Oud-Zomergem
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1986, 19de jaargang, nr. 2

Stoktevijver te Zomergem
Stoktevijver te Zomergem.
 

OUD ZOMERGEM (2)

Het zegel van de heerlijkheid Zomergem, zoals wij het op een akte uit 1782 gehecht vinden, dus het "ordinaire conterzegel van saecken", droeg voor rondschrift: "Sig. Scabinorum Toparc. de Somerghem ad causas".

Tot de heerlijkheid van Zomergem behoorden een groot getal lenen te Hansbeke, Oostwinkel, Wachtebeke, Sint-Kruis-Winkel, Zaffelare, Ertvelde, Kluizen en Landegem.  De voornaamste daarvan waren de heerlijkheden van Briarde en van Berendale, beide in Zomergem.  De eerstgenoemde is ons slechts uit de 18de eeuw bekend en De Potter-Broeckaert geven daarvan een denombrement:

"Een leen wesende d'heerlicheyt van Briaerde, gehouden van het leenhof van Somerghem, consisterende het foncier in een bunder land, ghelegen binnen deselve prochie, met welcke is gaende een heerlyck incommen van 3 pond. par. penninckrente, mitsgaders dry mudden en half evene en 36 ras ieren mouts, streckende op diversche gronden van erfven, onder deselve heerlycheyt sorterende, van welcke 36 rasieren mouts de voors. heere van Briaerde jaerlyckx betaelt aen den heere van Schipdonck ses deniers par. van elck rasiere, dies moet deselve heere van Schipdonck aen den heere van Briaerde ofte zynen ontvanger jaerlyckx overgeven den slag van het mout, als hy denselven heeft. - Item behoort ten dezen leene eenen bailliu ende seven schepenen, daer men recht ende vonnisse mee doen mach naer costume ende usantie van den heerscepe. - Item behoort tselve leen noch tol, vont, bastaerdegoet, van hondert ponden de sesse, kerckgeboden, dachvaerden ende dachwaerheden, goedinghe ende alle saecken daerop te berechten, die op de voors. heerlycheyt vallen mogen, boeten van dry ponden par. ende daeronder, ende voorts al sulcke andere seigneuriaele rechten, soo het behoort" (Notar. Akten, Nr. 168 - Archief van de Raad van Vlaanderen).

De herstelde kerk van Zomergem in 1924
De herstelde kerk van Zomergem in 1924.
 

In het begin van de 18de eeuw was de heerlijkheid van Briarde in het bezit van Jonker Jozef-Ghisleen Baudry de la Tramerie, baron van Roisin, die ze voor 750 pond groot op 27 februari 1712 verkocht aan Jonker Jacob-Anselm de Draeck, heer van Ter Kameren, bij akte verleden voor de notaris De Rynck te Gent.

De andere heerlijkheid, Berendale, behoorde aan de familie Adornes, reeds van in het midden van de 17de eeuwen zij bleef, samen met Briaerde, aan de heren van Ronsele toebehoren (= de barons de Draeck), tot op het einde van het Ancien Régime (De Potter-Broeckaert, Zomergem, blz. 16-17).

"Voorts noch een leen ghenaemt de heerlychede van Beirendaele, gehouden van den leenhove van Somerghem, emmers van het hof genaemt Schipdonc,, daervan oock dependeert eene heerlycke rente van twee pond 13 schellingen parisis, vyf cappoenen, twee gansen, thien hoenderen, ende tsestich haelsteren evene, gentsche maete, vallende Baefmisse, conform den renteboeck daervan synde, vermoghende oock een bailliu, seven schepenen, tol, vont, bastaerd- en stragiersgoet, boeten van dry ponden parisis ende daeronder, eene wettelycke hofwaerhede, eenen prater omme te schutten ende arresteren, emmers 't gene begrepen is in het denombrement daervan synde" (Papieren van de Oudburg; Rechterlijke stand, Rijksarchief Gent).

Elk van beide heerlijkheden had een baljuw en een schepenbank.  De heerlijkheid van Schipdonck moest ook het hoge justitierecht bezitten, want haar magistraat veroordeelde op 17 maart 1766 zekere Bernaard Haeck tot de galg, wegens het plegen van enige kleine diefstallen.

In 1804 bezat het Goed van Schipdonk, bij de vaart van Gent naar Brugge, een uitgestrektheid van 60 gemet (= 26 hectare) in land, weide en meers.  In de tijd van De Potter en Broeckaert, omstreeks 1870, was het een schaapgoed.

De pomp en het borstbeeld van Primus Steyaert in 1899
De pomp en het borstbeeld van Primus Steyaert in 1899.
 

De heerlijkheid Laatschip, welke evenals de twee vorige aan de heren van Ronsele toekwam, hing rechtstreeks af van de Oudburg te Gent, evenals de heerlijkheid van Zomergem.  Zij had een uitgestrektheid van ongeveer tien bunder land (= 30 gemet).  Zij omvatte "eene heerlycke rente van vyf ponden vyf schellingen parisis, vyf capoenen, negen hoenderen, en sekeren gront voortyds gebleven voor de rente, dewelcke syn geldene opsetene ende afsetene, uyt hunne gronden van deselve heerlyckhede gehouden, uytwysens den heerlyken renteboeck daervan synde; met vermogen bovendien van eenen bailliu, die weth doet met laeten, tol, vont, bastaerdegoet, boete van dry ponden parisis ende daeronder, marckgelt, dachwaerheden, eenen prater om te schutten ende arresteren, enz." (Uit de verkoopakte van de heerlijkheid van Ronsele, jaar 1699.  Oudburg; Rechterlijke stand.  Rijksarchief Gent).

Bekestraat te Zomergem
Bekestraat te Zomergem.
 

Herzele, een andere heerlijkheid binnen Zomergem, behoorde in het begin van de 16de eeuw aan Daniël van Herzele, ridder, heer van Lilaar, van den Hoorenschen, enz.  Later kwam ze aan de familie Snoeckaert en de opvolgende heren van Zomergem.  De heerlijke rechten en baten staan hieronder in het denombrement uitgedrukt: "Mer Daneel van Herzele, riddre, heere van Lilar, ende van den Hoorenschen, etc., hout een leen van mynen gheduchten heere den grave van Vlaenderen, van zynen casteele ende Auderburg, dwelck leen es bestreckende binnen Zomerghem ende meer andere prochiën daeromtrent, groot in winnende lande xiii bunderen, ofte daeromtrent; hier comt inne diversche heerlijcke rente siaers, te wetene, in penninckrenten xxvi ponden parisis, xv mudden evene, twee en veertich capoenen, xvi hoendren, van elcx luttel min of meer.  Hier behoort toe tol, vont, bastaerde, strygiers goet, ende confiscatien, boeten tot drie ponden parisis ende daerondre.  Ende een bailliu, een prater, zeven schepenen ende neg hen manscepen, van welcke manscepen de drie ligghen in de prochie van Wulpen onder dwater.  Dese manscepen zyn schuldich ter doot thien ponden parisis oft de beste vrome van drien, ende xx grooten van camerlinckgeldé, ende als zy verkocht worden ten Xn penninck relief ende camerlinckgelt.  De bailliu die doet alle wettelicheden mette mannen aft schepenen naer de qualiteyt van der zake ende alzoo dat ghecostumeert es.  Dit leen es gehouden te doen ontfaenc te myns gheduchts heeren behouf tzynen spyker te Gent, tweehondert hoet ruwer evenen (= haver), den slachpenninck xxxiii sc. iiii d., ende in penninckrenten vier ponden xv schell. x deniers xix parisis siaers.  D'eerve van desen leene ghehouden die es schuldich van coepe den XVn penninc, enz...." (Leenboek van de Burggravij van Gent, fol. 95 verso).

De heerlijkheid van Rijvisch, evenals de voorgaande een achterleen van het leenhof van Ronsele, behoorde aanvankelijk aan het oudadellijk geslacht van die naam, daarna aan de families 's Wilden, De Vos, Van der Vichte, Peterus, enz.  Zij strekte zich uit over 44 gemet land in de wijk Rijvers te Zomergem, had eveneens baljuw en schepenen en verschillende heerlijke rechten en inkomsten, in het hieronder staande denombrement opgesomd:

De oude toren en de eerste huizen van het dorpsplein in 1899
De oude toren en de eerste huizen van het dorpsplein in 1899.
 

"Roeland de Vos, als man van voochdien van joff. Josijne 's Wilden, fia Jans, ende huer ghetraut hebbende teenen wettelicken wive, hout een leen uut haren name van den eerweerdighen heer ende meester Jan Adurne, canoniek van Sente Pieters te Rijsele, 't selve leen ende heerlichede gheleghen binnen den ambachte ende prochie van Zomerghem, gheheeten 't heerscip te Rivisch, groot in eerven ontrent xliiii ghemeten lants, luttel min oft meer, van der mate onbegrepen.  Ten welcken leene behoort in heerlijcker ende eerfelijcker renten, vallende elcx jaers te Bamesse, zesse ponden zesse schell. ix deniers parisis, oock luttel min oft meer, xxviii hoenderen ende een alf, die diversche persoenen ende laeten jaerlijcx ghelden uut zekere plecken van grande; behoort ten voorn. leene een laetscip ende bailliu, die berecht dies te doene heeft op 't voors. heerscip metten erfachtighen laten, eerven ende onteerven, de voors. renten te innene ende te bedijnghene metten bailliu ende laeten voors.  Insghelijcx tol, vont, bastaerdegoet, boeten van drie pond parisis ende daerondre, marcgelt van c ponden de zesse, dachvaerden ende manen van overswaters, ende met alsulcken rechte van vrijheden, van sterfcoepe ende van wandelcoepe alser toebehooren.  Eenen prater te stellene, die scutten ende arresteren mach.  Oec mede behoort ten voors. leene een thiendeken, streckende up seker plecken van gronden ghelijc ment van ouden tijden ghehauden heeft.  Ende es 't voors. leen ende heerlicheyt belast met xxii scellinghen zes pen. parisis, daerutegaende den grave van Vlaenderen; welck leen staet ter trouwen, enz." (Leenboek van de Burggravij van Gent, fol. 99 verso).

Het binnenste van de kerk te Zomergem in 1903
Het binnenste van de kerk te Zomergem in 1903.
 

Ook deze heerlijkheid had dus baljuw en schepenen.  Een Gijselbrecht Rinvisch was schepen van der Keure te Gent, in 1313.  Hij voerde als wapen "de gueules à trois truites ou saumons d'argent" (drie zilveren zalmen op een rode grond).

De heerlijkheid van Hoetsel, of het Breusleen, bestond in 13 à 14 bunder land, binnen Zomergem, in het gehucht "genaemt Hoetselacker, streckende tusschen de Hoetselstraet ende Begerwaenstraet".  Ook deze heerlijkheid had baljuw en schepenen.  Zij behoorde in 1548 aan Antoon Bouns of Boens.  Omtrent het jaar 1700 was zij eigendom van Jw Maria Valcke, weduwe van Filips-Domien Papejans de Morchoven.  Een register van deze heerlijkheid berust in het gemeentearchief van Zomergem.

De heerlijkheid van St.-Pieters, gezegd het Proostsche in Zomergem, was vooral om haar oudheid merkwaardig.  De St.-Pietersabdij te Gent werd er door een zekere Wulfert van in het bezit gesteld in het jaar 814.  Daardoor had deze abdij aldaar "alle justitie, eene vrije jacht ende vogelrije".  De prelaat stelde er wethouders en officieren aan, gelijk in al zijn heerlijkheden.  Het denombrement van deze heerlijkheid is De Potter en Broeckaert niet in handen gevallen.  Maar zij vonden een uittreksel uit den Zwarten Boek, in een renteregister uit 1771 overgeschreven, dat men daar gaf "van wandelcoope, marctgeld ende van doodtcoop, beste hoofden, bastaerdegoet, confiscatie ende boeten van lx pond parisis, enz." (Gemeentearchief van Zomergem).

Het begin van de Dreef omstreeks 1930
Het begin van de Dreef omstreeks 1930.
 

De heerlijkheid van Overdam is ons bekend door een oorkonde uit het jaar 1346.  Zij behoorde toen aan zekere Ingelram Hauweels:

"Ik Jan van der Pieten, bailliu ende wetteleke maenre van Inghelram Hauweels, alse van sijnen heerscepe dat hi heeft liggpende binnen den ambachte van Zomerghem, ende dat te sijnen heerscepe toebehoort, ende Jan van Lake, scepene Inghelrames vorseit, ende die heeft desen tsaertre ghezeghelt up hem zelven alse scepene, ende Wouter de Meester, Jan de Herde ende Jan Stalpaerd, scepenen Inghelrams vorseit al se up dit vorseide heerscip ende ter selver tijd dat dese dinghen ghedaen waeren, doen te wetene ende maken kenlic allen denghenen die desen tsaertre sullen sien of hoeren lesen, dat quam voer ons alse voer den bailliu ende voer scepenen, die hier voernoempt staen, Jan van Lake ende kende ende lijde dat hi heeft verkocht wel ende redenleke Jan Daninc, drie pont parisijze tsiaers erveleke ende dewelcke gheduerende, omme eene somme van ghelde, van der welcker summe Jan van Lake voerseit kent wel ende lijt datse hem Jan Danin voerseit wel ende al vergholden heeft, ende dese voerseide drie pont parisijse tjaers heeft Jan van Lake voerseit wel ende wetteleke beset ende verseckert Jan Daninc vorseit up seven gemetene lants ligghende up Inghelrams voorseit heerscep Overdam in de prochie van Somerghem, streckende van der straeten van Overdam neven 't heerscep van Gavere, gaende toten Scraven kinder lande, ende an dander zijde es gheleghen Joncfrouwe Kateline van Schoubruch heerscep, ende huut desen vorseiden seven ghemeten lants zoe gaet te renten elkes tsiaers drie schellinghe parisis, enz...  Dit was ghedaen int jaer ons Heeren alse men screef dusentich drie hondert ende sessenviertich, sondaechs naer onser Vrouwen dach" (Charters van het Klooster van Zoetendale, 1215-1400, Rijksarchief te Gent. - De Potter en Broeckaert, blz. 20).

De heerlijkheid van Schouwbroek verschijnt op hetzelfde tijdstip, in 1346 (zie hoger).  Ook zij had een bijzondere schepenbank en een baljuw.  Zij bestrekte zich in Zomergem en Waarschoot en behoorde oorspronkelijk aan een familie met dezelfde naam.  Later, evenals de heerlijkheid van Beke, behoorde zij aan de dorpsheer, tenminste op het einde van de 17de en in de 18de eeuw.  Er bestaat in het gemeentearchief een Renteboek van deze heerlijkheid uit 1652.

De Dreef met het klooster en de schoolgebouwen vóór 1914
De Dreef met het klooster en de schoolgebouwen, vóór 1914.
 

Verder had men te Zomergem nog de heerlijkheid van den Rudder, met baljuw, burgemeester en schepenen.  Daar waren natuurlijk nog enclavementen van verscheidene heerlijkheden in de omliggende dorpen, zoals daar zijn: Ten Broeke, onder Ronsele; Kruisstrate, dat afhing van het leenhof van Lovendegem; de Platte Gaverij, die zich uitstrekte in Oostwinkel, Merendree en Zomergem; de heerlijkheid van Immetuin, onder Vinderhoute, en Leischoot, onder Oostwinkel.

Volgens het denombrement van de heerlijkheid van Vinderhoute, had de heer van dit dorp hier te Zomergem, op de Twaalf Bunder, een "vrije waerhede", waarop - na de uitroeping in de kerken van Zomergem, Waarschoot en Oostwinkel - de laten en leenhouders van het Vinderhoutse verschijnen moesten.

Het leen Te Staaktevijver, dat afhing van het Vinderhoutse, bestond uit een jaarlijkse penningrente van 8 ½ pond parisis, 4 kapoenen en 2 hoenders.

Een groot aantal leengoederen, in Zomergem gelegen, waren afhankelijk van het leenhof van Lovendegem.  Verscheidene andere, waaronder namelijk het Goed ter Meersch, met 10 bunder oppervlakte, waren gehouden van het leenhof van het Land van de Woestijne te Aalter.  Dit laatste vinden wij in de papieren van de Oudburg te Gent op volgende wijze afgepaald:

"Den wijck van den lande van de Woustyne van de voghelderije binnen de prochie van Somerghem, soo 't selve hier te voorent es verpacht gheweest aen Joos Martens; den selven wijck ligghende op de zuytzijde vande straete, commende van Urssel, tusschen de straete keerende aen het hof van Pieter de Zuttere, tot aen de vierweegsche, ende van daer al de straete loopende naer Bellem, daer ment noemt Zuttershouck; pachter bedeghen Jan de Perck, voor vier coppelen siaers, borghe ende princepael den bailliu Schelstraete (1680)" (Papieren van de Oudburg te Gent, Rebut, n° 309).

Alfons Ryserhove
(Wordt vervolgd).

Separator

Oud Zomergem 1 - 2 - 3 - 4

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  04-12-2019