Een zonderlinge 'Advocaet'
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1975, 8ste jaargang, nr. 2

EEN ZONDERLINGE "ADVOCAET"

Omstreeks het midden van de 18e eeuw was zich te Eeklo een zekere Jacques Narbonne komen vestigen.  Vanwaar de man afkomstig was, weten wij niet.

Narbonne logeerde «ten huijse van sekere jonghe dochter met naeme Marie Jacobe Dounckels», in de Molenstraat en gelegen vooraan rechts voor wie van de Markt kwam. Narbonne verbleef daar zeker reeds in 1748 (1).

Het heerschap waarover het gaat, noemde zich «advocaet» of «practizijn», wat erop wijst dat Narbonne iets moet hebben afgeweten van de rechtsleer.  Hoe deze waarschijnlijk verlopen en verbitterde man te Eeklo aan de kost kwam, is een vraagteken, want veel raad zal hij hier zeker niet moeten geven hebben.

Door zijn gedrag, dat schandalig genoemd werd, en door zijn uitlatingen, die als «abominabel» beschreven werden, wist Narbonne de ganse buurt in rep en roer te zetten, zodat op klacht van «diverse insetenen» de Eeklose Wethouders zich verplicht zagen in mei van het jaar 1752 een onderzoek in te stellen (2).

Er werden twaalf personen gevonden die tegen Narbonne getuigden (3).

Wij menen dat het interessant is nu nog eens na te gaan wat men de man in 1752 kwalijk nam en wat men hem zo al ten laste legde.

Uit de onder eed afgenomen verhoren van de getuigen kwam aan het licht:

— dat Narbonne «processie maeckt ende gewoon is daegelijckx vehementelijck ende abominabelijck te vloecken ende te sweiren soo jeghens Marie Jacobe Dounckels als alle andere persoonen».  Alle getuigen waren het erover eens dat Marie Dounckels vuil gemaakt werd voor alles wat slecht en lelijk was.  Dagelijks verweet hij haar « dat sij was eene vermaledijde hoere, teeve ende meer andere enorme infamien de gonne men beschaemt is op het papier te stellen».  De huidige woordenschat schijnt dus op dat gebied nog niet veel veranderd te zijn !

— dat Narbonne door zijn « vehement ende goddeloos sweiren ende vloecken mitsgaders een ieder te lasteren ende injurieren» het publiek schandaal is van de hele buurt en «principaelijck vande kinderen vande selve gebuurte».

— dat Narbonne zowel de geestelijke als de wereldlijke overheid belasterd en beledigd had.  Meermalen had hij gezegd dat de baljuw, de burgemeester en de schepenen «maer bottericken ende cneuckels waeren» en dat «sij tot de regierijnghe geen verstant en hadden».  Enkele getuigen verklaarden ook dat Narbonne verteld had dat «de heere Pastor ende de heeren van het Magistraet als de advocaeten van Ghendt al waren fielten, schelmen ende dieven» en dat zij «niet een once verstant hadden».

— dat Narbonne «seer lichveirdigh was om een te injurieren tot soo verre dat hij verscheijde mael heeft geseijt datter maer vier eerlijcke persoonen in Eecloo waeren ende dat de andere al waeren vervloeckte schelmen ende diefen».  Narbonne had zelfs beweerd «dat het al verdomt ende vermaledijt was dat in Eecloo was, behoudens hij die hij segde maer alleene eerlijck man te wesen».

— dat Narbonne getracht had eerlijke personen ongegrond te doen vervolgen door de Wet. Ook zou hij aangezet hebben hem vijandiggezinde lieden aan te vallen.  Narbonne was er altijd op uit ergens stokken in de wielen te steken.
Zo wist Jan Dounckels te zeggen dat Narbonne hem eens «aensocht ende getracht te verwilligen om Bernard vanden Driessche op den weg van Eirtvelde afte wachten ende slaeghen te geven».
Een gewezen klant van Narbonne, nl. Pieter De Meijer, was in die zin wijzer geworden dat hij kon verklaren dat Narbonne «altijt uijt was om alomme geschillen ende crackeelen te maecken tusschen man ende vrauwe ende alsoo den jalouzen duijvel te brengen in het huishouden», zodat men bij Narbonne eigenlijk bij de duivel te biechten ging.

— dat Narbonne in zijn handelingen allesbehalve zedig was en dit vooral «door sijn beestachtigheijt die hij achter sijnde op d'erfe van de gemelde Marie Jacobe Dounckels in t'maecken van sijn waeter ofte andersints met sigh selven comt te bedrijven ende door de schandaleuse woorden die hij alsdan comt uijt te braecken».

— dat Narbonne Engelbertus vande Casteele had bedreigd «dat hij tot meije niet en soude geleeft hebben, want dat hij hem soude capot gemaeckt hebben». Aanleiding hiertoe was geweest dat vande Casteele, toen hij daar aan het werk was, «ten favorie» van Marie Dounckels had gesproken, toen zij zoals gewoonlijk door Narbonne verweten werd «dat sij was een duijvelinne en eene vervloeckte hoere».

— dat Narbonne de oorzaak was dat drie personen verhuisd waren.  Joannes Dounckels, die vroeger bij zijn zuster Marie Jacobe woonde, was er daar van onder getrokken. Daarover ondervraagd verklaarde Joannes dat «Narbonne soodaeniche gewoonte ende prossessie maeckte van afgrijselijk ende abominabelijck te sweiren ende vloecken mitsgaeders jegens Marie Jacobe te cracqueelen dat hij deposant de selve sijne suster niet connende verwilligen om hem Narbonne uijt haer huijs te doen vertrecken ende dat hij deposant diergelijck leven niet meer connende verdraeghen nochte lijden, selve is vertrocken».  Een andere kostganger, Pieter de Scheemacker, had er, om dezelfde redenen, de brui aangegeven en reeds in 1749 een beter logement gezocht. Bernardus vande Casteele had het daar ook een jaar uitgehouden, maar in april van 1750 was hij «alles niet langer connende hooren, ghedwonghen gheweest uijt den huijse te gaen».

— dat Narbonne op 9 mei 1752 nog maar eens kabaal en ruzie gemaakt had tegen zijn hospita.  Hiervan verwittigd was Jan Dounckels naar de woning van zijn zuster getrokken om te trachten het «tempeest ofte batement» te doen ophouden.  Narbonne kennende, had Jan zich slechts tot aan de achterdeur van de woning gewaagd, waar hij door Narbonne reeds bedreigd werd met:  «Ick sal dien vervloeckte hondt omverre schieten.  Doet de deure open.  Ick sal dien vermaledijden hondt omverre schieten».  Jan was voorzichtigheidshalve niet verder tussen gekomen en hij was « met groote alternatie» aldaar vertrokken nadat hij toch eerst nog «eenige vermaenijnghe» gegeven had - en dit klinkt wel eigenaardig - aan... zijn zuster Marie Jacobe.

— dat Narbonne «soodaenich de gebuerte hadde in troebel gestelt dat daer door selfs vergramt waeren de cleene kinderen van de straete» zodat die kinderen op 11 mei met stenen op de deur van Narbonne hadden gesmeten, terwijl geroepen werd:  «Sij hebben u tot IJzeghem met stront wegh gesmeten, wij sullen u van hier met modre wegh jaegen».

— Dat Narbonne zijn christelijke plichten ook maar half en half vervulde, vermits hij «den tijd van omtrent 4 à 5 maenden niet meer dan ten hooghsten 5 à 6 mael en heeft gehoort op sondaeghen ende heijlichdaeghen misse van obligatie».

Narbonne schijnt dus in elk geval een nogal zonderlinge figuur geweest te zijn, maar ook zijn grootste slachtoffer dat hele dagen door hem gekweld werd, Marie Jacobe Dounckels, gedroeg zich op zijn minst eigenaardig.  Het zou toch eerder normaal geweest zijn dat de steeds getergde huisbazin haar humeurige kostganger met «klieken en klakken» op straat zette, doch zij deed dit niet.  Wij kunnen ons dan ook maar alleen afvragen welke macht en invloed Narbonne op haar kon uitoefenen.  Narbonne was zich bewust van zijn overwicht, want een getuige had hem eens horen pochen dat hij «Marie Jacobe Dounckels verre genoegh hadde, dat zij een hoere was ende dat hij met haer al conde doen dat hij wilde».

Wij weten niet of Narbonne op grond van de reeks aantijgingen, zich ooit heeft moeten verantwoorden voor de Eeklose Wet en welke de gevolgen waren (4).  Vast staat dat hij de volkswoede trotseerde en te Eeklo bleef wonen.
 

PERSONALIA

Wanneer wij mogen steunen op de uitlatingen van de boze buurkinderen dan zou Narbonne ook nog in Izegem gewoond hebben.  Over zijn herkomst en zijn familie weten wij niets (5).

Toen hij op 15 oktober 1756 te Eeklo overleed, wist men wel dat hij weduwnaar was, doch de naam van zijn vrouw was hier niet gekend. In de overlijdensakte werd de naam met enkele puntjes «opengelaten».

Ook dient vermeld dat Narbonne tijdens de ongeveer 10 jaar dat hij in Eeklo verbleef, het zo aan boord heeft kunnen leggen dat hij nooit belastingen betaalde.

In de «Ommestellingen» van die jaren is nergens een spoor van mijnheer Narbonne te vinden (6). Hoe hij steeds aan de kost is gekomen moeten wij dan ook gissen.  Bij zijn overlijden bezat Narbonne weinig of niets en hij werd «van den armen» begraven (7).

Van de DOUNCKELS (of  DONCKELS) weten wij dat Laureins Dounckels (+ Eeklo, 6.2.1723) uit zijn huwelijk met Petronella vanden Hende twee kinderen had, nl. Joannes Baptist (° Eeklo, 26-2-1710) en Maria Jacoba (° Eeklo, 14-9-1711).

Vader Dounckels was schoenmaker en hij liet zijn kinderen achter «een huijs ende erfve groot sevenentwintich roeden met eene schuere daerop staende ghestaen ende gheleghen binnen deser Stede van Eecloo met den voorhoofde suijt de Meulestraete...» (8).  Het zal wel in dit eigendom geweest zijn dat alle tribulaties zich afspeelden.

Marie Jacobe is ongehuwd gebleven en zij is op 13 april 1768 overleden.

W. Hamerlynck.

__________________________

(1) «Marie Jacoba Dounckels jonghe dochter naeijster ende Sr. Jacques Narbonne «practizijn t'haeren huijse woon ende». SAE-145. Telling 1748. Terug naar de tekst
(2) SAE-1388/4. Informatie preparatoire 13.5.1752. Terug naar de tekst
(3) Volgende personen getuigden:
«Trudo vander Haeghen fs Toussin, aut 32 jaeren, inwoonder deser gemelde stede doende het ambacht van cleermaecken ende oock het gonne van schailliedecken».
«Livinus Drijoel fs Jan, aut ontrent 40 jaeren, hantschoenmaecker ende plotter binnen dese stede».
«Enghelbertus van de Casteele fs Jacques, jonghman, aut ontrent 26 jaeren doende het ambacht van schoenmaecken binnen dese stede».
«Jan Baptist Drijoel fs Lieven, jonghman. aut ontrent 19 jaeren, woonende met voornoemden sijnen vader nevens de deure van Marie Jacobe Dounckels».
«Joannes Dounckels fs Laureijns, jonghman, aut 42 jaeren, schoenmaecker van stijle binnen dese stede».
«Joanne Piessens, huijsvrauwe van Pieter de Meijer, lantsman binnen dese stede».
«Pieter de Meijer fs Jacques, aut ontrent 70 jaeren, lantsman binnen de jurisdictie deser stede van Eecloo».
«Marianne Verhaeghe fa Adriaen, huijsvrauwe van Jan Lefebvre, auto ontrent 38 jaeren, woonende inde Meulestraete recht over het huijs van Marie Jacobs Dounckels».
«Marie de Pauw, wed. Jacques vande Casteele, aut 70 jaeren, woonende inde Meulestraete».
«Elisabeth de Pape, huijsvrauwe van Livinus Drijoel, aut ontrent 33 jaeren».
«Bernardus vande Casteele».
«Pieter Anthone de Scheemaecker fs Jan». Terug naar de tekst
(4) In het «Register van Criminele Sententien» (SAE-1440) is geen veroordeling te vinden. Terug naar de tekst
(5) In 1748 woonden eveneens te Eeklo:
«Jacobus Buijck graenier, Petronelle Naerbonne sijne huijsvrauwe ende Jacobus Buijck, sijne sone aut 11 jaeren».  SAE-145. Telling 1748.
Het is ons niet bekend of Petronelle Narbonne verwant was met Jacques Narbonne. Terug naar de tekst
(6) SAE-457-460. Ommestellingen 1746-1756. Terug naar de tekst
(7) «15a 8bris 1756 obijt Jacobus Narbonne vidius... et sepultus est in cemiterio pro deo».
SAE-179, f° 2133. Terug naar de tekst
(8) SAE-1024, f° 374. Staat van Goed Laureijns Donckels dd. 15.9.1723. Terug naar de tekst

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  11-07-2019