en hopen dat in het vervolg zij zich zullen gedragen en houden zoals het past als goede, echte en loyale onderdanen moeten doen tegenover hun prins en dat zij zullen gehoorzamen aan het gerecht zoals het hoort.  Onze genoemde burgemeesters, schepenen en andere notabelen, voorbehouden en niet inbegrepen de baljuws (vertegenwoordigers) en de schout van onze genoemde stad Eeklo tegen degenen hebben wij onze procureur voorbehouden en zullen voorbehouden zijn aktie en vervolgen van het proces.  Hebbende onze zekere wetenschap en gratie, sparen en vergeven we de daad, en zaak van de hogergenoemde ongehoorzamen tot de gezamelijke straf en lichamelijke en strafrechtelijke boete.

In dit geval kunnen zij zich vergist hebben tegenover ons en onze justitie maar in het beding en onder hetgene zij zich zullen beklagen tegenover ons en onze genoemde grafelijke baljuw op de volgende wijze.  Het is te weten dat tussen de dag van heden en de dag van St.-Johannes de Doper, toekomende, zal er op een zondag, deze die wordt aangeduid en hun openbaar gemaakt worden door onze genoemde baljuw, dat men een processie zal houden in de voornaamste kerk van onze stad Eeklo, de vertegenwoordigers van de wet, 't is te weten de genoemde burgemeester, schepenen en nog twintig der notabelste personen van de genoemde plaats, deze die onze genoemde grafelijke baljuw zal voorstellen en aanduiden, en anderen (vermoedelijk een tweehonderdtal) , zoals bij de gebeurde rebellie, die allen deelnemen aan genoemde processie zullen bidden en smeken
(verzoeken) met luide stemme en geknield, om barmhartigheid aan ons en onze genoemde grafelijke baljuw inde persoon van onze genoemde grafelijke baljuw die er trouwens zal aanwezig zijn.  En weeklagend tegenover ons zullen zij burgerlijk veroordeeld worden tot het betalen en verpachten de som van vijfhonderd gouden schilden (escus) in de handen van onze beminde en trouwe raadgever en ontvanger-generaal van al onze financiën, Guot de Champs.  Dit binnen de tijd van het komende Pinksteren.  Guot de Champs zal ten onze voordele de ontvangst waarnemen.

Wij geven in schrift over de bedreven fouten op de daad, aan onze ontvangers van domeinen en financiën, aan de mensen van onze grote Raad en onze grafelijke baljuw van Vlaanderen, en aan alle rechters en officieren die kunnen en zouden raken en toezicht houden dat onze toegestane medelijden, kwijtschrift, vergiffenis alsook door de wijze van begrip de hogergenoemde zaken ze laten leiden en laten de genoemde burgemeesters, schepenen en andere particulieren niet inbegrepen de genoemde baljuw, zijn vertegenwoordiger en schout van Eeklo, volledig en vreedzaam verblijven en gebruiken zonder hun te stellen of te geven niet af te zien van de gebeurde daad, gesteld of gegeven geen enkele ongehoorzaamheid of het tegenovergestelde verhinderen.  Daar het ons aangenaam zou wezen, indien het zo gebeurde.  In getuigen van hetgene we hebben gedaan, hebben wij er onze zegel aangevoegd.  Gegeven in onze stad Brugge, de xiije dag in april het jaar der gratie duizendvierhonderd acht en vijftig na Pasen.


Geschreven op de omslag (rug) door de heer hertog.  En getekend Milot.  Als we de uitspraak doorlezen kan men zich toch niet van de indruk ontdoen dat de opgelegde straf een zeer zware last legde op de Eeklose bevolking.  We moeten vooral rekening houden met de toenmalige manier van het innen van de fiscale gelden.  Wel waren er algemene heffingen, zoals op de "cautsiede" (straten), het op de markt brengen en verkopen van textielprodukten, namelijk "vander ellene".  Van het graan dat te Eeklo op de markt kwam was ook een heffing voorzien.

Hetzelfde was van toepassing voor elk aangebracht varken, "het swijnenbesiens".  Verder waren er de rechten op erfenissen, het verkopen van onroerende goederen, het verhandelen van drank, het keurbroederschap voor nieuwe inwoners.  Bij het uitwijken naar andere gemeenten of steden diende die persoon een bedrag te betalen die ook de tiende penning werd genoemd (39).  De opgelegde geldelijke boeten waarvan een gedeelte aan de stad kwam.  Zo konden ook bepaalde straffen worden afgekocht, bijvoorbeeld verbanningen.  Verbanningen waren nogal dikwijls toegepaste straffen.  In 1429 is er een inkomst over gedeeltelijke afkoop van een verbanning (40).

De graaf legde soms betrekkelijk zware heffingen op gemeenten en steden, dit naargelang van zijn financiële behoeften en noden.  In de grafelijke "bede" of "subvencie" was Eeklo "contribuante" in het aandeel dat het Brugse Vrije regelmatig schuldig was voor geldelijke bijdragen aan graaf en koning.  Vooral in oorlogsjaren stond het stadsbestuur en de bevolking voor grote en vele offers.  Als enige tegemoetkoming kon Eeklo spreken van de jaarlijkse inbreng van Lembeke.  Zij was "contribuante" aan de stad Eeklo en diende alle jaren haar aandeel in te brengen (41).

Het bedrag bedroeg in die periode gemiddeld achtenveertig ponden parisis.  Toen moest Eeklo opnieuw een vraag aan de generale ontvanger van Vlaanderen richten om nieuwe belastingen te mogen heffen.  Eeklo verkreeg op 29 april 1458 een vergunning om de belastingen te stellen.  Die kosten bedroegen achttien ponden, wat toch betrekkelijk hoog was.

Lembeke dat ook werd aangeslagen om in de kosten te delen die door dit proces waren gemaakt of nog moesten gemaakt worden, weigerde te betalen, De Eeklose bevolking was hevig ontstemd over het Lembeekse verzet en eiste zelfs dat het Lembeekse aandeel in de boete zou worden verhoogd "themeene peuple van Eeclo zeer qualic ghepayt was dat men vele meer up hemlieden stellen soude".

Uiteindelijk kwamen Eeklo en Lembeke tot het volgende akkoord.  Eeklo zou nog een belasting leggen.  Indien deze niet voldoende was, zou Lembeke het ontbrekende bijleggen.  Verder zullen we zien dat Lembeke blijft weigeren en deze zaak zelfs aanhangig maakte bij de Grafelijke Raad.  De gerechtskosten kwamen zwaar aan en bereikten voor 1458 en 1459 een bedrag van 574 ponden parisis.  Voeg daarbij de geldelijke boete en Eeklo zat met een totaal bedrag van duizend zevenhonderd en vierenzeventig ponden parisis.  Toen de dag van de openbare vergiffenisvraag was aangebroken, bleek de hoofdkerk van Eeklo voor het grootste gedeelte gevuld met inwoners van Maldegem.  Eindelijk was het toch zover gekomen !  Eeklo, de stad die was opgericht om hen klein te krijgen, kreeg na een zware financiële klap, ook de grote morele toegediend.  Kon de vernedering nog groter zijn ?

Luidop knielend moesten de burgemeester, zijn schepenen en twintig notabelen of de elite van deze hoofdstedelijke gemeenschap samen met ongeveer tweehonderd andere Eeklonaren hun schuld en spijt onderdanig bekennen, erkennen en daarenboven om barmhartigheid smeken.  Kon er voor de Maldegemse bevolking een betere weerwraak bestaan ?  Neen !  De openbare afstraffing moet voor Eeklo dubbel zwaar zijn aangekomen.  Bijna altijd werden zij door de grafelijke Raad in het gelijk gesteld, steeds konden zij zich tot hen wenden.  Zij werden altijd met een zekere waardigheid behandeld, aangehoord en geholpen.  Zelfs het schepencollege van het Brugse Vrije moest in zijn tussenkomsten ten gunste van Maldegem de duimen leggen.  Eeklo stond te sterk met zijn keurbroederschap.  Nu er een aktie was gebeurd, weliswaar uit hoofde van hun privilege dat Eeklo het recht gaf om elke keurbroeder door zijn eigen vierschare te laten berechten, speelde de graaf zelf voor rechter.  Het was een zware morele straf, waarover Maldegem zich vele dagen en avonden kon verheugen en verblijden, de Maldegemse brouwers konden met moeite op tijd het bier brouwen.  Het tekort werd zelfs van Biervliet ingevoerd en diende samen met het Maldegemse leedvermaak als medicijn voor hun jarenlange discriminatie ten opzichte van de stad Eeklo.

Vergeet niet dat Maldegem met de processen van Jan de Ketelboetere — zelfmoord vrouw Boudewijn van Synaij en dat van Hannekin de Machy, voor de grafelijke Raad werden veroordeeld, maar deze processen in beroep voor het Parlement te Parijs bracht waar ze pas na jaren (Jan de Ketelboetere na 15 jaren) werden uitgesproken en dit telkens in het nadeel van de Heerlijkheid of het Ambacht Maldegem, tevens een bevestiging waren van de vroegere uitgesproken vonnissen.

Wat heeft dat aan de Maldegemse gemeenschap niet gekost ?

Hun generaties lange opgekropte machteloosheid en het steeds maar achter Eeklo in de rij moeten staan kreeg nu een gretige, volksblijde, bijna kinderlijke oplossing die zich manifesteerde in maandenlange drukke gespreksavonden met als enig onderwerp de dubbele straf die Eeklo kreeg.  Het kon niet mooier !  Maldegem herleefde op een volkse wijze.  Het nam op een zeer Breugheliaanse wijze weerwraak.  Als we de boete van vijfhonderd gouden schilden, muntstuk genoemd naar het afgebeelde schild, bekijken komen we tot de vaststelling dat dit een enorm zware financiële straf is.  De vijfhonderd gouden muntstukken vertegenwoordigden toen een waarde van twaalfhonderd pond parisis.  Als we de stadsrekeningen uit de periode 1402-1470 onder ogen nemen, komen we tot een gemiddelde jaarlijkse stadsbegroting van ongeveer zevenhonderd vierenvijftig ponden parisis, hetzij ongeveer tweederden van de geldelijke straf.  Als we nu een vergelijk maken  met de huidige Eeklose stadsbegroting die ongeveer vierhonderd miljoen bedraagt, zouden we mogen besluiten dat Eeklo, mocht het veroordeeld worden tot een evenredige boete, dit bedrag zou oplopen tot meer dan vijfhonderd miljoen frank.  Zonder te spreken van de reeds gemelde kosten en de bijkomende interesten e.a. die uiteindelijk zo hoog opliepen als de boete zelf.  Keren we nog even terug naar onze twee gemeenschappen.

Wat was de reden om mijn aandacht opnieuw aan de "Eeklose Dobbelgebakkene" te schenken ?  Wanneer greep de figuurlijke geboorte plaats van die Eeklose spotnaam ?  Ziehier dan: in de stadsrekeningen kwam, na de uitspraak van de grafelijke Raad op 14 april 1458 waarin Eeklo tot de zware boete en openbare vergiffenisvragen werd veroordeeld, een merkwaardige uitgave voor.

In die tijden betekende de Vastenavond een hele feestviering en ging gepaard met veel eten en drinken; kluchten werden op allerlei manieren gevoerd.  De spot en lach hingen in de lucht.  Op deze avond vergat men zorg en leed.  Toen greep het doopsel van "de Eeklose Dobbelgebakkene" plaats, die avond kreeg Eeklo zijn echte spotnaam.  Want op die avond kwam er een zeer grote menigte inwoners van Maldegem naar Eeklo op bezoek.  Ze kwamen hier feest vieren, de spot drijven met de Eeklose stedelingen.  Hun getal was groot en om ze te paaien werden een aantal onder hen op het stadhuis ontvangen en bedacht met vier kannen wijn (42).

Er werden eveneens "esbastements" opgevoerd, wat kluchten, grappige of spottende toneelstukken betekende.  Wat nog meer wijst op het doopsel van de Eeklose spotnaam is het feit dat Maldegem nog nooit voordien na een gerechtelijke uitspraak Eeklo op Vastenavond had bezocht, dat Maldegem de eerste Vastenavond na de uitspraak zich van zijn vele jaren gevoed minderwaardigheidscomplex kwam bevrijden.  Eeklo was reeds vernederd nu werd het daarbij nog belachelijk gemaakt door zijn buur Maldegem.  U kan zich afvragen, durfde Eeklo niet reageren ?  In die tijd was tegen het overkomen van een grote menigte geen onmiddellijk verhaal.  Wel zien we dat na die fameuze Vastenavond het voor altijd is gedaan met op deze dag Eeklo aan te doen, juist de eerste Vastenavond na het openbaar vergiffenis vragen van Eeklo, kwam Maldegem zijn rivaal op hogergenoemde wijze bezoeken.  In de jarenlange konflikten, twisten tussen beide gemeenschappen en het steeds maar gelijk halen van Eeklo, ligt het verhaal van "de Eeklose Dobbelgebakkene" die zijn naam kreeg na de veroordeling van Eeklo door de grafelijke Raad.  Het werd op die Vastenavond door het leedvermakende Maldegem met zijn spotnaam gedoopt: de Eeklose Dobbelgebakkene ! De uitspraak voor de Raadkamer kostte aan schrijfwerk en zegelen de som van 48 ponden parisis.  Eeklo kon de opgelegde boete op de voorziene vervaldag niet betalen, er was een uitstel gegeven tot en met Sinksen.  Niettegenstaande vele inspanningen kon Eeklo de nodige gelden niet tesamen krijgen (43).  U ziet het ging zeer moeilijk voor Eeklo, temeer daar Lembeke weigerde zijn deel in die boete te betalen.  In het begin van de meimaand waren enkele Bruggelingen verzocht om aan de stad Eeklo het ontbrekende geld te lenen.  Daarvoor kwamen enkele dagen later twee personen, Heydric van Bernem en Jan Wante naar Eeklo.  Wie waren deze personen ?  Over Heydric van Beernem weet ik alleen dat hij een Brugs poorter was, meer niet.  Jan Wante was een belangrijke Eeklose keurbroeder, die verscheidene jaren schepen was te Eeklo, ja, zelfs burgemeester in 1421.  Vermoedelijk is hij kort na 1428 naar Brugge uitgeweken waar hij wordt vernoemd als Brugs poorter.  Zijn zoon (?) Alaert Wante bekleedde te Eeklo vele jaren het schepenambt en was ook in 1457 burgemeester.

Waarschijnlijk door de familiale relatie tussen de hogergenoemde Jan en Alaert Wante, kon het Eeklose bestuur de twee personen vinden die zich borg stelden voor lening.  Beiden gingen akkoord zich borg te stellen bij Brugse geldwisselaars (44).

Om aan het nodige geld te geraken werden de Eeklose burgemeester Alaert Wante en de klerk Jan Van den Hende, in de meimaand naar Brugge gestuurd.  Hun opdracht was om de zaak te regelen en het geld te vinden bij de een of de andere geldwisselaar.  Zij bezochten verschillende personen, o.a. Gheeraert de Fever en Jan Roelants.  De twee hogergenoemde Bruggelingen, Heyndric van Bernem en Jan Wante waren dus bereid zich borg te stellen voor de Eeklose schuld die werd geleend bij de wisselaars Jan Roelants en Gheeraert de Fever.  Toen de vervaldag was aangebroken weigerden de wisselaars nog uitstel te geven.  Ze dreigden zelfs om de borgpersonen aan te houden.  Om deze behandeling te voorkomen werden enkele dagen later te Brugge en dit op klacht van Heyndric van Bernem, enkele Eeklonaren gevangen genomen (45).

Omdat Heyndric van Bernem het verzoek tot uitstel inwilligde kreeg hij als blijk van dank, een zilveren schaal, waarde 12 ponden parisis.  De stadsklerk Jan Vanden Hende kreeg ook een grotere vergoeding voor al het werk (overuren) die het stellen van de bijkomende belastingen en het innen van deze gelden hadden medegebracht.  Het waren wel "zware lasteghe zettinghen buten costume", wat wel wijst op het feit dat ze zelden werden toegepast.  Het bijkomende bedrag bedroeg 30 ponden parisis.  De 16de juni kwamen enkele afgevaardigden van de ontvanger van het "slands vanden Vrye" o.a. Jan van Meetkerke.  Zij hadden als opdracht om te zien hoe en wanneer Eeklo zijn aandeel in de grafelijke ondersteuning ging betalen.  Deze aanmaning in de ondersteuning van het Brugse Vrije kwam zeer ongelegen.  De gevraagde vrijstelling werd geweigerd !!  Voor de zoveelste maal mocht Eeklo de toelating aanvragen om een belasting te mogen heffen.  Deze nieuwe belasting diende om aan het verlangen van het Brugse Vrije te voldoen en met de overschot nog enkele nakomende kosten van de zaak Soetaert te regelen.  De reaktie van de Eeklose bevolking was bitter en hard.  Daarom stuurde het Eeklose stadsbestuur zijn burgemeester Pieter De Munster en schepen Jan de Nickere naar de Raadskamer te Gent met een verzoekschrift tot uitstel van betaling.  De opgegeven reden: de arme toestand van de Eeklose inwoners en ook omdat de dagen zo kort waren (46).

De maand nadien mocht burgemeester Pieter de Munster terug naar de Raad om te zien als de toelating klaar was.  Hem was opgedragen aan te dringen "omme die te vercrighene ten minste coste vand stede van Eeclo".  Tussendoor kon Maldegem het niet laten voor de zoveelste keer een Eeklose keurbroeder gevangen te nemen.  Toch moest de 14de mei de Eeklose burgemeester naar Maldegem om er de vrijlating van de Eeklose keurbroeder Arnoudt Sanders te bekomen.

Maldegem gaf daar gevolg aan.  Op het einde van de maand kregen de Brugse wisselaars Gheeraert de Fever en Jan Roelants een bepaalde afkorting op de Eeklose stadsschuld.  Jan Van den Hende had de opdracht om het verzoekschrift te Gent af te halen.  Het verzoekschrift om uitstel tot betalen, werd geweigerd.  Dezelfde persoon en burgemeester Alaert Wante gingen in de maand juni een verdere afkorting uitvoeren bij de twee Brugse wisselaars.  Enkele dagen later reeds moest Alaert Wante aan de twee geldschieters uitstel tot betaling vragen.  Het werd hem toegestaan tot en met "Sente Bavendaghe".  Dit uitstel was nodig doordat Lembeke nog steeds weigerde zijn deel in de boete te betalen, Lembeke bleef halsstarrig in zijn verzet.  Wat zeer begrijpelijk was, zij dienden immers een zevende deel in de jaarlijkse stadsuitgaven te betalen (47).

Maar in Lembeke vonden zij toch dat het nu wat te ver ging, en terecht !  Het richtte zich zelf tot de grafelijke Raad die zijn zittingen te Brussel hield.  Eeklo werd voor de Raad gedaagd.  De schepen Pieter de Munster en de klerk Jan Vanden Hende gingen in de wedemaand (juni) naar Brussel.  De grafelijke Raad ging terug naar Gent, waar de uitspraak zou volgen, beiden waren 6 dagen afwezig (48).

Zeven dagen later gingen dezelfde personen naar de Raad, nu te Gent.  Daar weigerde men de uitspraak te doen omdat zij zich niet bevoegd achtten om daarover een uitspraak te doen.

Beide Eeklonaren mochten terugkeren en de burgemeester Alaert Wante en de schepenen Jan de Nickere en Michiel Heylinc bij het Gentse schepenkollege brengen om een volmacht te laten opstellen.  In juli kwam Eeklo ter kennis dat Lembeke zich weer tot de Raadskamer had gericht, nu met klachten over het Eeklose stadsbestuur dat enkele Lembeekse personen had gevangen genomen uit wraak omdat de parochie Lembeke nog steeds zijn aandeel niet had betaald.  De 10de juli trokken de schepen Pieter de Munster en de stadsklerk Jan Vanden Hende naar de Raad te Gent met de geschriften en bewijzen dat Lembeke moest betalen, maar hun advokaat was afwezig.  Zes dagen later kon het dan toch gebeuren, en kregen beide partijen de rechten tot inzage van de nodige dokumenten.  Eeklo kreeg nog geen kans het volledige bedrag af te lossen.  De schuldeisers begonnen er zich druk over te maken.  De twee Bruggelingen Jan Wante en Heyndric van Bernem die zich voor Eeklo borg hadden gesteld bij de twee geldschieters, de wisselaars Jan Roelants en Gheeraert de Fever werden door de twee laatstgenoemde terug onder druk gezet.  Eeklo kreeg de dringende vraag om te betalen, daarom belastte het Eeklose bestuur zijn burgemeester Alaert Wante en de stadsklerk Jan Vanden Hende naar Brugge met de opdracht toch nog wat uitstel trachten te verkrijgen, hetgene de Brugse geldschieters weigerden, "maer seyden dat zy onsen borghen souden doen vanghen also varinc (zodra) als huenen dach (vervaldag) ghevallen ware".

De eerste dag van oktober was het zover.  Enkele Eeklose keurbroeders waren gevangen genomen op klacht van de borgpersonen Jan Wante en Heyndric van Bernem, Burgemeester Alaert Wante en de stadsklerk brachten de 3de oktober bezoek aan de Brugse borgen.  Deze beweerden dat, voor enkele dagen, ze zelf waren gevangen gezet en maar waren vrij gelaten op voorwaarde dat ze zelf initiatieven zouden nemen om het verschuldigde bedrag te kunnen innen.  Alhoewel de Eeklose afvaardiging beweerde dat er geen keurbroeders mochten gevangen worden genomen, bleven de Bruggelingen op hun standpunt.  Bij hun terugkeer te Eeklo weerlegde het stadsbestuur samen met de notabelen en de opgekomen inwoners de Brugse versie.  Ze waren unaniem akkoord dat bij het gevangen nemen van Eeklose personen, als dwangmiddel tot het betalen van het achterstallige van de door de graaf opgelegde boete, het alleen de burgemeester of schepenen mochten zijn.  De Eeklose vraag om een copie te hebben van het recht tot gevangenneming van Eeklose keurbroeders werd niet toegestaan.  Uiteindelijk moest Eeklo toch toegeven.  Zij stuurden op 6 oktober hun burgemeester Alaert Wante, de schepenen Pieter de Munster en Jan de Nickere, samen met hun stadsklerk Jan Van den Hende naar Brugge om de Eeklose keurbroeders vrij te krijgen.

Daar werd gevolg aan gegeven op voorwaarde dat hun plaats werd ingenomen door de Eeklose burgemeester en schepen Pieter de Munster.  Na het zien van het dokument berustten de Eeklonaren in de voorwaarden en trokken de beide laatstgenoemden in gevangenschap, de andere schepen Jan de Nickere en de stadsklerk kwamen alleen naar Eeklo.  's Anderendaags nu hun aankomst werd een vergadering gehouden met de overige schepenen, de notabelen, de ouderlingen "endre andren vand stede".  Daarop werd de toestand bekend gemaakt.  De Eeklose desem bleef maar verzuren !  De vergadering besloot dat men het nodige zou doen.  Men voorzag nog drie aflossingen.  De Brugse wisselaars aanvaardden het gevraagde uitstel en waren akkoord over de datum van de laatste afbetaling.  Door dit akkoord waren de Eeklose burgemeester Alaert Wante en schepen Pieter de Munster vrij.  De Eeklose lijdensweg liep naar het einde.  Niets was hun gespaard gebleven, noch de geldelijke boete, noch de morele openbare vernedering in de hoofdkerk, neen, het was nog niet voldoende, zelfs de Eeklose burgervader en een van zijn schepenen Pieter de Munster, een der vooraanstaande personen te Eeklo moesten in de gevangenis.  Pieter de Munster was schepen te Eeklo in de jaren 1431, 1446, 1451, 1454 en burgemeester in 1445 en 1449.  Hij was samen met Michiel Sersanders een niet toegevende onderhandelaar in de vele tussenkomsten met de Wet en de heren van Maldegem.  Hij werd trouwens, tijdens zijn laatste schepenambt gedurende een officiële opdracht te Maldegem, gevangen gezet door de Maldegemse Wet.  Op 28 oktober bracht Jan Vanden Hende, dit volgens het nieuwe akkoord, een eerste afkorting aan Heyndric van Bernem.

De 18de november kreeg laatstgenoemde een tweede bedrag, om zes dagen later uit handen van de Eeklose burgemeester Alaert Wante en de Eeklose stadsklerk Jan Van den Hende het saldo te ontvangen "omme vullle betaelinghe te doen vander vornoemde beteringhe ende de quitachie".

Op deze reis waren ze ook vergezeld van een Eeklose notabele Cornelis Poppe.  Het drietal moest trachten "ooc wat ghelte thoelne (halen)" bij de een of andere Brugse geldschieter.

1459 De problemen in verband met de Lembeekse bijdrage in de Eeklose boete kreeg maar geen oplossing.  Het Eeklose schepenkollege, samen met de notabelen hadden de burgemeester afgevaardigd om daar een verzoekschrift af te geven met de vraag om een bevelschrift tegen Lembeke op te stellen.  De vierde dag in de wedemaand (juni) reisden schepen Jan van Honderdale en de stadsklerk Jan Van den Hende naar de grafelijke Raad te Ieper om daar raad en advies in te winnen om de problemen met Lembeke te kunnen oplossen (49).

Tien dagen later stuurde Eeklo terug zijn burgemeester en klerk naar Brussel om toch een bevelschrift te verkrijgen vanwege de grafelijke Raad om Lembeke te doen dagvaarden.  Hun opdracht was om het op de 14de mei aangevraagde bevelschrift te kunnen bekomen.  Door allerlei redenen kreeg Eeklo het gevraagde document niet.

Tevens hadden zij als opdracht om een nieuwe procureur te zoeken.  De voorgaande wou het niet meer doen.  Een procureur was toen een rechtsgeleerde die in het proces een partij vertegenwoordigde.  Enkele dagen later gingen de Eeklose burgemeester Vincent de Munster, de schepenen Michiel Blondeel en Jan van Honderdale samen met de stadsklerk Jan Vanden Hende naar het Gentse schepenkollege.  Het was om een volmacht te laten wettigen waarin meester Griffoen de Smedt van de grafelijke Raad de machtiging kreeg te Brussel op te treden als de procureur die daar de Eeklose belangen zou behartigen.  Na het bekomen van de gewettigde volmacht bracht Jan Vanden Hende deze onmiddellijk over naar Brussel.

Weer dienden verschillende gegevens op papier gezet.  De zaak met Lembeke kwam niet op gang.  Enige tijd later stuurde Eeklo Adriaan de Vliegher naar Brussel bij meester Griffoen de Smedt, de Eeklose procureur in het proces met Lembeke om deze te verzoeken zich naar Gent te begeven, voor een onderhoud met meester Joris de Bul, commissaris.  De laatste titel wees erop dat meester de Bul ook met grafelijke opdrachten werd belast.  Het onderhoud ging over de zaak met Lembeke.  Op een door Eeklo voorziene verzoeningssamenkomst in de maand augustus, waren aanwezig de schepen Aernoudts Sander, de stadsklerk Jan Vanden Hende en meester Joris de Bull.

Meester Griffoen de Smedt ontbrak evenals de tegenpartij Lembeke.  Daarom besloot men om Lembeke te dagvaarden "teenen zekeren daghe".

Uiteindelijk besliste Eeklo toch weer een samenkomst met Lembeke te beleggen waarop men zou trachten tot een akkoord te komen.  Men kwam te samen bij meester Griffoen de Smet.  De toevoeging van het woord meester, wees erop dat de persoon in kwestie universitaire studies had gedaan in het Romeinse recht.  Verder waren aanwezig de Eeklose burgemeester Vincent de Munster, de Eeklose stadsklerk en de delegatie van Lembeke.  Het moet een zeer bewogen bijeenkomst zijn geweest.  Lembeke die "loochende huerlieder scrifturen ende insghelyck kenden en loochende de vornoemde van Lembeke de onsen vanden vornoemd ghedinghe".  Deze vergadering moet zeer gespannen zijn verlopen en een steeds herhalen zijn geweest van de standpunten der beide partijen.

Trouwens, de Eeklonaren "waren huut elc drie daghehn", anders was dat voor een bijeenkomst te Gent, een of maximaal twee dagen.  Nu waren er drie.  De 12de november droeg de Eeklose raad zijn klerk op zzz om kontakt op te nemen met meester Griffoen de Smedt.  Zijn taak was, met de Smedt de zaak Lembeke te bekijken en er werk van te maken.  De reis van de stadsklerk was tevergeefs want de rechtsgeleerde bleek afwezig te zijn.  Alhoewel Lembeke en Eeklo spraken van de dagvaarden heb ik toch de indruk dat geen van beide het tot een proces wilden laten komen.  Die indruk wordt versterkt door de volgende gegevens.  In het jaar 1459 de 18de "in lauwe (januari) waren ghesonden vincent munster burchmeester ende Jan vanden hende clerk te bruesel voor mine heeren vand groten rade omme raet en advys te vindene hoe men de sake noch soude meughe huutstellen tusschen die van Lembeke en onslieden van te moeten voortgane met onser informacie aengesien dat de tijd vaste naecte die ons voren gheconsenteert de welken vanden in huren (hun) Raet dat men de vornoemde sake tende de tiide van voren gheconsenteert noch wel verlanghe soude vj (6) weken tydts en waren de selve huut elc iiij daghe".

Eeklo vroeg nog uitstel en wou tenslotte de zaak in der minne regelen.  In de weken die daarop volgden hadden de Eeklose burgemeester Daneel Bertolomeeus, de zoon, en de schepenen Pieter de Munster, Jacop vanden Berghe, Pauwels Blondeel, samen met Jan Loy en de stadsklerk Jan vanden Hende verschillende gesprekken met Jan Hauweel over de verscheidene problemen die tussen Eeklo en Lembeke in de grafelijke Raad te Brussel nog hangende waren.  De samenkomsten grepen plaats te Kaprijke waar Jan Hauweel verbleef.  Deze was heer van Aveschoot en bekleedde verschillende openbare functies waaronder het ambt van schepen in het Gentse stadsbestuur.  Door deze laatste gesprekken met Jan Hauweel, heer van Aveschoot en Bardelare werd waarschijnlijk de zaak tussen Eeklo en Lembeke geregeld.  In elk geval zijn er daarna geen sporen meer over terug te vinden.

Men kan nu wel opwerpen, dat de Eeklonaren aangezien worden voor "Herbakkers" ?  Waar komt die naam dan vandaan ?  Die is zeer eenvoudig te verklaren.

Eeklo werd voor een moord gepleegd door een van zijn ingezetenen en waarvoor dat het stadsbestuur alles heeft gedaan om het gebeurde in de doofpot te steken, tweemaal zwaar gestraft: de grote geldboete en de vernederende openbare smeking om vergiffenis en erbarmen.  De stad Eeklo werd wel degelijk tweemaal of "dobbel" gebakken.  Maar de derde zware klap was een rechtstreeks gevolg van het hogergenoemde want door het feit dat men de aangegane lening, die moest dienen om de boete op tijd te betalen, niet kon afkorten moesten de Eeklose burgemeester Alaert Wante en schepen Pieter de Munster te Brugge in de gevangenis.  Dat Pieter de Munster als schepen van Eeklo ook in de gevangenis terecht kwam was voor de Eeklose tegenschrevers opnieuw een reden tot grote vreugde.  Pieter de Munster was niet alleen een invloedrijk man te Eeklo, maar telkens hij openbare ambten waarnam was hij een bikkelharde onderhandelaar die steeds zijn tegenstrevers de Eeklose Keure onder hun neus duwde.  Zo werd hij tijdens een officiële opdracht in 1452 te Maldegem door krijgslieden van de Heer van Maldegem gevangen genomen (zie O.M. 1985, nr. 1, blz. 2-3).  De gevangenneming van de Eeklose burgemeester en een van de voornaaste schepenen Pieter de Munster bezorgde aan de stad Eeklo de derde bakbeurt.  En hoe kan men een jachtdomein beschermen ?  Door een goede stroper tot jachtwachter te benoemen.  En wie kan er beter (op moreel en figuurlijk vlak) een persoon herbakken, dan de Eeklonaren die zelf "dobbel" werden gebakken met als toemaat de derde bakbeurt !

Beste belangstellende, ik heb mijn verhaal gebracht soms wat eentonig; maar alle feiten en gebeurtenissen zijn historisch en werden geput uit de navermelde bronnen.  Zo groeide mijn overtuiging dat de graven van Vlaanderen Eeklo in 1240 met een uitzonderlijke stadskeure begiftigden om de macht van de Heren van Maldegem te proberen breken.  Deze tweestrijd heeft Eeklo uiteindelijk zijn bekendste spotnaam bezorgd, "De Eeklose Dobbelgebakkene".

Voor de hulp bij vertalingen van oude Latijnse teksten ben ik dank verschuldigd aan de heren Jan Roegiers, hoofdbibliothecaris-archivaris van de K.U. te Leuven en E.H. Van Den Kerckhove, superior van het college te Geraardsbergen.

Romano Tondat

Bronnen:
Rijksarchief te Gent.
Stadsarchief te Eeklo.
L. Gilliodts-Van Severen: Coutumes des pays et Comté de Flandre-Coutume des villes d'Eecloo et Lembeke.
J. Buntinck: De Audientie van de Graven van Vlaanderen.
R.C. Van Caenegem: Les arrêts et jugés du Parlement de Paris - sur Appels Flamands I & II.

__________________________
(38)    Item es waer hoe dat tEeclo vornoemd biden toedoene vande dienaers van minen heere den souverain was brocht in echtinghe van vanghenesse, een Vincent Soetaerd f. Pieters, ons Cuerbroeder, die tandren tyden hadde ghedaen een fayt ende manslach hem an zegghende dat tselve tayt noch stonde onghebetert jeghens onsen ghedachts heere.  Mids welken wij burchmeester ende scepenen, metsgaders de stedehouder baillius van Eeclo, hopende ende meendende biden anbringhene vanden bailliu van Eeclo vornoemd dat de selve Vincent wel ende vulcommelic verbetert hadde, jeghen onse vorseiden heere, ter cause vanden selven tayte, daer of de vornoemde bailliu rekeninghe ende bewys ghedaen hadde, also hy seyde, voor miine heeren vande rekeninghe te Riselle, alsoot behoorde, ende dat binnen tyden ende wylen, inde de rechten ende costumen die men daer of houdt, trocken biden selven souverain ende bij eenighe van zine ghedeputeerde, hem de zaken te kennen ghevende ende biddende, dat hy den selven Cuerbroeder wilde laten onghemoyet ende ontslaen vande vornoemde vanghenesse, twelke hy geenssins doen ende wilde, maer quam daer naer omme den vornoemde ghevanghene tEeclo.  Niet jeghen staende mids den belette dat hem ghedaen was, vande vornoemde stedehouder, burchmeester, scepenen ende ander dier by waren, waer omme dat eeniche vander wet ende andre ghevanghen waren by minen hee1'e den souverain, ende de meeste menichte vanden jnsetenen vander vornoemde stede, ghedachvaert voor mine heeren vanden groten rade ons gheduchts heeren, omme aldaer thoorne den heesch ende clachte van minen vornoemde heere den souverain.  Waerup de vornoemde van Eeclo.  hem berieden met vrienden ende met ander advocaten ende procureurs, omme tbeste daer jn te doene, te minsten grieve, scade ende achterdeele vander vornoemde stede, ende vonden jn heur advijs biden ghemeender wet ende ander notable vander stede van Eeclo vornoemd.  Dat zy de vornoemde zake, gheheelic ende al bekeerden jn dordononchie van mine vornoemde heeren vanden groten rade, jn twelke vervolghen de costen va dien te gader ghesleghen vanden ghuen dier mede ghemoeyt waren vander wet ende vander ghevanghenen, bedraecht jn tgheheele, ter somme van iijc iiij ££, ix s. p.".   Terug naar de tekst
(39 "Item van Jan van Bruwaen vervremt uut Eeclo heeft vervanghen bii zinen eede ziin goet boven commeTe xviij p.p. daer of dat hij der stede heeft betaald over den x sten pennic xxx ij s. p." Terug naar de tekst
(40 "Item Lauwereins vander Brugghen die men zecht van Bulaere, was ghebannen te kerstavende (gedurende de volksvergadering, de jaarwaarhede genoemd) int jaer m. iiijc xxvij, iij jaer uten lande van Vlaenderen up ziin hooft, omme dat hii met Boudin Jans zone, Pieter Hendrix zwoer eenen quaden eedt, de welke Lauwereins quam up den xvij dach in lauwemaand ende wel dede der stede van iiij p. p.".  Met de toevoeging "up ziin hooft" beduidde dit: indien Lauwereins voor het verstrijken van de verbanningstermijn in Vlaanderen werd gevonden, hij zou worden terechtgesteld.  Hij kwam na twee jaar terug en kocht het laatste jaar van zijn verbarming af.  Terug naar de tekst
(41 "Item ontfangen van dien van Lembeke van dat de jaer costen van aerlieder zevenste deele meer draghende dan de profiten die sy met ons effen ende ghelden dit jaer xliij p. p. xs.".   Terug naar de tekst
(42 "Item xxiiij msporele (februari 1459) quamen tEeelo eene grote menichte van ghetale vandie van Maldeghem huut ghenouchten met speellieden hier dansen ende rijen te vastenavende ende meer andre esbastements bedrivene ende doende, hemlieden ghepresenteert cannen wijns van vij groot, comt lxj s. p. somme lxviij ponden parisis".   Terug naar de tekst
(43 "was ons hutstel ghegheven tot sinxene en niet langher, de welke tyt zeer naecte omme de somme te ghevene daer in ghecondempuneert waren niet jeghenstaen alle de neernstichede die wy daer in deden, ten mochte ons niet helpen omme de somme vornoemd te verghaderne ende ooc te verenighene" Terug naar de tekst
(44 Reeds in de 13de eeuw ontstaan in Vlaanderen leensystemen waarvan de Venetianen de promotoren waren.  Het was in Brugge dat de eerste zich kwam vestigen als wisselaars en geldschieters.  Vlug spreidden ze zich uit over de voornaamste steden in onze streken.
Veelal gebeurde het lenen van geld op volgende intrest: van 2 tot 3 penningen per pond en per week.  Dit gaf als jaarlijkse intrest een gemiddelde van 40 tot 60%, hetgeen enorm was.  Wel moet worden gezien dat de leningen meestal voor een korte duur werden toegestaan en dan nog in ruil voor bepaalde waarborgen.  Indien de wisselaars, die dikwijls ook een leenbank bezaten, aanzienlijke bedragen uitleenden gebeurde dit steeds met het optreden van derden als borg.  Lijken de intresten die de Venetianen vroegen aan de hoge kant, dat moet worden gezegd, in de steden waar zij niet bedrijvig waren, traden er niet-gepriviligeerde geldschieters op, die soms het dubbele vroegen.   Terug naar de tekst
(45 "Omme te hebben ghedaen vanghen te Brugghe, Herman Vrancke, Joos Riveel, Stevin Jans, Willem Wante en meer anderen onse ceurbroeders".  Dit gebeurt wegens het niet betalen van de voorziene bedragen.  Al die moeilijkheden kostten weer 34 ponden parisis.  Voor hun verblijfsvergoedingen kwam het op "item voor de selve ghevanghene betaelt van steencosten en mondcosten iiij ponden parisis".  Eeklo riep zijn notabelen en het volk tesamen om "omme remedie daer up te vindene zy en wilden ons gheen ghelove gheven voor de tyt dat de selve onse Cuerbroeders daer voren ghevanghen waren".  Een Eeklose afvaardiging bezocht Heyndric Bernem "en ghebeden dat hy of houwen wilden van meer van onse Ceurbroeders te doen vanghene, want gheconsenteert was biden vornoemde notable en ghemeenten (bevolking van Eeklo) dat men weghen soucken soude omme tvornoemd ghelt te vercrighene, twelke men dede en omme dieswille dat hy ons huutstel gaf tot wy noch eene zettinge (belasting) ghestelt hadden en die ghehint en ontfanghen en ooc ander ghelt ghecreghen, te coste welke rees wel twee maenden tyts of meer" Terug naar de tekst
(46 "omme al daerover te ghevene eene supplicacie, neerstelic bidden dat men ons langher respyt gheven wilden vande vornoemde beteringhen ende amende te betaelne dan gheordeneert was by minen vornoemde heeren, ghemerct de staet van den aermen ende scamelen inwonende ende den dach vandien zeer cort was en dat ooc vanden vornoemde inwonende commen moest by pointinghe en zettinghe als boven en voort oomme de vornoemde sententie die al doe noch niet bereet en was".   Terug naar de tekst
(47 "Item ontfanghen van dien van Lembeke van dat haer lieder eoste van haren zevensten deele meer draghen dan de profite die zy met ons effen ende gheldere jaerliex" Terug naar de tekst
(48 "voor mine heeren vanden grote rade, daer wy ghedaehvaert waren omme heesch (uitspraak) thoorne van dien van Lembeke, twelke niet ghezijn en conste, midts dat onse gheduchten heere was up zijn vertrecken te Ghendt waer daer gheseyd was dat men den vornoemde heesch horen soude en waren de selven huut vj daghen".   Terug naar de tekst
(49 omme raet ende advijs daer te nemene van zekere ter cause vond ghedinghe tusschen ons ende die van Lembeke en waren huut (afwezig) iiij daghe".   Terug naar de tekst

Separator

Maldegem, die Grote  1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  02-12-2019