Heemkundige speurtocht door Ursel
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1976, 9de jaargang, nr. 2

BIJ HET HEEMKUNDIG GENOOTSCHAP
VAN HET MEETJESLAND...

 

HEEMKUNDIGE SPEURTOCHT
DOOR URSEL

8 augustus 1976

Is de gemeente Ursel niet rijk meer aan bouwkunstig erfgoed, dan heeft zij daarentegen haar oud landschapsbeeld vrij goed weten te bewaren.  Men mag gerust zeggen dat zij eerder enig is in de streek, voor wat betreft het behoud van haar bossen en natuurschoon, hoewel ook hier - en dan voornamelijk tijdens de jongste jaren - heel wat is teloor gegaan.

Vooraleer onze eigenlijke tocht door Ursel aan te vangen, beginnen wij daarom wellicht het best met een beknopte aardrijkskundige schets.

St.Medarduskerk Het dorpsplein en de
zuidelijke gevel van de
St-Medarduskerk,
omstreeks 1906.

      Reproductie Heemschut.

Het gemeenteplan vertoont de vorm van een ingedeukt vierkant.  Het gemakkelijkst zouden wij Ursel alleszins kunnen inschrijven in een vierkant, waarbinnen kerk en centrum nagenoeg centraal zouden liggen.  Het dorp heeft een oppervlakte van 2073 ha en telt een bevolking van ongeveer 2500 inwoners.  In 1960 bleven er te Ursel niet minder dan 460 ha bos over (in 1847: nog 897 ha of twee vijfden van de totale oppervlakte).

De geologische lagen in de streek hellen alle zachtjes in een N-N 25° O richting.  Op deze hellende lagen hebben zich in een rivierstelsel de subsequente takken van de Durme (tak Hoge Kale) en de Zuidleie ontwikkeld, die de huidige kanaaldepressie door erosie hebben verwezenlijkt.  Parallel hiermede loopt de heuvelrug van Noordelijk-Vlaanderen: van Oedelem, over Knesselare en Ursel, tot Ronsele-Zomergem.  Gedeeltelijk in deze depressie en op de steile flank van de cuesta — want zulke allure vertoont deze heuvelrug — mag Ursel gesitueerd worden.

Ursel is inderdaad om zijn golvende, ietwat heuvelachtige bodem bekend en niet zonder reden.  Maar weinig Meetjeslandse dorpen kunnen bogen op een dergelijk reliëfverschil.  Van + 9 meter in het uiterste zuiden klimt de bodem spoedig tot boven de 29 meter, oostelijk van het Drongengoed.  Andere hoge toppen scheren: Pilkem + 23 m; Onderdale + 25 m; Den Hulle + 23 m.  Waar de Bogaertstraat de Urselweg vervoegt noteren wij + 26 m; zo eveneens nabij het Blakkeveld.  En de dorpel van de kerk kreeg bij de eerste Algemene Waterpassing 17,82 m als hoogte toegewezen.

Aldus zag Ursel eruit rondom de eeuwwende.
Reproductie Heemschut.

Theoretisch geschiedt de afwatering dan ook via de Splenterbeek en de Ede; via de Dambeek-Wagenmakersstroom naar de Lieve; maar voor het overgrootste gedeelte langs diverse beken naar de Hoge Kale, nu het kanaal Gent-Brugge.

De Paniseliaanse lagen ten noorden van het kanaal, met als bovenste facies de Zandlaag van Aalter (les sables d'Aeltre) met de banken Cardita Planicosta en Turritellas, sterven ongeveer gelijklopend met de hoogtecurven van het plateau van Tielt uit.

Wanneer de bodem nu noordelijk van het kanaal terug hoogte wint, zijn het niet meer deze lagen, maar wel het Lediaans zand (een smalle strook daarvan ontsluit zich van oost naar west door Ursel), bekroond door het Bartoniaan (afwisselend zand- en kleilagen), die met hun steile rand zuidwestelijk gericht de cuesta vormen, voor zover deze althans niet door denudatie is vervlakt.

Kwartaire dekzanden komen overal voor, in de kanaaldepressie tamelijk dik en naarmate de bodem stijgt eerder dun, om ten slotte hun vroegere aanwezigheid nog slechts te verraden door de sporadisch voorkomende silexkeien, ons allen bij het werk op het veld zeer wel bekend.  Natuurlijk zijn er, vooral dan in het zuiden van het dorp, langsheen brede valleien, grote stroken recent alluvium aanwezig.  Hierop vinden wij de meersgebieden: de Haukmeersen, het Zuidwater, het Herrisbroek en het Breebroek.

Eens het Querceto-Betuletum (het eik-berkenbos) in de vroegste tijden — door rooiing voor brand- en bouwhout (roofbouw), alsmede door het feit dat het door de felle begrazing, vanwege de kudden van de pasturale bevolking, niet meer in staat was om tot volle wasdom te komen — verdwenen was, ontstond daar waar het gebied niet tot cultuur gebracht was het woeste veld.

Dit veld, waarvan de begroeiing hoofdzakelijk struik- en dopheide, brem en andere heesters omvatte, maar die toch ook hier en daar hoogstammig was, bleek doorspekt met talrijke vijvers, wellicht ontstaan door turfuitbatingen.

Wij konden dank zij de reconstructie van de land- en bosboeken van Ursel, Wessegem en Wulfsberge de toestand omstreeks 1600 nauwkeurig in kaart brengen.  Het valt op hoe het landschapsbeeld voornamelijk bepaald wordt door de ondergrond.  In grote trekken komt dit hierop neer:

Wanneer wij de gemeente in drie horizontale stroken zouden verdelen, dan hebben wij in de bovenste band de velden, de veldbossen en de eigenlijke bossen.  Deze strook Urselveld sluit aan bij het Maldegemveld.  De bossen komen eerder op de randen voor.

Het oude Gemeentehuis op de «Plaatse» in 1904.
Reproductie Heemschut.

De overige twee derden zijn voornamelijk landbouwgronden, doch westelijk in de middenband treffen wij een nogal groot gedeelte bos en enkele kleinere velden aan.  De zuidelijke band bestaat hoofdzakelijk uit landbouwgrond, met de reeds genoemde meersgebieden en sporadisch nog wat bos.

Wanneer wij de kaart van de Ferraris (1771-78) bekijken, zien wij dat bijna alle heide reeds verdwenen is, voor wat het grondgebied van de gemeenten Ursel en Knesselare betreft.

— Na de receptie, door het Gemeente­bestuur aangeboden, vangen wij traditie­getrouw onze heemkundige en historische tocht aan met een bezoek aan de Sint-Medarduskerk, met haar prachtig torentje.

1  SINT-MEDARDUSKERK.

We zijn hier in de dorpskom, waar het hart van Ursel klopt, bij het sobere maar eenvoudig-schone kerkje, centrum van wel en wee van de parochie sedert eeuwen.  Het is dan ook passend hier een woordje te zeggen over het ontstaan van het dorp.

Eigenaardig lijkt het op het eerste zicht dat het dorps­centrum hier is ontstaan, dan wanneer wij het rede­lijker wijze zouden verwachten nabij Wessegem, in de tijd van de vroegste neder­zet­tingen een zo belang­rijke plaats.

Het kruispunt op het Dorp in 1919, met de Kapelstraat en de weg naar Knesselare.
Foto uit de verzameling van Mej. Wilfrieda Gillis.

De ouderdom van een parochie kunnen wij soms achterhalen dank zij de studie van de tienden (zie verder: 3. Drongengoed).  Indien wij daarop voortgaan, menen wij te kunnen besluiten dat het te Ursel alleszins om een zeer oude, misschien wel om een Karo­lingische stichting gaat.

De naam Ursel zou betekenen "Oerosbos" (spellingen van 1147 af).  Dit is geen hofnaam en wijst dus meer in de richting van een vicuskerk in plaats van naar een villa- of eigenkerk.

Wij kennen de kouters, in casu de dorps­kouter of Roosen­kouter (zie verder: 8. Vrekkem­kapel) , die een parcel­lering vertoont eveneens wijzend op een boere­kouter met repel­ver­deling.  Daarnaast lagen blijkens de toponimie de oude mergel­putten, gebruikt voor bemesting van de grond.

De parcellering past zich niet aan rond de kerk.  De kerk is dus jonger.  Zij schijnt daar bijgevolg gebouwd op het ogenblik dat in de onmiddellijke omgeving reeds geen grond meer ter beschikking stond.

Het wegennet in de naaste omgeving was zeer eigenaardig en daar schuilt ongetwijfeld een reden achter.

Het bedehuis is oud wat bepaalde bouwelementen betreft en staat gevoslig juist georiënteerd.  De kerk bevindt zich dus stellig op de oude plaats.

Foto genomen in 1896
van uit het
«Straatje Beneên»,
in de richting van het
dorpsplein.

Uit de verzameling van
Alf. Ryserhove.

 

Ten slotte is daar de toponimie:
Briel = weiland, openbaar plein toebehorend aan de heer; als dusdanig komt het zelfs niet in het landboek voor (verbrede straat);
Gijzelhuis = gebouw voor de gemeentelijke gevangenis en griffie; daartussen lagen kerk en kerkhof en, zoals op de huidige dag, de Kapelaanstede.
De kadastrale kaarten verklappen ons ook een verbinding tussen de Hullestraat en de hoek van de Tende- en de Onderdalestraat, thans verdwenen.  De twee percelen nu, tussen deze vroegere verbinding en de Hulle- en Tendestraat, waren de Costerije en de Priesterage.  Ernaast lag de Kruismansbilk.

Eindelijk lag er, westelijk van de kerk — begin 17de eeuw — nog een grote driehoekige bek, afgepaald door de beek, die wij beschouwen als de westelijke tip van een dries.  Alleen dit perceel was in privébezit.  Alle andere hier genoemde stukken verwijzen naar gemeenschapsgronden, een min of meer driehoekig plein vormend, waarachter denkelijk een Frankische dries schuil gaat.  De kerk zou daarop gebouwd zijn, op het ogenblik dat hier in deze omgeving geen andere grond meer ter beschikking was.  De vicuskerk krijgt immers praktisch altijd daar haar plaats toegewezen.  En het zijn de latere wegen, die zich ontwikkelden naar de ingang van de kerk toe, die te Ursel de eigenaardige kronkelingen en de structuur hebben gegeven, zoals het tot vóór kort nog het geval was.

De parochiepatroon is Sint Medardus, geboren te Salency in Picardië, nabij Noyon, van welk bisdom hij later de kerkvorst werd.

Op de zondag binnen het oktaaf van 8 juni, feestdag van zijn afsterven, viert men te Ursel de grote kermis.  Chlotarius, Lodewijk de Vrome, Karel de Kale en andere Frankische groten hadden een bijzondere voorliefde voor Sint Medardus.  Sint Radegonde, patrones van Merendree en gemalin van Chlotarius, ontving van hem het kloosterkleed.

In de oude vitae staan verschillende legenden vermeld, om zijn persoon geweven.  Denken wij aan het godsdienstig-folkloristisch feest van de Rozenhoed, dat heden ten dage nog altijd te Salency plaats vindt.  De legende van de os en het paard verwijzen naar de landbouw en het verhaal van de arend, hem beschermend tegen de regen, maakt hem tot weerheilige.  Ten slotte hebben wij de voetafdruk in de steen te Salency, in verband met grensbetwistingen.  Veelal werd hij vroeger in onze streek ook aangeroepen tegen tandpijn en bedwateren.  Ursel bezit van hem een relikwie.

Hoevewoning Den Hulle 1
Hoevewoning Den Hulle 1.
Foto R. Tondat, 1966.

De H. Ursula en haar Gezellinnen zijn er in deze parochie — wegens de gelijkenis met de dorpsnaam — al vroeg bijgekomen.  Een steen met inscriptie in de Sint-Ursulakerk te Keulen zou uit de tweede helft van de 4de eeuw dagtekenen.  Het is immers daar dat deze maagden-martelaressen onder Diocletianus, op terugweg van Rome, door een bende woeste Hunnen, geleid door Attila, werden overvallen en vermoord.  Hun sterfdag 21 oktober wordt te Ursel als Sint Ursuladag gevierd en de kleine kermis valt gedurende dit oktaaf.  Hans Memling schilderde de verschillende taferelen van de legende uit de 10de eeuw op zijn vermaard Ursulaschrijn (Sint-Janshospitaal, Brugge).  Ook van Sint Ursula bezit Ursel een reliek.

De vroegste resterende elementen van de kerk te Ursel laten toe te besluiten dat hier oorspronkelijk een kruiskerkje werd gebouwd met achtkantige vieringtoren, wat zeer typisch is voor ons gewest.  Zo waren eveneens de primitieve kerkjes van Maldegem, Kaprijke, Bassevelde, Merendree, Lotenhulle, Oostkamp en meer andere.  Nog voor de 12de eeuw gebruikte men de grijsgroene veldsteen uit de streek.  Voor bassementen, zuiltjes en kapitelen bezigde men veelal Doornikse hardsteen.

Allereerst hebben wij de fraaie toren met scherpe naald, onlangs nog gerestaureerd en, evenals het koor, als monument geklasseerd.  Deze achthoekige toren met zijn spitsbogige klokvensters behoort tot de vroeggotiek (14de of begin 15de eeuw).  In de kerk is duidelijk te zien dat de moerpilaren uit ruwe natuursteen bestaan.  De toren stond aanvankelijk op de viering van een kruiskerkje dat zeer mooi moet geweest zijn, doch in latere tijden herhaaldelijk verbouwd en vergroot werd, zodat er nagenoeg niets meer van de oorspronkelijke kerk zelf is overgebleven.  De geuzentroebelen hebben haar nochtans gespaard, want deken Vander Beke schrijft in 1610 in zijn verslag, dat er op 22 parochiekerken van de toenmalige dekenij Tielt slechts vijf in goede staat zijn, waaronder deze van Ursel.  De eerste verandering geschiedde in 1664, wanneer er aan weerszijden een afdak bijgebouwd werd en daarboven kleine vensters in de muren gestoken werden.  Beide afdaken zijn gesloopt in 1760 en 1781, toen zij door de huidige zijbeuken vervangen werden.  De kerk onderging nogmaals een grote verandering in 1839-40, toen men o.a. de pijlers vernieuwde en de bogen verhoogde.  In 1865 heeft men het gebouw vergroot door het te verlengen en een nieuwe voorgevel eraan toe te voegen; tevens werd het uitzicht ervan grondig gewijzigd.  De werken werden aanbesteed voor 19.500 fr. en de Gentse bouwmeester Karel Bruggheman, die alles ineens neogotisch wilde maken, naar de mode van die tijd, heeft de kerk alleen maar misvormd.  In 1872 werden de veertien vensters in de beide zijgevels vernieuwd en tot spitsbogen omgevormd en in 1889 werd het centrale koorvenster, dat tot dan toe dichtgemetseld was, weer geopend.  In de loop van de jongste tweehonderd jaar is aldus zoveel veranderd en gepleisterd, dat enkel het koor met zijn houten gewelf nog het enige gedeelte van het kerkgebouw is, dat min of meer op het vroegere gelijkt.  Oorspronkelijk was er een kleine sacristie aan de noordoostkant; in 1849 werd de nieuwe sacristie aan de zuidoostkant erbij gebouwd.

Tegen de zuidkant van de kerk stond voor enkele jaren nog het "Beenderhuis", met een kalvarie.  Hij dateerde uit 1886.  Het kapelachtige gebouwtje werd ontworpen door een zekere Fr. van Wassenhove uit Eeklo; de beelden waren van de hand van een Gents beeldhouwer, die ook het Kristusbeeld herstelde dat daar al van vroeger hing.  De nieuwe kalvarieberg kwam in de plaats van een oude, die helemaal vervallen was en waarschijnlijk uit 1728-30 stamde, toen in Ursel de Grote en de Kleine Ommegang van het H. Kruis werden gesticht.  De kalvarie uit het vroegere "Beenderhuis" bevindt zich nu in de kerk.  De grote Kristus werd gesneden door De Wispelaere uit Eeklo.

Het hoofdaltaar, toegewijd aan de H. Drievuldigheid, is een gift van de heer Borluet van Hansbeke en werd vervaardigd door Matheus Lens uit Gent, in 1884.  Erboven hing vroeger een schilderij, geborsteld door Van den Heuvel uit Eeklo en "De Hemelvaart van Maria" voorstellend, doch thans verdwenen.

Het zijaltaar van O.L.Vrouw werd geschonken door Coleta De Neve in 1870, samen met het schilderij dat de H. Dominicus voorstelt, die de Rozenkrans ontvangt (werk van de heer Conincks, kunstschilder te Mechelen, die in 1879 ook de kruisweg leverde).

Het H. Kruisaltaar is een gift van Euphrasie Bruggheman, samen met het schilderij "De vinding van het H. Kruis", eveneens een werk van Conincks uit Mechelen en een verkleind model van hetzelfde tafereel van Paelinckx, dat in de Sint-Michielskerk te Gent hangt.  Dit altaardoek van Conincks werd vervaardigd in 1869 en kostte, evenals het voorgaande van de H. Dominicus, 400 frank.

De gebrandschilderde glasramen zijn ontworpen en uitgevoerd door Nicolas Bouckaert te Gent en geplaatst tussen 1889 en 1893.

Verder zijn er nog drie mooie biechtstoelen in eikenhout, waarvan één het jaartal 1726 draagt.  De preekstoel (uit 1667 ?) was jarenlang oververfd, maar heeft nu terug zijn oorsponkelijke "houtkleur" gekregen.

Het mooie orgel is gebouwd door Pieter van Peteghem uit Gent, in de jaren 1749-51, met gebruikmaking van elementen uit het vorige, dat in 1644 was aangekocht.  In 1927 werd het vernieuwd en telt thans nog 1 klavier met 10 registers.  Commentaar van de kenners en specialisten:  dit orgel zou een zeer mooi instrument kunnen zijn, indien het degelijk en grondig werd gerestaureerd...  Op het fronton van de orgelkast staat een zeer schone, witte rozet, koning David met zijn harp voorstellend.

Wij bemerken verder nog diverse oude kandelaars, het triomfkruis en een paar mooie, zilveren processiekruisen.

De Potter en Broeckaert vermelden nog twee — thans verdwenen — schilderijen in de kerk van Ursel: een "Geboorte van Kristus" van een goede meester uit de 17de eeuwen een "Marteldood van de H. Ursula", een oud en versleten doek.  Zij spreken ook nog over een vroeger beeld van de "Nood Gods", dat in 1883 word vervangen door een andere Piëta, geschonken door de reeds genoemde "Edele Heer Borluet van Hansbeke".  Dit laatste beeld, gepolychromeerd door Mathias Lens, bevindt zich nog in de kerk en draagt de wapens van de schenker.

Merkwaardige liturgische voorwerpen:

a) een zilveren kelk "volle maan", afkomstig van Doornik, ± 1630;

b) een stralenmonstrans (na 1740);

c) een chrismatorium met inscriptie "Ursele", van het type twee cilindertjes op gemeenschappelijke voet;

d) een zilveren kruis reliekhouder op voet, met inscriptie "Dedit Knesselaere", vermoedelijk een wijgeschenk door bedevaarders aangeboden;

e) een pixis, Brugs werk, met het inschrift "Dono dedit ecclesiae parochiali loci de Ursel ampl(issi)mus D(omi)nus Jo(ann)es Vanderstricht civitatis Signiae abbas ecclesiae collegiatae Rothnacensis nec non B.M.V. civitatis Brugensis praepositus anno 1755" ; daarbij prijken zijn warenschild en spreuk "pacem opto" (De vrede wens ik U);

f) een kelk met inscriptie "RIP Dono Dedit Domina Vidua Maelcamp 1755 RIP" ; dit is een geschenk van de Weduwe steven Maelcamp, Eigenaar van Ter Pieten, op de grens van Ursel en Knesselare.

Aan de zuiderkerkmuur vinden wij nog de grafsteen van "Cornelia Hanssons 1766" en deze van Sabina Bruggheman, laatste abdis van het abdijhospitaal De Bijloke te Gent.  Als Monica Landrada geboren te Ursel op 3 mei 1748 en op 26 september 1809 te Gent overleden, wenste zij niet in het klooster, dat de Fransen haar ontnomen hadden, begraven te worden.  Door de VZW "De Familiegraven" werd haar grafzerk mooi gerestaureerd en op 13 oktober 1973 herplaatst, tijdens een korte en passende plechtigheid.

De oudste vermelding van een pastoor te Ursel dateert uit 1203.  De pastorie die wij nu zien is deze gebouwd door de kanunniken van de abdij van Drongen in 1784-85.  Er is nog een mooie houten trap bewaard.  De vorige pastorie stond niet op dezelfde plaats.  Verscheidene paters van de Norbertijnerabdij te Drongen zijn pastoor geweest in Ursel.

Op het dorpsplein stond onder het ancien regime een pilorijn in hout, met ketting en ijzeren halsband.  In februari 1568 (oude stijl) werden Hendrik Natus en Maarten Ernst hier levend verbrand en nadien opgeknoopt aan de galg.  Ursel bezat immers de justitie in alle graden.  Het oude Gijzelhuis werd later vervangen door de Grote Leopoldus (Oostenrijkse Tijd) als wethuis, dat nadien het Huis van Commune werd, om ten slotte Gemeentehuis te worden.

Verlaten wij nu het centrum en zetten wij onze uitstap verder, waarvan het eerste gedeelte hoofdzakelijk binnen het noorden van de gemeente verloopt, een gebied van oude velden, vijvers en bossen.

Daartoe nemen wij de weg op Eeklo, die vroeger slechts tot op de Brugstraat liep.  Verder werd hij nieuw aangelegd in 1845, tot op de Kruipuit; zoals die weg trouwens ook nieuw is in het zuiden, daar waar hij de Hautemeersen doorsnijdt (Wessegem).

Wij rijden nu langs de Hulle — (= hil, heuvel) of Kerkstraat.  Links van de weg lag de "Kleine Enclave" van Wulfsberge, net tot aan het Ekelstraatje.  Rechts zijn wij intussen het mooie hof Den Hulle voorbijgereden.  Noordelijk van het Ekelstraatje lagen bosgebieden, o.a. de Puytsholen, zoals trouwens ook rechts van de Hullestraat, waar eveneens een oude uitbating, het Goed te Beirhout, was.  Misschien is dit goed wel te vereen­zelvigen met het oude Ter Borren of Ter Berren.

De Drongengoedhoeve te Ursel
De Drongengoedhoeve te Ursel.
Foto R. Tondat.

2 HULSELO

Waar eens de Koningsbilken waren, ook al een bosgebied dat tot het domein van Wessegem behoorde, slaan wij links de weg naar Maldegem in.  Wij komen over een deeltje door Adegems Blakkeveld en weldra zijn wij in de omgeving van de oude nederzetting Hulselo.  Deze moet zeer oud zijn, want de grens van Ursel maakt speciaal daarvoor een uitsprong.  Hier komen de grenzen van Adegem, Maldegem en Ursel samen en stond reeds in de 13de eeuw een grenskruis.  Indien het weer en de timing het toelaten, zouden wij hier een korte wandeling dienen te maken, tot op de plaats waar deze grenzen samenkomen, want door het bladerdek van dit lommerrijk bos beschermd, zijn na zoveel eeuwen nog de resten zichtbaar van de wallen van Hulselo.  Wij vonden hier toponiemen als Hulselowalleke, Stede en Motte.  Hulselo lag op de verbinding Burkel (ook een oud lo-toponiem)-Oostwinkel, in de omgeving waar de Oude Eekloseweg, van Ursel komend, op deze weg aansloot.  Men ging vroeger immers via de Tendestraat en de Brugstraat Eeklowaarts.  Een deel van de wallen van Hulselo zit nu in het NATO-vliegveld en is geterrasseerd.

De mooie ingangsdeur van de Drongengoedhoeve De mooie ingangsdeur
van de
Drongengoedhoeve
(1746).
 

Foto uit de verzameling
van Mej. Wilfrieda Gillis.

Betekent het woord Hulstlo of is het een vervorming van het verbasterde H-Ursel-lo uit gemakzucht ?  De overgang van de R naar N en L is een bekend verschijnsel en wordt bij de grammatische figuren gerangschikt.  Het is in elk geval een lo-toponiem en dus zeer oud.

Meer is er over deze verdwenen, middeleeuwse hoeve niet bekend.  Zij kan reeds vóór 1400 volledig gesloopt zijn.  Ook te Beernem was er een nederzetting Hulstlo of Hulselo, nabij het huidige Station.

De bossen hier vóór ons noemden in de 17de eeuw: Wulfgat, het Hulselobos, het Hulselogat en de Mirebilken.  In de hoek, gevormd door de Brugstraat en de Oude Eekloseweg, lag vroeger de Backervijver, aldus genaamd naar een 15de eeuwse bezitter.

Het bossencomplex hier meer westwaarts is van noord naar zuid genaamd de Vettebilken en de Eeberg.  Hier ontsprong de Ede.  Deze gebieden werden door de abdij van Drongen in 1742 in cijns genomen.  Zij strekten zich uit tot aan het Drongengoed, wiens oostgrens daar de weg naar Maldegem was.

In "Niederländische Sagen", heruitgegeven door Johann Wilhelm Wolf te Leipzig in 1843, staat een verhaal over nachtelijk "klokkenluiden".  Het heet er dat men tussen Ursel en Maldegem soms grondvesten van oude muren aantreft.  Daar bestond ten tijde van Julius Caesar de stad Ursel, welke 36.000 zielen telde !  Nog hoort men — voornamelijk in de, kerstnacht — de klokken van de hoofdkerk luiden, hoewel geen mens weet waar ze juist verzonken zijn...

Heeft de reeds vroeg verdwenen nederzetting Hulselo (of Hunselo, zoals wij soms vinden) aanleiding tot het ontstaan van deze sage gegeven ?  Wij weten dat Wolf zijn aantekeningen heeft gekregen door mondeling verhaal vanwege de St-Genois, Snellaert, Serrure, Blommaert en anderen.

- Het thans wat opgeknapte hoevetje waar wij voorbijkomen is het Furfozennest.  Als nakomelingen van het Furfoozras beschouwden Houzé en Rutot in de tijd de kleine zwartharige en bruinogige brachycephalen; als voorbeelden meenden zij die te ontdekken te Maldegem-Kleit, Knesselare-Eentveld, Maria-Aalter, Oostwinkel, Ursel, Zomergem-Rijvers, enz., althans voor wat onze streek betreft.  Deze lieden, vechtersbazen en wildstropers, vervaardigden borstels en bezems, welke zij dan tot zeer ver aan de man gingen brengen.  In dit verband moet de naamgeving aan dit vroegere vakantieoord van KSA-Jong Vlaanderen, tussen de beide wereldoorlogen, gezien worden.  Vele studenten hebben destijds in dit Furfozennest heerlijke dagen beleefd, midden een ongerepte natuur !

Veldkruis

Het Veldkruis, nabij de
grens met Oostwinkel en
Adegem, langs de
Veldstraat.

          Foto J. Vandeveire.

Wij maken nu een gedwongen ommetje door een klein stukje Maldegem.  Wanneer wij terug op de Hulseloweg komen, zijn wij meteen op de grens Maldegem-Ursel en bij het begin van het Drongengoed.  Links bemerken wij in de bossen een paar reserveopslagtanks; daar lag vroeger de Werfvijver.  Heel wat verder in de bocht, ligt een ruimte voorbehouden voor een munitieopslagplaats en vanaf daar rijden wij op de westzijde van het Drongens domein (de Middelvijver en de Quaenvijver).  Op de Brugstraat gekomen, die hier de grens vormt met Knesselare, liggen vóór ons het Cassantveld en de Cassantvijver, met daarachter de Wellekensvijver en het Willekensbos.  Daarin waren de Chanoiren, waarin de gevangen vis tijdelijk werd bewaard.  Daar nabij is ook de Buizeput, waar het noordelijkste punt van Wessegem op pivoteert.

Op de Brugstraat zelf rijdend, zien wij hier niet goed meer dat zij eertijds zo breed is geweest.&bnsp; Bossingels liggen er langsheen en verderop bebouwde cijnsstroken.

Schuur, Onderdale 4
Prachtige schuur, Onderdale 4, nu gedeeltelijk gesloopt.
Foto R. Tondat, 1966.

3 DRONGENGOED

De verklaring van de naam Drongengoed ligt voor de hand: het goed behoorde toe aan de abdij van Drongen.

Onderpastoor De Smet, uit Kleit, publiceerde in de tijd de korte geschiedenis van dit domein in de eerste jaargangen van de "Appeltjes van het Meetjesland" **.

Het was in 1242 dat gravin Johanna van Constantinopel aan de abdij 73 bunder "wastina" (1 bunder = 3 gemet of 900 roeden) in cijns afstond.  Siger was toen de 8ste abt van Drongen.  De cijnspacht werd door haar opvolgster Margareta van Constantinopel volledig kwijtgescholden.  Doch van ontginning op grote schaal is er geen spraak geweest.  Blijkens pachtkontrakten bleef het een bescheiden hoeve van geringe uitbreiding.

In 1563 liet de 31e abt Lieven Baes een nieuw woonhuis optrekken.  Indien het nog dit is, hetwelk op een kaart van het Maldegemveld uit 1650 voorkomt, was dit ook maar een povere verwezenlijking; het staat er met strodak afgebeeld en ook de bouwkosten waren aan de lage kant.

De hoeve werd destijds steeds in pacht uitgegeven en dan nog veelal in napacht; dit was de oorzaak van haar verval.

De vijvers werden gewoonlijk afzonderlijk verpacht.  Men ving er snoek, karper en baars.  De pachters hadden eveneens als opdracht de tiende van de abdij te innen; deze tiende dateerde van ver vóór 1242.

Paus Eugenius III bevestigde aan Gosuinus, abt van Drongen, in 1147 het bezit van twee delen van de tiende van Ursel.  In een bul van paus Adrianus wordt dit in 1154 nogmaals nadrukkelijk bevestigd.

Walter I, bisschop van Doornik, schenkt anderzijds in 1171 het altaar van Ursel (waar normaal een deel van de tiende bij behoort) aan het kapittel van O.L.Vrouw te Doornik.  Paus Clemens III bevestigt deze gift in 1190.  Verder weten wij dat het pastoorsrecht 1/6 van de tiende bedroeg, met competentie door de abdij van een halve pouillé, t.t.z. 20 ponden (= 2/6 of 1/3).

Hierdoor was het alternatief gebruik maken van het benoemingsrecht van de pastoor — door Drongen en door Doornik — te verklaren en zien wij ook dat de competentie van de parochiale geestelijkheid na het ophalen van de tiende, door de pachters werd verrekend en betaald (zie de oude pachtkontrakten).  Wij weten meteen ook dat het verdeelsysteem volgens de "Lex Hispana" werd gevolgd, in drie delen dus, wat teruggaat tot een primitief zelfstandige parochie uit de Karolingische tijd.

De Urselse geestelijken waren in de 18de eeuw meestal abdijheren van Drongen.

Brandhout en vis waren de bijzonderste zaken welke zij aan Drongen leverden.  Daarvoor werd zelfs in 1741 een boot gekocht te Rijsel, want het vervoer verliep gewoonlijk te water, via inscheping te Oostmolen langs de Kale en later de Brugse vaart.

"God zij gelooft, want met succes groeien alle boomen in Ursel".  Zo besloot de kroniekschrijver van de abdij zijn verhaal.  Dit kunnen wij nu wel beamen als wij voor de verwezenlijking van abt Antoon De Stoop staan.  Het is deze man geweest, afkomstig van Zonnebeke (abt 1740-1767), die hier de ontginning met energie en met doorzicht aanpakte.  De heide werd van juli 1740 af gescheurd met de ploeg, soms getrokken door paarden, meestal echter door ossen die van Drongen overkwamen.  Zelf kwam de abt regelmatig de werken in ogenschouw nemen; hij kocht er zelfs in 1741 een nieuwe koets voor.  Alle domestieken van de abdij, geholpen door talrijke werklieden uit de streek, werden ingezet.  In mei 1741 werd hij door het kapittel gemachtigd een lening van 1000 ponden aan te gaan, voor de uitbouw van Ursel-Drongengoed.  Kareelsteen werd aangevoerd langs de Brugse vaart, van uit Kwatrecht en Zonnegem.  Uit de abdij van Dillegem te Jette werden jonge stekken en bosplanten meegebracht.

In september 1741 was de ruwbouw van de hoeve grotendeels af en 20 gemet heide omgeploegd.  In december van hetzelfde jaar kocht men een draagbaar altaar; men richtte namelijk ook het zogenaamde "Bouwke" op, wat dieper in het bos, als verblijf voor de abt; dit "Bouwke" was omwald en voorzien van een kapel en een ophaalbrug.

Dit "Bouwke" deed in de Beloken Tijd dikwijls dienst als schuilplaats voor onbeëdigde priesters en om in het geheim de H. Mis te vieren.  Het Drongengoed staat op het kadaster uit de Franse Tijd als "Domaine Impériale" vermeld en werd trouwens kort nadien als zwart goed verkocht.

Van tijdens de periode van abt De Stoop werd het domein steeds in eigen uitbating beheerd, onder leiding van Sieur Karel Martens.  Het is trouwens van deze grootgrondeigenaar dat de abdij in 1742 Eeberg en Vettebilken in cijns nam en deze eveneens in cultuur bracht door bebossing.

Op 28 juni 1742 hield de hertog van Ursel, als plaatselijk heer, zijn blijde intnde in het dorp.  Met de baljuw van Gent, de generaal der Engelsen, abt De Stoop en een groot gevolg — want men spreekt van meer dan vijftig bereden paarden ! — kwam men de werken bezichtigen en de abt loven om zijn prestaties.  Het was immers een van de eerste grondige bebossingen hier in het gewest.  Papinglo onder Maldegem, in de onmiddellijke nabijheid, volgde slechts onder leiding van Bisschop Prins de Lobkowitz uit Gent na 1780 (ontginning in 100 regelmatige percelen).

Wij brengen thans een bezoek aan de wallen van de oude hofstede, "het verbrand hof".  Daarnaast lag een vijvertje met een chanoir.  De dreef liep hier verder door tot op de Eeberg.  Van op de plaats ter hoogte van de oude hoeve zien wij een cijnshuisje; daar liggen ook de Meulestaken, zo genoemd naar een erkenningspaal van het Woestijnse molen- en maalrecht, dat zo ver strekte.  Ook het Prinsewalleke valt daar te situeren, waarvoor wij tot op heden geen verklaring hebben.

Op de eigenlijke Drongengoedhoeve zijn schuur en woonhuis de oude gebouwen.  De huidige keuken is van latere datum, maar toch ook mooi.  Duiventoren, waterput en poortgebouwen zijn recent en dateren pas uit de vijftiger jaren.  Niettemin bieden zij aan het geheel een onvergetelijke aanblik.  De basreliefs en het mooie beeld van Sint Christoffel zouden afkomstig zijn uit een gesloopte abdij in Zuid-Frankrijk.

Boven de ingangsdeur prijken de gepaarde schilden van abt en abdij Anno 1746 (zwaan = abt; keper met de vijf verbonden harten = abdij).  Wij lezen ook daarbij het devies: "Vita brevis, corda juncta cordibus" ("Het leven is kort, laat ons dus van harte overeenkomen").  Daaronder is een nisje met een houten Lieve-Vrouwebeeld achter traliën, daar in 1914 geplaatst op initiatief van de toenmalige eigenaar Stas de Richelle en de eerste zondag in juli plechtig gewijd.

Het "Bouwke" zelf is reeds kort na 1820 verdwenen, maar de wallingen zijn in het terrein nog goed zichtbaar.

Keren wij nu een eind op onze passen terug om door de Heilebedden en de Notebomen naar Pilkem te rijden.

4 PILKEM.

Op de plaats waar wij nu zijn lagen vroeger, langs beide zijden van het Ekelstraatje, de Pilkemakkers.  Akkers worden aangezien als oude cultuurgronden, behorend bij een hof of een buurtgemeenschap ; de akkernamen zijn evenwel jonger dan de hem- en de koutertoponiemen.  Naast de Pilkemakkers hadden wij een boscomplex, genaamd de Kimpen (Kempen), wat betekent zandige grond.

In de verte zien wij het Stevensgoed.  Op 4 juli 1771 kocht Charles Louis Stevens het merendeel van de gronden begrepen tussen de Pilkemstraat, de Brugstraat, het Ekelstraatje en de Bogaertstraat en herverkavelde deze.  Hij liet ook de huidige hoeve bouwen.

Een beetje meer oostwaarts, daar waar nu de radiowagen van de Brugse Vliegclub staat, was vroeger een zeer lange strook Schaapswarande, toebehorend aan de baron van Maldegem.  De dieren konden hun dorst lessen aan de Pilkemvijver, een inundatie van de Driesbeek die hier de Pilkemstraat kruist.  In die omgeving en ook aan de oostzijde van de straat waren eenmaal de Pilkemstede en een paar hoevetjes, nu alle verdwenen.  Verderop is er nog een leen van Wessegem (nu land tussen de bossen).

Langs de westzijde van de straat stonden ook verschillende hoeven, eveneens alle gesloopt, en langs de Driesbeek lag daar nog de Westvijver.

Wat verder zuidwaarts lag het Duivelsputje, hetwelk een bronallure vertoont (tussen lagen Bartoniaanse klei en zand), en waar kort vóór 1950 het kasteel van Ruffo de Calabria gebouwd werd, thans een militair gebouw.

Wanneer wij op de Gentweg komen zien wij het restaurant"Pilkam", op de plaats waar eertijds het boswachtershuisje stond.  Er werd daar herberg gehouden en al vroeg werd het genaamd «In Pilkem, cabaret».  Tijdens de 17de eeuw waren daar nog de Hofvelden van Wessegem.

Kapelletje langs de Veldstraat,
nabij de wijk Berken.
Hier vlak tegenover lag eertijds
het Goed te Velkegem.

Foto J. Vandeveire.
 

De tegenhoek van de straat was het Nieuwbos, aangelegd door Victor van Vlaanderen, heer van Wessegem en bastaardzoon van Lodewijk van Male.  Daaraan grensde de Hoge Paal, een bos dat aldus genoemd werd naar een daar vroeger voorkomende grenspaal tussen Wessegem en Ursel 't Vrije, tevens de limiet aanduidend van de kasselrijen van de Oudburg te Gent en het Brugse Vrije.

Rechts langs de Gentweg hebben wij het bossencomplex " De Koning", eveneens hehorend bij het domein van Wessegem.  De Wessegemse bossen werden sedert onheuglijke tijden bewaakt door boswachters of sergeanten, die zelfs êen speciaal uniform droegen, want wij vinden in de domeinrekeningen uitgaven vermeld voor geel laken en rode zijde, voor Een jas en Een schouderriem.

Wat verder noemt het de Ganzekleit en hier lag ook de Wentelvijver - waarvan zelfs nog een deeltje rest, - waarop de heerlijkheid van Wessegem scheidde.

De Berkenkapel of de Blauwe Kapel.
Foto J. Vandeveire.

Wij rijden nu noordwaarts naar Onderdale, een oud Gehucht dat oorspronkelijk "Hongerdale" noemde en dat beduidt "dal met arme gronden".  Rechts van de weg bemerken wij nog een 18de-eeuwse schuur met strobedekking (Onderdale 4), weliswaar reeds gedeeltelijk afgebroken en in vervallen toestand.  Van hier hebben wij een enig mooi zicht op de spitse vieringtoren van de parochiekerk.  De Onderdalestraat had haar verlengde in de Pilkemkerkweg.  Het is bijgevolg de oude buurtweg, die Pilkem met de kerk en met het centrum verbond.

Juist vóór we op de Tendestraat komen en in de hoek met deze straat gevormd, staat het Klooster van Ursel.  Dit werd opgericht in 1859-60 door de heer Jan Baptist van de Woestyne d'Hansbeke en behoort aan de Congregatie van de Zusters Franciscanessen te Gent (Crombeen).  Het staat onder de bescherming van de H. Ursula.  De Congregatiekapel, in 1902 gebouwd, stond er vlak naast en is reeds verdwenen; niemand schijnt zelfs een afbeelding ervan te bezitten.

Nu rijden wij terug naar het noorden, doorheen vroegere heidegebieden langs de Tendestraat (links de Vleuge ; rechts de Steenovens).  Bij de Brugstraat zien wij een ganse reeks typische huisjes op straatcijns.  Wij kruisen de Eekloseweg en komen weldra aan het Veldkruis.

Mooie hoevewoning op de wijk Vrekkem, Kruisstraat 9.
Foto R. Tondat, 1966.

5  HET VELDKRUIS

Midden in het woeste veld gelegen, stond dit kruis bij de splitsing van diverse wegen.  Het komt reeds voor op de kaart van de Ferraris (1771-78).  Is het misschien het oude Allaertskruis, dat vroeger een eind verder stond langsheen de Bauwerwaan en dat naar hier werd overgeplaatst ?...  Voor een grens kruis pleit alleszins het feit dat Adegem, Ursel en Oostwinkel een weinig verder noordelijk van dit punt samenkomen.  In elk geval stelden onze voorouders die op reis moesten zich op deze eenzame en stille plaats onder de bescherming van het kruis.

Vóór ons lag hier "Het Gemeente van Oostwinckele veldt", met daarin onder meer de Werfvijver, de Claerenvijver, de Vuylen Vijver, enz...  Ook noordelijk lagen vijverstukken en velden.

Straks zullen wij langs de Veldstraat verder rijden en een klein omwegje inleggen, doorheen de "Grote Enclave van Wulfsberge ".

Wulfsberge was een heerlijkheid gehouden van het prinselijk leenhof van de Burg van Brugge, met zijn foncier te Oedelem-Zeldonk.  De voormalige bezitters ervan waren, na de van Wulfsberges: van den Hecke, Losschaert, De Witte, De Visch, de Gramez, Mestdach, van Haeveskercke en Le Gillon; men vindt hun wapenschilden afgebeeld in de ramen van de Sint-Lambertuskerk te Oedelem.  Van de zeven schepenen van Wulfsberge waren er vijf van Oedelem en twee die te Ursel verkozen werden.

Hier was ook de bekende herberg "Het Konijntje".  Een paar oude hoevetjes en een verweerde schuurgevel in hout zijn er nog te zien.

Het Vrekkemkruis,
langs de weg naar Oostmolen,
in zijn oude toestand.

            Foto R. Tondat, 1966.

Voorname toponiemen onder Wulfsberge waren: de Most- en Vlekakker, het Dal, de Meulekouter nabij de Rozemolen en de Werf.

Terug langs de Veldstraat hebben wij al onmiddellijk rechts een oude hoeve met mooie vensters: de Veldestede.  Wat verder links komt de Pamelskerkweg van een vroegtijdig bewoond gebied nabij de Bauwerwaan, op de uiterste grens van Ursel.  Vooraleer wij op de Gentweg komen was hier vroeger ook, links van de straat, de Uytenstede gelegen.  Gans het territorium links van de weg is blijkens de veel voorkomende Ro- en Hagetoponiemen - eerder een laattijdig ontgonnen gebied.  De afwatering van de percelen is steeds noord-zuid gericht, wegens de helling en de zwaardere kleigrond.

Over de Gentweg hebben wij nu onmiddellijk het Goed te Velkegem bereikt.

Klik op de foto voor een grotere versie ervan.
Kaart J. Vandeveire
Kaart J. VANDEVEIRE. *

6  GOED TE VELKEGEM

Het Goed te Velkegem was een leen, gehouden van de Oudburg te Gent, 14 bunder of 42 gemet groot en te paard liggend op de Gentweg.  Deze weg kan niet zo oud zijn als het leen zelf, want hij snijdt het middendoor.  De toegang tot de gebouwen was trouwens ook niet langs deze Gentweg, doch langs de Veldstraat of Hoofdstraat (is dit soms niet Ooststraat = oostelijk van het dorp ?).  Er waren daar een Hoge Mote en een Nederhof aanwezig.

Vermoedelijk is bij de geuzenberoerten, of reeds daarvóór, alles vernietigd en werd het nooit meer heropgebouwd.  Het Goed te Velkegem blijkt wel een oude, wellicht Frankische stichting.  Als "hem"-naam staat het ook naast Wessegem, Pilkem en Heukel(g)em.

De leenhouders, na de van Velkegems uit de 13de eeuw, waren de Van Pamele's, de Petrins en de Snoucks.  Daarna werd het leen verdeeld in 5/6 met De Bisschop, Lettaert, Bouduyns, Bernaerts en de Coninck en 1/6 met Alegambe, Nieulant de Pottelsberghe en Rodriguez de Evora Y Vega als bezitters.

Naast het bos van Velkegem lagen de Hautkensput en het Hautkensstraatje.  Hier langs vonden wij de Boekdonken (boek = beuk; een donk = een zandige opduiking uit een moerassig gebied), de Grote Stede en de Wallestede.  Dieper naar Hoetsel toe waren er "open fields" en op de grens lagen vochtige percelen of pannen.

Een klein pijlerkapelletje siert hier de hoeveafsluiting; het smeedijzeren deurtje loont wel de moeite het even te bekijken.

Vrekkemkapelletje
Het oude en goed bewaarde Vrekkemkapelletje.
Foto R. Tondat.

Waar vroeger de herberg "De Vrede" stond was eertijds de Keizerstede en daarachter de Rabotbrugghe onder de Gentweg.  Deze duiker deed dienst als scheiding van de heerlijkheidsgrens Wulfsberge-Ursel 't Vrije en anderzijds Wessegem-Ursel 't Vrije.

Verscholen achter de 18de-eeuwse hoeve en dus buiten ons gezichtsveld liggen de Aesakkers, een oud cultuurgebied, waarin wij de voornaamste lenen van het Land van de Woestijne binnen Ursel vinden.

De grens van de fameuze enclave Wessegem loopt hier parallel op enkele passen van de Veldstraat, zoals ook voor de Grote Enclave van Wulfsberge het geval is.  En die Wessegemse grens blijft over gans haar loop evenwijdig aan de Veldstraat, welke zij tot op de grens met de parochie Bellem volgt.  Wij zullen deze Veldstraat dan ook verder afzakken, tot op het kruispunt met de straat naar Berken en Hoetsel, die eveneens als "Oude Gentweg" bekend staat en ons in elk geval ouder dan de Gentweg door Velkegem voorkomt.

Mooie barokke houten
omlijsting in het
Vrekkemkapelletje
te Ursel.

      Foto J. Vandeveire.

7 BLAUWE KAPEL

Vooreerst nog dit: zuidelijk van de weg naar Hoetsel lag een groep meersen op alluviale bodem (Breebroek) en had de abdij van Drongen haar grote Munckemeers (= monnikenmeers ).  Tussen beide liep ongeveer halfweg de beek over de straat en had men 't Alf Voordeken.  Een voorde is een doorwaadbare plaats; denk aan Westvoorde, t.t.z. de voorde westelijk van het dorp gelegen.  Vlak bij de grens met Bellem — dorp dat hoogstwaarschijnlijk voor een gedeelte van Ursel afgespleten is — was er ook een Oude Stede.

Over de Blauwe Kapel of Berkenkapel is tot op heden weinig geweten.  In het Landboek staat zij nog niet vermeld.  Volgens J. Vandeveire zou zij uit 1644 dateren, wat zeer goed mogelijk is.  Tijdens de 19de eeuw was zij in een erge staat van verval geraakt.  In elk geval blijkens een eerste steen naast de ingangsdeur werd zij op "1 november 1880 vernieuwd" en, volgens een tweede, gebeurde dat door bemiddeling van "Charles De Reu-Soenens uit Gent".

Een Kapelleweg vanaf de Heerstraat op de grens met Bellem liep er recht op uit, doch deze weg bestond al vóór de kapel gebouwd werd.  Zij staat opgericht op een perceel genaamd de Huttebilk.  Links ernaast ligt de Zandkouter, oude cultuurgrond dus.

Achter ons liggen enkele meersen die leen waren van Wessegem; van één daarvan hingen zelfs twee manschappen af.  Verder in de bocht liggen de lenen op de Aesakker.  Helemaal in de verte, nabij de grens met Bellem, langs de Heerstraat, ligt weerom oude landbouwgrond:  het Akkerken.

Wanneer wij onze tocht nu verder zetten, zien wij op onze linkerzijde tientallen zeer lange en smalle stroken weiland in het Herrisbroek - die nu nog «'t Gemeente» genoemd worden - en die verwijzen naar de collectieve oude dorpsgebruiken.  Vele daarvan zijn nu echter samen genomen, zodat het niet meer zo sterk opvalt.

Bijna op de straat naar de vaart gekomen, treffen wij rechts een van de mooiste hoeven van Ursel aan.  Zij werd in 1741 gebouwd; tevoren stond daar een andere hofstede, toebehorend aan Roeland Gras.

Wij rijden nu recht op Vrekkemkruis aan, dat onlangs hersteld werd.  Onmiddellijk ernaast, naar links, ligt het oude Vrekkemhof met de Korte Dries (misschien wel een deel van een vroegere grote dries).  Aan de tegenzijde van de straat hadden wij het Hoveke en de Mattenstede.

8  VREKKEMKAPEL.

Het Vrekkemkapelletje is heel wat kleiner dan de Blauwe Kapel, doch het is het mooiste van Ursel.  Over zijn ontstaan weten wij niets.

Het komt nog niet in het Landboek voor, maar het verraadt zijn ouderdom door zijn bouwtrant en door de gebruikte baksteen.  Het achtergeveltje eindigt op metselwerk in "zwaluwstaarten" en wijst op een oorspronkelijke strobedekking.  Er is de brede voordeur met smeedwerk en ook de zijvensters zijn van fraai ijzerwerk voorzien.  De voorgevel vertoont een paar blindnissen, waaronder een achthoekige.  Boven de deur, in een nis, staat een oud heiligenbeeldje.

In dit sober en lief kapelletje ziet men een mooi houten paneel met prachtige barokke versieringen en er heeft, naar men zegt, vroeger een zeer schoon beeld in gestaan.  Dit werd echter door een of andere "weldoener", rondom de eeuwwisseling, door een gloednieuw beeld van O.L.Vrouw van Lourdes vervangen.  Dit beeld is in gips en past niet bij de kapel en bij de fraaie barokomlijsting.

Binnen, tegen de zoldering, ziet men eveneens een ijzeren staaf, wellicht bestemd voor het ophangen van ex voto's of van lampen, ter verlichting en versiering.

De molens van de Katerhoek
De molens van de Katerhoek, links molen Braet, rechts molen Steyaert (afstempeling 1-4-1909).
Reproductie Heemschut.

Hier bij het Buntstraatje lagen verschillende Mergelputten, die wij nu nog als lager gelegen gronden kunnen herkennen.  Het zijn percelen die in vroege tijden gebruikt werden om mergelaarde op te graven (marel).  Deze werd aangewend om over de landerijen uit te strooien, als een soort kalkbemesting.  Deze mergelaarde bestaat uit schelpen, (voornamelijk Megacardita Planicosta en Turritellas), die in de fameuze Zandlaag van Aalter in grote banken voorkomen.  Sommige hardere lagen werden in vroegere eeuwen zelfs gebruikt als bouwsteen.  Wij troffen ze bijvoorbeeld aan in de funderingen van de kerk te Ruiselede.  Ze komen hier voor op een niveau van 10-11 meter, waar ze in Aalter-Warande' op ongeveer 20 meter zitten.  Bemerk dus de helling van de geologische lagen, zoals hoger reeds beschreven.

De Rozemolen of Keysers molen rond het begin van de 20e eeuw De Rozemolen of
Keysers molen, bij het
begin van deze eeuw.

Prentkaart uit de verzameling
van Alf. Ryserhove.

Hoe treffend is het ook dat wij hier in de onmiddellijke nabijheid de Roosenkouter (roos, roes = riet) aantreffen.  Hij toont door zijn repelvormige verdeling een boerekouter of dorpskouter en wijst dus naar de primaire dorpsgemeenschap.  De Kouterslag geeft uit op de straat naar oostmalen, waarlangs wij ons nu bevinden en welke dus als zeer oud mag aangezien worden.  De benaming "Straatje naar Beneên" duidt zeer typisch de helling aan naar de Kalebrug te Oostmolen.  Daar stond van in zeer oude tijden de mijlstaak van de heer van het Land van de Woestijne, die het molen- en maalrecht in de omtrek van één mijl rondom deze staak bezat.  De straat naar Oostmolen vormde zelfs een eindje de grens met het oude Wessegem en erlangs lagen ook het Vrekkemhof en enkele oude steden.  Als verbinding met Aalter vinden wij hier zelfs nog op het kadaster uit de Franse Tijd de bemaming "Chemin d'Aeltre" vermeld.

Noordelijk aan de Rozekouter lagen diverse hoeven tussen de Kouterslag en de Aberdaanstraat (= Gentweg) , zo genoemd naar een verdwenen herberg.  Eén van deze hoeven was het Groot Sint-Joris, het schuttershof waar het Sint-Jorisgilde uit Brugge tussen 1400 en 1426 "een zilveren croes, weghende 2 marc 7 oncen won" (prijskampen met de kruisboog).

En oostwaarts aan de kouter, maar dan over het verlengde van de Molenstraat (waarlangs de oude Rozemolen stond), ligt een groot, ovaal perceel 325 meter X 200 meter - dat ons altijd geïmponeerd heeft.  Zou dit eigenaardig stuk iets met de voorhistorie kunnen te maken hebben, of is het eerder een toevallig patroon ?...

De Aberdaanstraat of Gentweg, die naar Zomergem en Gent leidde, voor 1909.
Reproductie Heemschut

Wij bevinden ons hier dicht bij de Katerhoek, waar de wieg van de folkloristische Pierlala heeft gestaan.

Rijdend door het Schoolstraatje komen wij spoedig bij het gerestaureerde muurkapelletje op de Roze nabij "De IJzeren Hand", een wegwijzer die op deze plaats stond, waar de Nedere Gentweg van de Hoge Gentweg aftakte.  In de steen van het kapelletje staat gebeiteld:

"Hofken van Olijven
Gebouwd in 1728
Hersteld in 1972
In opdracht van
Anna en Esther De Baets".

Dit was het eerste kapelletje van de Via Dolorosa of Weg van Smarten, een kruisweg ingericht in 1728, toen Paulus Braem, eremijt, alhier wonend en voor de derde maal teruggekeerd uit Rome, een reliek van het H. Kruis had meegebracht.  Op 1 april 1728 werd deze relikwie door de toenmalige bisschop van Gent, Evrard van der Noot, erkend.  De 8 mei 1729 werd de kruisweg te Ursel in gebruik genomen.  Die grote ommegang was opgebouwd naar deze van Sint-Martinus te Akkergem, welke de juiste afstanden, zoals te Jeruzalem in de H. Plaatsen had.  Naar de lijst, aangegeven bij De Potter en Broeckaert, bestond hij uit 18 staties, die volgens de kaart van de Ferraris alle langsheen het Schoolstraatje en omgeving gesitueerd waren, en wellicht zo verder over het dorp naar de kerk.

Wanneer wij onze tocht voortzetten, komen wij voorbij het 18de-eeuwse patriciërshuis van de burgemeestersfamilie Bruggeman, links van de weg (Anno 1768).

Aan de Tramstatie te Ursel, voor juni 1909.
Prentkaart uit de verzameling van Alf. Ryserhove.

Voorbij de dorpskern, op de weg naar Wessegem, stond de oude en vermaarde kapel van O.L.Vrouw te Middelwege, waarvan er sedert de geuzentroebelen niets meer is overgebleven.  In het Landboek staan nog wel het Kapellehof en -land vermeld, daar waar nu de oude weg van de nieuwe afsplitst.  De kapel te Middelwege wordt reeds vermeld in 1488 en ernaast stond de herberg De Leu (= leeuw).

Tussen het Heukelemstraatje (nu Saluinstraatje; een ontwikkeling uit Ser Alaert Doedins, over Salardins, tot Saluin !) en de Kapelstraat vonden wij enkele partijen genaamd Elsblok (= beluik), omgeven door elskanten, die nu alle verdwenen zijn.

Te Ursel waren van in oude tijden verschillende afspanningen bekend.  De gemeente kreeg zelfs de spotnaam "hotelliers" toegewezen.  Niet zonder reden, want zelfs menig regerend vorst heeft hier in vroegere eeuwen de nacht doorgebracht, halfweg tussen Gent en Brugge.

9.  WESSEGEM - KONINGSGOED

Nu staan wij op een plaats van Ursel, waarover de oudste gegevens bekend zijn.

In 979 schenkt een zekere Witto zijn goederen, gelegen te Wessegem, aan de Sint Baafsabdij te Gent.  Nadien vinden wij de familie De Moor als leenhouders van dit domein, dat vermoedelijk naast Wessegem ook toen al Ursel 't Vrije behelsde.  Een belangrijk stuk Wessegems gebied lag eveneens te Wondelgem.  De vroegste Wessegemse Moors treden in veel oude charters in verband met de streek op.

Een belangrijke figuur was Geraard II de Moor, schepen van het Vrije, bekend als bedijker van polders, maar nog meer omwille van zijn diplomatiek optreden voor graaf Gwijde van Dampierre.  Hij was, als onvervaard ridder, bij de verdedigers van de stad Rijsel tegen Filips de Schone in 1297.  Na de val van Ieper in 1300 gaf hij zich samen met de graaf gevangen en vertrok in ballingschap naar de donjon van Monthléri.  Later opnieuw vrijgekomen, speelde hij een grote rol tijdens de onderhandelingen die tot het Verdrag van Athis-sur-Orge zouden leiden.  Hij haalde ook de getrouwheidseden bij de steden van Vlaanderen op.  Elisabeth van Maldegem werd waarschijnlijk door huwelijk dame van Wessegem († 1327), want na haar vinden wij terug Moors als bezitters van de heerlijkheid.

De laatste Moor, Geraard IV, bedreef een moord op Jan Tand en werd voor eeuwig verbannen.  In 1365 werden zijn geconfisceerde goederen aan Bouden van Praat geschonken.  In 1372 kwamen zij aan Lodewijk de Haze, een bastaard van Lodewijk van Male, die er veel vertoefde; zijn kinderen werden er wellicht grootgebracht.  In 1398 was Victor van Vlaanderen, een andere bastaard van Lodewijk van Male, de nieuwe leenman.

Ten slotte werd het goed in 1431 bij het kroondomein gevoegd, om uiteindelijk in 1626 aangekocht te worden door de familie van de hertogen van Ursel, wegens de gelijkenis met hun familienaam.

(Voor de heerlijkheden te Ursel: zie het kaartje.  — Het wapen van de gemeente is dit van de illustere familie van de hertogen van Ursel, in 1936 toegekend: "een veld van keel met een hoofd van zilver, beladen met drie merlettes van keel, gehouden door twee griffoenen en geplaatst op een mantel gevoerd van hermelijn, het geheel overtopt door een hertogelijke kroon").

De hoeve zelf werd door griffier De Graeve in 1761 uit het kroondomein gekocht en is sindsdien in privaat bezit.

Achter ons, vóór de hoeve dus, zien wij de goed bewaarde blok- of hofkouter.  In de verte op de heuvelrug liggen de bossen van Wessegem.  De oude Foreesten lagen hier westwaarts van de hoeve.  De naam "Foreesten" wijst op een koninklijk jachtdomein.  De sergeanten of boswachters zijn ons vanaf 1430 bekend.  Naast de kouter liep "den Nederen Ghendtwegh, de wegh also men ghaet ende vaert tusschen Ghendt ende Brugghe" (1473).

Bij Wessegem hoorde ook een leenhof: de meeste lenen lagen hier oostelijk van de kouter en te Heukelem, een paar onder Ursel 't Vrije en te Aalter.  De lenen te Gent zijn langs Victor van Vlaanderen en deze te Eine (Diepenbeek) langs Lodewijk de Haze bij het hof gevoegd.

De vierschaar van Wessegem stond hier vóór het hof; zij bezat hoge, middele en lage justitie.  Zo werd op 4 februari 1527 (nieuwe stijl) Arnout Snoeck hier berecht wegens heiligschennis.  't Onthoofde lichaam, samen met de kelk — vermoedelijk het voorwerp van de misdaad — werd op een rad tentoongesteld.  De plaats van uitvoering van de kapitale vonnissen lag langs de Heerstraat.

Zeer waarschijnlijk hebben de "parlementen" uit de 14de eeuw, tussen Lodewijk van Male en de steden, hier te Wessegem plaats gevonden.

Wij bemerken nog Klein Wessegem en de Curtendamdries.
 

Grondige onderzoekingen nopens de gebouwen op Wessegem zijn nog niet gedaan.  Op de luchtfoto vertoont het complex een praktisch regelmatige achthoek, geliefd bij de Karolingers (denk aan de domkerk te Aken).  Vanaf 1431 zijn in de domein­rekeningen enkele gegevens nopens herstel­lingen en nieuwbouw te vinden.

Zo stonden er zeker een "hostel" op een mote, een klein huis voor de pachter, een stal, een schuur (naast de "grange de la plus haulte court"), een paardestal en een kaashuis.  Verder waren er nog een stenen ovenbuur en een grote stenen duiven­toren, waaronder eveneens een stal was.

In 1445-46 werd deze duiventoren gedeeltelijk vernieuwd.  Men gebruikte daartoe 1000 witte stenen en 600 dakpannen.  En de timmerman werd betaald "pour faire de nouvel le visage du coulombier appelé en flameng le Wagghespan".

Ook in 1492-93 begon men aan grote herstellingen, ditmaal "après les grans domages faiz audit bien en l'an 1487 par les allemans et autres gens de guerre qui furent logiez à Everghem avec l'empereur de Rome, lesquels avait brulez et démoly les maisons et édifices de laditte court de Wesseghem".

Tot overmaat van ramp brandde de herstelde hoeve vóór Pasen 1500 terug af; er volgde opnieuw een periode van bouwen.  Toen werd ook de watergang naar Ter Pieten gegraven.

Met de doortocht van Farnèse en de invallen van de Vrijbuiters volgde een algemene ruïne hier te lande; "ende de huysinghen van desen pachtgoede die syn over veel jaeren gheheel verbrandt ende gheruineert ende tpachtgoed zo verwildert ende verwoest, alsdat daer niemant en heeft durfven gaen noch woonen", schrijft de ontvanger in 1604.

Bij een grote herstelling in 1716 bracht men 15.000 bakstenen van de Gevaertsbrugge te Beernem naar Wessegem.

Uit de rekeningen blijkt ook dat sedert oude tijden in de hoeve een gemeubelde kamer voorhanden was, bestemd voor de ontvanger en welke hij gebruikte om de Wessegemse renten via de huisbrief of de veldbrief te innen.
 

Bijna aan Ter Pieten gekomen zien wij links van de weg een resterende muur, waartussen de poorten geschoven werden van de vliegtuighangaars, die de Duitsers hier lieten optrekken om hun toestellen (Messerschmitts) tegen de vijandelijke luchtwaarneming te beschermen.  Dit vliegveld was tijdens de mobilisatie aangelegd geworden en gedurende de achttien daagse veldtocht kwamen hier op 16 mei 1940 de 1ste escadrille van de 1ste groep (uit Belsele-Waas) en de 11de escadrille van de VIde groep (uit Peutie) aan, beide behorend tot het eerste luchtvaartregiment.  Op 20 mei omstreeks 10 uur werd de CP van de Vle groep op de Dries gebombardeerd door een formatie van drie Duitse Heinkels en overgebracht naar de sigarenfabriek "Cogétama", in de Kerkstraat te Knesselare.  Op 23 mei 1940, na de landingsterreinen onbruikbaar te hebben gemaakt, vertrokken in de late avond de 1ste escadrille naar Stene en de 11de naar Zwevezele.

Een reuzeaantal Italiaanse jachtvliegtuigen steeg hier onder de oorlog op, om de invasie op Engeland te ondersteunen; bijna geen toestellen keerden van die opdracht terug.

Bij het einde van de oorlog, in september 1944, werd het vliegveld van de Duitsers door de burgerbevolking volledig geplunderd.

Hoevewoning van het Koningsgoed of Hof te Wessegem
De hoevewoning van het Koningsgoed of Hof te Wessegem.
Foto J. Vandeveire.

10  GOED TER PIETEN

De verklaring van de naam ligt voor de hand: goed op of nabij de grens (zie de Coutumes, waar gesproken wordt over de Pietepalen als grenspalen = bornages).  Dit is wel degelijk de oude naam: "le avoir de le Pitte" (1453, oude stijl).  Doch op de kaart van de Ferraris komt reeds de naam Blauwgoed voor, zodat de bewering als zouden de Duitsers deze hoevenaam in 1914 hebben toegekend, naar het rijk van de verzinsels mag verwezen worden.

De hoeve ligt gedeeltelijk op Ursel en gedeeltelijk op Knesselare.  Zij was tot vóór kort met mooie wallen omringd.  Deze hebben ook hier helaas de tijd niet getrotseerd.

"Een behuysde ende bescheurde hofstede met de mote mitsgaeders de wallen ende de dreve op den noortcant ende het plein voor de poorte, 811 roeden op Wessegem en 618 roeden op Knesselaere": zo noteert men in 1740.  De grens loopt hier van de duiker naast de (verdwenen) Pietenkapel naar de duiker bij de Pietstraat, voor wat de limieten van Aalter en Knesselare betreft; en van de eerste duiker naar de duiker nabij het Goed te Lembeke, voor wat de grens Knesselare-Ursel aangaat.

Het Blauwgoed of Goed ter Pieten, op de grens met Knesselare.
Foto R. Tondat.

In het Landboek van 1640 staat Ter Pieten op naam van Sieur Laureins de Vleeschouwer; later kwam het aan Christiaan Craeynest junior en senior, aan wie de douairière Maelcamp (= Maria Anna Mahuis-Y-Principe) het in 1728 kocht.  De latere eigenaars kan men vinden in een artikel van D. Verstraete, verschenen in het weekblad "Vrij Maldegem", in de loop van 1969.

Het jaartal 1722 in de ankering van het hoofdgebouw wijst op een bijna volledige vernieuwing in dat jaar.  Er waren tot vóór kort nog sporen van een kleine huiskapel zichtbaar op de bovenverdieping.

Later is het goed aan de familie van de Woestyne d'Hansbeke gekomen, begiftigers van de kloosters te Knesselare en te Ursel.

Daar in de omgeving alle goederen aan de familie Craeynest behoorden, moet deze de dreef - nu nog voor de helft bestaande, en voor de andere helft gemakkelijk als relikt in het terrein te bespeuren - naar het Campanagiëngoed of Goed te Lembeke hebben laten aanleggen.  Lembeke was als kasteeltje een leen van Wessegem.  Te Lembeke werden gedurende de jongste jaren de toegangsbrug en een hoektoren opgegraven, doch die gebouwen liggen volledig op Knesselare.  Ook de verdwenen hoeve Levendale was een leen van Wessegem, eveneens op Knesselare gelegen.

Een zeer oude weg kwam van de Calle van Houke (Dries) naar het hof.  Het Landboek geeft daar nog een restant van, als eigendom van de Koninklijke Majesteit.  Toen op de gouwdag van 20 april 1453 (oude stijl) Ter Pieten verkocht werd, betaalde men markgeld aan de hertog (Wessegem) en aan de heer van Praat (Land van de Woestijne), omdat de landerijen onder beide heerlijkheden lagen.  Joos de Baenst, heer van Lembeke, kocht het goed van Joos van Bassevelde.  Het Vrije was vrijgesteld van markgeld.

Omstreeks 1500 heeft men de beek gegraven van Wessegem naar Ter Pieten; daarop stond later een watermolen.
 

Wij zouden nu nog langs de Heerstraat naar Oostmolen kunnen rijden en zo, tussen de weidegebieden van de Hautemeersen en het Zuidwater, naar de Reinaertkluis.  Voor de Hautemeersen (= ettingemeersen ?) is de afboording van de percelen met knotwilgen nog tamelijk goed bewaard.  Daar ook, in de omgeving van Wessegem, ligt een groot blok land, de Wisselare genaamd.

Er zou nog heel wat kunnen verteld worden, maar het wordt tijd onze rondrit te besluiten.  Intussen is de tekst van deze brochure reeds een beknopt overzicht van de geschie­denis van Ursel geworden, uitge­breider dan bij onze tochten in andere gemeenten.  Dat mocht ook wel, als een afscheid en een hulde aan het mooie, landelijke Ursel dat weldra zijn zelfstan­digheid verliest en broederlijk zal samengaan met Knesselare vanaf 1 januari 1977.

R. MOELAERT
A. RYSERHOVE.

* Zie hier een grotere versie van de kaart van Ursel van J. Vandeveire.

** Eerwaarde Heer Gaston De Smet heeft in 1951 en 1952 in "De Appeltjes van het Meetjesland" twee artikels geschreven over het Drongengoed.

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  07-08-2019