Ruzie voor wijwater te Ronsele
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1980, 13de jaargang, nr. 4

RUZIE  VOOR  WIJWATER  TE  RONSELE

Marie Bernardine Allegambe, vrouw van Ronsele na de dood van haar man, Anselmus de Draeck, was zeer kwaad op de pastoor van haar dorp, Jan Baptiste Parmentier.  De oorzaak van de ruzie lag in wijwater.

Het was een oud gebruik dat de pastoor op zondagen wijwater aanbood aan de heer van het dorp.  Die heer mocht een beetje wijwater nemen van de kwispel terwijl de andere mensen het moesten stellen met een zegening.  Die zegening gebeurde niet vóór de hoogmis, zoals dit nu het geval is, maar wel nà de hoogmis.  Wij mogen daarbij niet vergeten dat de dorpsheren in een gestoelte zaten binnen het koor en dat de pastoor hen eerst bediende.

In het begin van de 18e eeuw kwam er plots een verbod vanwege de bisschop van Gent, Erardus Van der Noot, om nog verder dat wijwater aan de heer van het dorp aan te bieden, hij moest zich tevreden stellen met de zegening zoals de andere gelovigen.

Dat zal wel een maatregel geweest zijn die men ook op andere parochies trof.

De pastoor van Ronsele was toen Pieter De Cauwer en hij volgde stipt de bevelen op van zijn bisschop, dat wil zeggen dat hij dus geen wijwater meer gaf aan de heer.

Die heer was toen Lieven Ignace Triest.

Het beviel hem niet dat hij geen wijwater meer kreeg en iedere keer dat de pastoor zich klaar maakte om dat wijwater met de kwispel rond te strooien, verliet hij de kerk.

Hij stierf in 1724 en het volgend jaar werd zijn heerlijkheid publiek verkocht in het stadhuis te Gent en voor 6383 pond toegewezen aan Jacob Anselmus de Draeck.

Ook die nieuwe heer kreeg geen wijwater.  Hij verbleef nochtans dikwijls te Ronsele want hij herbouwde daar toen zijn kasteel.  Hij had aan de pastoor gevraagd om toch wijwater te krijgen, al ware het slechts één keer, maar de pastoor gaf niet toe.

Jacob Anselmus de Draeck stierf rond 1730.

Zijn weduwe en zijn kinderen moesten het ook zonder wijwater stellen want pastoor De Cauwer (die naar Zomergem overgeplaatst was) had zijn opvolger, Jan-Baptiste Parmentier, in kennis gesteld van het verbod.

Dat begon nu erg op de zenuwen te werken van madame Marie Bernardine Allegambe.  Zij had gehoord dat er te Ingelmunster ook zo een ruzie bestond en dat de heer daar een proces had ingespannen tegen de pastoor.  Dat proces viel uit te nadele van de pastoor, in 1723.

Wat deed Marie Bernardine ?

Zij begon ook te procederen tegen pastoor Parmentier en het werd een zaak die allerlei verwikkelingen kende.

Wij zullen een volgende keer over die verwikkelingen spreken.

Pastoor Parmentier verdedigde zich met handen en voeten.  Hij liet zijn voorganger als getuige optreden en dan vroeg hij ook het getuigenis van Jan Haeck, burgemeester van Ronsele; Frans Lootens, schepen; Jan Huisman, armmeester; Simon Dhavez, kerkmeester; en van Gerard Heynssens, koster te Ronsele.  Al die mensen zegden ongeveer wat pastoor De Cauwer had gezegd en wat wij hierboven vermeld hebben.

Madame Allegambe bleef echter volhouden.

Zij klaagde de pastoor ook aan omdat die enkele bomen had doen kappen op gronden die het armbestuur van Ronsele toebehoorden.  Die bomen moesten dienen om banken te maken in de kerk maar madame Allegambe beweerde dat zij eerst haar toestemming had moeten geven om die bomen te kappen.

Het werd een ingewikkelde toestand en om erger te voorkomen riep de bisschop van Gent de ruziemakers op zijn bisdom.

Jan-Baptiste De Smet was ondertussen bisschop geworden en hij wilde veel toegeven om de vrede te Ronsele te herstellen.  Er werd besloten dat madame Allegambe terug het recht zou krijgen om vooraf wijwater aangeboden te worden of van de kwispel te nemen.  Ook haar kinderen zouden van dat recht genieten wanneer zij afwezig was, maar dan slechts het oudste kind.

Madame had dus toch gelijk gekregen.

Waarschijnlijk ging dat zo gemakkelijk omdat zij beloofde het een en het ander aan de kerk van Ronsele te geven.  Zij zou een vergulde ciborie geven, twee altaardwalen en twee kazuifels.  Daarbij zou zij voorzien in het tekort van olie voor de koorlamp.

Het was immers haar voorganger, Anselmus Adornes die, in de 15de eeuw, grond aan de kerk gegeven had om met de opbrengst daarvan de olie in die lamp te bekostigen.  Die grond bracht nu niet meer genoeg op en madame Allegambe zou het tekort bijpassen.  Madame moest echter verder het recht behouden aanstelling van kerkmeesters of dis- en gildemeesters goed te keuren en ook de rekeningen die door die mensen werden opgesteld, wilde zij nazien en goedkeuren.

Dat concordaat tussen madame en de pastoor van Ronsele gebeurde op 16 april 1735.

Het valt te onderzoeken of Marie Bernardine Allegambe wel degelijk haar belofte gehouden heeft.

Juffrouw Dhanens, die alle kunstsmeedwerk in het Meetjesland beschreven heeft, vermeldt geen ciborie te Ronsele rond 1740.  Het is best mogelijk dat die ciborie er nooit kwam, maar het kan natuurlijk ook zijn dat zij tijdens de Franse Revolutie verdween.

Wat de gewaden betreft, dus twee kazuifels en twee altaarkleden, dat zou eens te Ronsele moeten onderzocht worden, misschien bleef er daar wel iets van over.

Het is echter ook mogelijk dat madame het altijd maar uitgesteld heeft van haar belofte te houden.  Zij had nu gelijk gekregen en dat was voor haar een grote voldoening.

Daniël Verstraete.

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  31-07-2019