Het sijsjesvangen: de lijmstok en lijmboom
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1980, 13de jaargang, nr. 2

DE TIJD VAN TOEN…

HET SIJSJESVANGEN:
DE LIJMSTOK EN DE LIJMBOOM
 

In de elzenkanten van het Meetjesland krioelde het vroeger, tijdens de herfst en de winter, van sijsjes of "tierijntjes", zoals men die zangvogeltjes bij ons nog altijd noemt.  Het Franse woord voor sijsje is "serin", doch ook "tarin".  We moeten dus niet verder zoeken naar de herkomst van die volkse naam.

De tierijntjes hielden zich met ganse benden (soms honderden samen) op, hoog in de struiken, waar ze zich te goed deden aan de zaadjes die zich in de verdroogde elzekatjes bevonden.

En daarvan maakten de vogelvangers gebruikt: zij lijmden de sijsjes - in de echte zin van het woord - met de lijmstok en de lijmboom.

Omer Savat uit St-Laureins, die er in 1911 geboren werd, gans zijn leven in die schone boerenparochie doorbracht, en daar thans als gepensioneerde op een mooi eigendom woont in de Vaakweg nr 2, was van kindsbeen af, tot vóór enkele jaren, een verstokte vogelvanger.  Hij vertelde ons hoe men te werk ging bij het vangen van sijsjes.

Om vogellijm te maken kookte men lijnolie tot die in brand vloog.  Als ze hiertoe niet te gewillig was stak men ze zelf aan met een brandend stekje.  Dan werden de vlammen geblust met een natte baalzak en ging men na of het resultaat kleverig genoeg was: als men er een beetje tussen duim en wijsvinger nam, moest men moeite hebben om die terug van mekaar los te maken.  Zo de lijm niet sterk genoeg was werd hij nogmaals gekookt, tot hij voldoening schonk.

Het lijmkoken gebeurde in open lucht, op een houtvuurtje tussen drie bakstenen, waarop de lijmketel geplaatst werd.  't Was een operatie die stonk gelijk de pest en die dus ver genoeg van het woonhuis moest uitgevoerd worden.  Er diende bovendien rekening gehouden met de richting van de wind.

En als de lijm dan geprepareerd was - bewaard in een degelijk afgesloten doos of bokaal bleef hij zeer lang goed - kon men de lijmstok en de lijmboom klaar maken.

De eerste voorwaarde was nochtans dat de omstandigheden gunstig waren voor de sijsjesvangst.  Want een kenner, zoals Omer, wist dat regen, mist en zonneschijn geen goed tierijntjesweer waren, en dat men bij koude en wind zeker kon zijn van een goede buit... als de gendarmen niet in de omgeving waren.

De lijmstok bestond uit een lange, dunne stok, bij voorkeur een vispers, die bovenaan verlengd was met een breinaald of een eind ijzerdraad die bestreken werd met lijm.  De vogellijm mocht er echter niet te dik op gesmeerd worden, want dan blonk hij te veel en werden de sijsjes wantrouwig.

Gewapend met dat vangtuig sloop de vogelvanger voorzichtig langs de elzenkanten, tot bij een plaats waar er van die vogeltjes in de struiken zaten.  Traag en behoedzaam werd de stok doorheen de takken en twijgen gestoken, tot in de nabijheid van de sijsjes.  De vogelvanger maakte dan zijn keuze.  De wijfjes werden niet gelijmd, ze schuifelden niet en brachten geen geld op.  En op het gepaste ogenblik, met een snelle beweging werd de breinaald of ijzerdraad tegen het vogeltje gedrukt.  Het slachtoffer plakte er aan vast, zo degelijk als een vlieg aan een ouderwetse vliegenvanger.

Het boveneinde van de stok, met het gevangen diertje eraan, werd naar beneden gehaald.  Ook dat geschiedde zeer omzichtig, men liep namelijk de kans op dat de vangst bleef haperen tussen de takken, en los zou komen.

De vogelvanger verwijderde dan het sijsje van de lijmstok en stak het in een kooitje of een vogelzakje dat hij bij zich droeg.  Het vogelzakje was een linnen beurs die van boven met een strop toegemaakt werd.  De bodem ervan was een ovaal plankje waaraan, langs de zijkant, de stof vastgenageld was.  Zoals veel andere echte sijsjesvangers had Omer geen muitje of zakje nodig: als er niet te veel lijm aan de tierijntjes kleefde stak hij ze eenvoudig weg onder zijn klak, in het ander geval borg hij ze op in de zijzak van zijn panen vest.

Thuis werd de lijm die aan de pluimen van de vogeltjes plakte onschadelijk gemaakt: er werd houtasse op gewreven.  De beestjes werden dan opgesloten in een kooi die zich op een donkere plaats bevond, of afgedekt werd, om ze rustig te houden.  En dan maakte Omer zijn vestvak, de binnenkant van zijn muts en zijn eigen haar proper.  Voor zijn kleren gebruikte hij ook asse, maar zijn hoofd kuiste hij met smout...

De lijmboom was een perse van omtrent twee meter.  In de top en zijdelings, op verschillende hoogten en in verschillende richtingen, waren gaten gebrand waarin droge berkentwijgen gestoken werden.  De lijmboom werd vastgebonden aan een staak van voldoende lengte, derwijze dat, als die in of naast een elzenkant geplant werd, hij boven de struiken uitkwam.  Men bestreek de berkentakken met vogellijm, hing er voldoende elzekatjes aan, maakte er een kooitje aan vast, met een loksijsje in, en de boom was klaar om opgesteld te worden.

De vogelvanger moest in de omgeving blijven en zijn lijmboom in 't oog houden.  Telkens als er een tierijntje aan de twijgen vastkleefde moest de boom naar beneden gehaald worden.  De staak werd dan neergelegd in de spriet van een stok, met een gaffelvormig uiteinde, die in de grond gestoken was.  Dat werd gedaan om te beletten dat de lijm in aanraking zou komen met de grond.  Het sijsje werd dan weggenomen en men verwijderde zorgvuldig alle achtergebleven pluimpjes, want als men dit niet deed lieten zijn soortgenoten zich niet meer vangen.

De lijmboom kreeg soms het bezoek van onverwachte en ongewenste gasten: Omer heeft meer dan eens een stekvogel, een kraai of een ekster gevangen.  Die beesten maakten het dan zo bont dat ze de boom volledig naar de bliksem hielpen en dat hij met zijn gereedschap naar huis kon terugkeren.

De sijsjes werden ook gevangen met de slagmuit en het treknet, doch dat gebeurde op afstand van de elzenkanten.  De slagmuit werd in de boomgaarden opgehangen, en met het net werkte men in de weiden.  In beide gevallen bezigde men lokvogeltjes ("roeperkens") om de overvliegende tierijntjes aan te roepen.

Omer maakte natuurlijk ook van die twee middelen gebruik om sijsjes - en, met het net, nog andere vogels - te vangen.

Men ving de sijsjes voor de commerce.  Ze werden door de vogelhandelaars opgekocht en kwamen uiteindelijk bij de partikulieren als zangvogeltjes terecht.  Veel mensen hadden liever een tierijntje dan een kanarievogel.

De prijs hing af van de vraag en het aanbod, doch ook van de waarde van het geld.  In het begin van de jaren twintig, toen de frank nog een echte frank was, brachten de beestjes aan de vogelvanger vijf en twintig centiem per stuk op.  Na de laatste oorlog werden ze tot acht, ja zelfs tot tien frank betaald.

Omer Savat was bij de opkopers gekend.  Ze kwamen van overal om zijn vogels: niet alleen uit de omgeving, doch ook uit het West-Vlaamse (de streek van Roeselare, Marke, Ieper), tot van rond de Franse grens.  Met de vogelvangst heeft hij altijd een flinke frank verdiend.  Zijn beste seizoen was de winter '45-'46, toen brachten de sijsjes hem 11.000 fr. op, zuiver, na aftrek van alle onkosten.  Dat was een hele hoop geld, als men weet dat een landarbeider toen vijf en zeventig tot tachtig frank daags verdiende, en een dopper nog geen honderd frank per week trok.

De slagmuit en het net mochten gebruikt worden om, van 1 oktober tot 15 november, bepaalde soorten vogels (waaronder de tierijntjes) te vangen, dit mits het naleven van bepaalde wettelijke voorschriften.  Het aanwenden van lijm was echter totaal verboden.

De sijsjeslijmers langs onze elzenkanten waren dus "pakbaar".  Van tijd tot tijd werd er dan ook wel een door de gendarmen of de veldwachter geklist.  Te St-Laureins was Jules Latomme, "den dikken sapitter", echter zelf een verstokte vogelliefhebber en in het tierijntjesseizoen had hij in het algemeen weinig tijd om ronden te doen buiten de dorpskom... hij had dan altijd veel administratief werk...

Omer hebben ze nooit kunnen snappen, daarvoor hield hij zijn ogen te goed open en was hij te rap !  Elk jaar vroeg hij een verlofbrief aan om met het net vogels te kunnen vangen, hij betaalde daar vijf en zeventig frank voor.  En voor de rest was hij heel gerust in hetgeen verder door de wet voorzien was.

Eén keer meenden ze nochtans dat ze hem vast hadden...

Op een namiddag, toen zijn net uitlag - gelukkig in de toegelaten tijd ! - werd hij gewaar dat men hem op afstand aan het omsingelen was: Jules Latomme en twee burgers, die hij herkende als leden van de Eeklose B.O.B.  Omer liet de politiemannen rustig naderen.  Op hun vraag of hij bekende dat hij vogels aan het vangen was, antwoordde hij vlakaf van ja, wees naar zijn net en verzocht de heren droogweg hem verder met rust te laten en hem niet in zijn bezigheden te storen...  En met een fijne glimlach liet hij aan de verbouwereerde B.O.B.-mannen zijn "permis" zien.  De B.O.B.-ers hebben niet verder aangedrongen.  Ze vertelden hem dat er een naamloze brief toegekomen was, waarin hij beschuldigd werd van onwettige vogelvangst, en dat ze hieraan gevolg hadden moeten geven.  Ze vertrokken kort nadien.  Jules, de champetter, die door hen gemobiliseerd was om de weg te wijzen en mee te helpen, was kontent en opgelucht dat het zó afgelopen was.

Met het uitkappen van de elzenstruiken zijn de sijsjes in onze streek praktisch verdwenen.  Het is een zeldzaamheid ze nog met twee of drie samen te zien.

Doch ook de wetgeving inzake vogelbescherming is veranderd: het vangen van vogels, op enkele uitzonderingen na, werd verboden, terwijl het houden ervan aan zulke formaliteiten onderworpen werd dat het de gewone mensen afschrikt.  Dat is zó sedert 1972 (1).  Hierdoor verdween het afzetgebied van de enkele sijsjes die nog sluiks gevangen werden.

Een vijftal jaren geleden heeft Omer dan ook vaarwel gezegd aan zijn carrière van vogelvanger, en met hem zijn tientallen collega's uit het Meetjesland.  Hij specialiseert zich nu in het duivenmelken.

Lijmstok en lijmboom behoren sindsdien tot het verleden.

M.V.

__________________________
(1)   In 1973 werd het verbod op het vangen van bepaalde soorten vogels (o.a. sijsjes) reeds gemilderd.  Voor de tijdelijke bevoorrading van de vogelkwekers en de vinkeniers bepaalt de Minister van Landbouw jaarlijks de soort en het aantal vogels die mogen «bemachtigd» worden.  Voor het grootste deel worden die gevangen door leden van ornithologische groeperingen en vinkeniersbonden.
  Wanneer men vogels bezit waarvan het houden toegelaten is, moet elk ervan een welbepaald soort ring dragen en bovendien ingeschreven zijn in een register dat de vogelliefhebber dient bij te houden. Terug naar de tekst

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  30-07-2019