Leeuwenjacht te Watervliet in 1931
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1971, 4de jaargang, nr. 4

Leeuwenjacht te Watervliet in 1931

Toen ik in 1965 regelmatig te Watervliet kwam, in verband met de opgravingen van het Wilhelmietenklooster, hebben verschillende belangstellende personen mij verteld over een fameuze jacht op twee losgebroken cirkusleeuwen aldaar en waarbij de betrokken dieren uiteindelijk neergeschoten werden.  Dit feit moest wel erg tot de volksverbeelding gesproken hebben.  Wegens de grote verscheidenheid in het voorstellen van die gebeurtenis, meende ik toen echter dat veel daarvan wel fel overdreven was.

Sinds enkele jaren dacht ik er niet meer aan, tot ik de heer Verstraete leerde kennen, die een schoonzoon is van de toenmalige brigadekommandant, eerste-wachtmeester Dockx, de man die gans het gebeuren persoonlijk heeft meegemaakt.  Samen met Kolonel Verbeke bracht ik hem een bezoek, om eindelijk eens het fijne van dit alles te vernemen, — een bezoek dat de heer Dockx graag aanvaardde.

Hoewel onze zegsman moeilijk loskwam over het eigenlijke voorval zelf (u zal straks lezen waarom !), was hij toch bereid ons de ganse geschiedenis te vertellen.

Einde februari 1931 was het cirkus Libot naar Watervliet gekomen.

De naam Libot genoot toen een grote bekendheid en het cirkus werd door zeer veel personen bezocht, zowel van Watervliet zelf als van de omliggende dorpen. Op zondag 2 maart 1931 greep er 's avonds opnieuw een voorstelling plaats. Ook eerste-wachtmeester Dockx, in burger en buiten dienstverband, was aanwezig met enkele van zijn vrienden, waaronder de toenmalige onderwijzer Baecke en nog een paar landbouwers, waarmee hij 's zondags regelmatig eens ging kaartspelen in de herberg «De Tramstatie». Alle zitplaatsen waren bezet.

Toen de vertoning met de leeuwen zou beginnen, verscheen er zeer kortstondig een leeuw op een soort podium, binnen een houten omheining. Plots verdween het dier spoorloos, vermoedelijk door de oude plankenvloer van het podium gezakt. Alles ging zeer vlug en het is een feit dat de twee leeuwen zich plots buiten het cirkus bevonden, zo maar los op straat. Men kan de paniek en de radeloosheid van de toeschouwers licht begrijpen !

Gelukkig was de heer Dockx toen aanwezig, evenals de toenmalige veldwachter Martens. Beide konden door hun kordaat optreden, met het nodige gezag, de bezoekers terug kalm krijgen en, na zich vergewist te hebben dat de leeuwen na enige minuten verdwenen waren, lieten zij de aanwezigen vrij ordevol het cirkus verlaten. Iedereen zocht zijn heil in de naburige herbergen of in de huizen van bekenden.

Intussen was ook de wachtmeester-eerste klas-te voet D'havé ter plaats gekomen. Beide rijkswachters togen naar het brigadegebouw om de overige gendarmen te verwittigen en te verzamelen, trokken hun uniform aan, namen de wapens op en gingen op zoek naar de wilde dieren. Aan de hand van sporen in de sneeuw werden de twee leeuwen teruggevonden op de plaats «De Maagd van Gent» genoemd.

De leeuwenjagers te Watervliet in 1931, met dhr. Dockx (midden) en met de
cirkusdirecteur (in burger). 

Foto in het bezit van dhr. Dockx.

Kort vóór de aankomst van de rijkswachters was er aldaar reeds een accident gebeurd.  Het cirkuspersoneel met de directeur en zijn dame hadden getracht de leeuwen te vangen, bij middel van werpnetten en van een verdovingspistaal.  Op een zeker ogenblik werd de dame ernstig gekwetst door klauwslagen en diende naar de kliniek te Eeklo te worden gevoerd.  Tengevolge van dit ongeval gaf de eigenaar aan de heer Dockx schriftelijk de toelating om de twee leeuwen neer te schieten; de waarde van deze dieren beliep toen ongeveer 15.000 fr.

Gezien de rijkswachters zich slechts met twee aldaar bevonden, keerden zij eerst nog terug naar het brigadegebouw, in de hoop er hun collega's aan te treffen.  Dit was inderdaad het geval; de overige gendarmen stonden reeds paraat en onmiddellijk vertrok men opnieuw naar de plek waar de leeuwen het laatst waren gezien.  En werkelijk, de wrede roofdieren lagen daar nog.

De groep werd in twee gesplitst en in een kwart-cirkel opgesteld.

Elke afdeling nam een leeuw voor haar rekening.  Alles verliep zoals gepland en omstreeks 4.30 uur in de morgen, bij een nieuwe lichte sneeuwval, waren de twee wilde beesten geveld en was alle gevaar voorbij.

Om dit uitzonderlijk feit in de herinnering te bewaren, stelde wachtmeester D'havé toen voor een groepsfoto te nemen, met de gedode leeuwen erbij.  Allen ging daarmee akkoord en een Eeklose beroepsfotograaf werd daarvoor aangesproken.

Doch nu begonnen pas de moeilijkheden voor eerste-wachtmeester Dockx, hoe ongelooflijk het ook klinkt !...  Er werd inderdaad een mooie foto genomen van de leeuwenjagers en hun buit; de fotograaf zorgde eveneens voor een vergroting en plaatste deze midden in zijn uitstalraam.  Het succes was buitengewoon en bracht voor zijn fotozaak een geweldige volkstoeiaap en grote verkoop mee, die verschillende dagen duurden.  Gans Eeklo en omliggende besprak de gebeurtenis, die afgebeeld was bij deze Eeklose fotograaf.  Het werd een ongehoorde reklame voor zijn bedrijf !

Enkele plaatselijke dag- en weekbladen wijdden een lovend artikel aan het gebeuren te Watervliet en aan de gendarmen-leeuwenjagers.  Daarmee scheen het gedaan te zijn.  Voor de heer Dockx echter had de geschiedenis nog een zeer bittere nasleep !

Een konkurerend fotograaf, die bepaalde relaties had bij de plaatselijke rijkswachtoversten te Eeklo, stelde er de zaak op zulke wijze voor dat het neerschieten van de leeuwen en vooral het nemen van de bewuste foto de Rijkswacht belachelijk had gemaakt.  Hij slaagde in zijn opzet, zowel te Eeklo als bij de hogere rijkswachtéchelons te Gent.  Het gedetailleerd rapport met betrekking tot de feiten, dat eerste-wachtmeester Dockx zorgvuldig opgesteld en aan zijn oversten gericht had, werd ingehouden.

Hij zelf werd herhaaldelijk bij zijn distriktskommandant te Eeklo ontboden en diende mondeling en schriftelijk uitleg en verrechtvaardiging te verstrekken in verband met zijn optreden.  De man die door zijn kordate en moedige houding — op leeuwenjacht gaan behoort niet tot de normale bezigheden of wettelijke verplichtingen van de Rijkswacht ! — samen met zijn personeel de bevolking van Watervliet van een echte angstpsychose bevrijdde en vermoedelijk ernstig onheil bespaard had, beleefde hierdoor wekenlang, op moreel gebied, een zeer moeilijke periode.

Zijn verdiensten werden ontkend en afgebroken; men noemde hem spottend «De Leeuw»; door zijn rechtstreekse chefs en door sommige van zijn collega's werd hij als het zwart schaap beschouwd, dat zich aan een tuchtstraf mocht verwachten, om het korps belachelijk te hebben gemaakt !...  Praktisch iedereen vond het de beste politiek iemand, waarop het kwade oog gevallen was, zoveel mogelijk te mijden...

Een brief van de burgemeester van Watervliet, gericht aan de bevelhebber van de Rijkswacht te Brussel, waarin hij de brigadekommandant om zijn kranig en gepast optreden geluk wenste, alsmede een — laattijdig — artikel in een Brussels dagblad, dat in grote letters een spannend relaas, met bijhorende foto, van de leeuwènjacht ten beste gaf, stelden toen de Rijkswachtstaf op de hoogte van de gebeurtenis en brachten kentering in die toestand.

Een telefoontje naar Gent, enkele militair-bevelende richtlijnen om dringende inlichtingen en gepaste voorstellen, brachten het administratief gendarmerieapparaat stante pede in werking...

De straf, door de distriktskommandant reeds schriftelijk vastgelegd en verzendingskiaar onder omslag, werd ijlings ingetrokken.  Eerstewachtmeester Dockx kreeg voor de zoveelste (en gelukkig de laatste) maal opdracht met de nodige spoed een uitgebreid verslag op te stellen en greep zuchtend naar zijn pen...

Kwestieus rapport, voorzien van de nodige, onder een gans nieuw daglicht uitgebrachte adviezen, werd zonder verwijl langs hiërarchische weg naar Brussel doorgestuurd... en korte tijd nadien werd korpsorder nr 39bis uitgevaardigd, waarin de Generaal-Rijkswachtkommandant in prijzende termen eerste-wachtmeester Dockx geluk wenste en uiting gaf aan zijn grote voldoening:

«Brussel, den 30n Maart 1931.
Gendarmeriekorps
Staf
Nr 39 bis.
ORDER
citaten :
Ik citeer aan de Order van het Korps:
1e) den 1e wachtmeester te voet DOCKX - 16515 - de gendarmeriebrigade van Watervliet commandeerende, om de volgende reden :
«Overste eener landelijke brigade en, op een Zondag avond, met een zijner ondergeschikten, als toeschouwers eene foorvoorstelling bijwonen de, en, het bericht bekend gemaakt zijnde, rond het einde der vertooning, dat een leeuwen eene leeuwin uit hunne kooi ontsnapt waren:
a) Blijk gegeven te hebben van gezag, van koelbloedigheid en van schranderheid met spoedig verstandige maatregelen te nemen dank zij dewelke eene ernstige paniek is kunnen vermeden worden;
b) De onderbrenging van het publiek in de naburige gebouwen te hebben geregeld;
c) Gedurende talrijke uren van den nacht, met gansch zijn personeel te hebben deelgenomen aan de jacht op de twee wilde dieren, jacht tijdens dewelke de temster wreed gebeten werd door een der roofdieren;
d) Behendige schikkingen te hebben genomen die hem en zijne manschappen hebben toegelaten de twee wilde dieren neer te vellen met, in samengetrokken vuren, de oorlogswapens en -schietvoorraad te gebruiken;
e) Aldus, door zijn moedig optreden, eene terecht beangstigde bevolking te hebben gerust gesteld» (Blijk van voldoening van den Heer Burgemeester van Watervliet).
2e) den 1e wachtmeester te paard VANDRIESSCHE - 1897 -, de wachtmeesters van 1e klas te voet STEYAERT - 15554 -, D'HAVE - 16377 -, den brigadier te voet VANDERHAEGEN - 2405 - en den brigadier te paard DECUYPER - 2682 -, der brigade van Watervliet, elkeen om de volgende reden:
«Heeft blijk gegeven van moed en koelbloedigheid, door deel te nemen, met zijn collega's en onder leiding van zijn brigadeoverste, aan eene jacht op twee leeuwen ontsnapt gedurende eene nachtvoorstelling, uit een rondreizend beestenspel, en medegeholpen te hebben, door gebruik te maken van zijne oorlogskarabijn en -patronen, de twee wilde dieren neer te vellen, waarvan een, kort na zijne ontsnapping, de temster wreed gebeten had»  (Blijk van voldoening van den Heer Burgemeester van Watervliet).
De Generaal-Majoor MAURY,
het Korps commandeerende,
(Get.) MAURY.»

Hiermede kende alles dus een goed einde.

De heer Dockx had echter door zijn pijnlijke belevenissen een zulkdanige afkeer opgedaan van zijn leeuwenjacht en van alles wat ermee verbonden was, dat hij — hoe men hem hiertoe ook praamde — nooit meer over deze onverkwikkelijke historie heeft willen praten.

Het was ter gelegenheid van ons bezoek de eerste maal dat de kloeke, tachtigjarige oud-rijkswachter zijn belevenissen in verband met deze zaak heeft willen ophalen.

M.V. en R.T.

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  24-06-2019