Verlichting van het dorp te Waarschoot
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1980, 13de jaargang, nr. 4

VERLICHTING  VAN  HET  DORP
TE  WAARSCHOOT

Verlichting der straten en pleinen door middel van gas, petroleum, en uiteindelijk elektriciteit, is een luxe die slechts een paar honderd jaar geleden werd ingevoerd.

Vóór die tijd was van openbare verlichting op de gemeenten en dorpen geen sprake.  Eenmaal de duisternis" was ingevallen, diende men zich te verhelpen met een kaars, of enig ander "vuur".

Het was toen trouwens nog de gewoonte dat men zich te bed begaf bij het vallen van de duisternis, en opstond bij het krieken van de dag.

In het begin van de 19e eeuw werden, eerst in de steden, lantaarns gebruikt voor het verlichten van pleinen en straten.

Te Waarschoot zelf werd voor het eerst in de winter 1845-1846 een gaslantaarn, één enkele, aan de gemeentepomp geplaatst.

Aan de gemeentepomp is nog het hangijzer te zien van de eerste gaslantaarn.
Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove.

Door die éne lantaarn werd gans de gemeente verlicht, doch voor de inwoners van toen betekende dit schamel lichtje een enorme vooruitgang.

Nadat nu die eerste stap was gezet, werd in de raadszitting van 12 december 1850 het probleem van de openbare verlichting nader besproken en men besliste toen het verlichtingsnet uit te breiden. De dorpskom zou door 7 lantaarns verlicht worden.

De smid Daninck, een dorpsgenoot, kreeg kort daarop opdracht om hangijzers te smeden voor die lantaarns en ze op te hangen op volgende plaatsen:

1. aan de gemeentepomp;
2. aan het huis van burgemeester J.B. Uyttenhove;
3. aan de zuidkant van de winkel van de kinderen Van De Velde, ergens in de straat naar de Kere toe (Schoolstraat);
4. aan de gevel van de herberg "De Koornebloem", toen bewoond door zekere Aers;
5. in de richting van de Oostmoer, op de hoek van herberg "Het smesken";
6. aan het huis van Sophie De Pauw-Callewaert;
7. aan het huis van de heer Hamerlynck.

Die zeven lantaarns brandden met wat men toen noemde Amerikaanse olie, of petrol.

Men kan zich heden nauwelijks voorstellen wat een weelde die zeven lichtjes voor de toenmalige Waarschootnaren betekenden.

De openbare verlichting werd dan ook ten zeerste gewaardeerd en regelmatig aangepast.

Zo waren er in 1879 reeds 11 lantaarns die het dorp verlichtten en zekere dorpsgenoot Francies Saelens had van overheidswege opdracht gekregen de lampen aan te steken en op te passen.

In 1900 waren er al 22 lantaarns.

Te Gent had in het jaar 1898 een wereldtentoonstelling plaats waarop alle nieuwigheden te zien waren. Daar werd voor het eerst een nieuw soort lamp, de "Washington" lamp aan het publiek voorgesteld.

Die lamp was een soort vervolmaking van alle bestaande lampen, die veel meer klaarte gaf en slechts 8 liter petroleum verbruikte in 5 avonden.

De gemeenteraad van Waarschoot aarzelde niet lang om dergelijke lampen aan te kopen, en daardoor was de gemeente in 1907 verlicht door 21 lampen van het gewone type en 4 Washingtonlampen, één aan het Station en drie op het dorpsplein.

Tot in 1913 verhielp men zich aldus met petroleumlantaarns.

De elektriciteit had inmiddels echter bekendheid verworven en in 1913 werd in de gemeenteraad herhaaldelijk aangedrongen om elektriciteit voor de verlichting aan te wenden.

In principe bereikte men een akkoord, doch over de kostprijs moest nog onderhandeld worden. Een overeenkomst werd daartoe ondertekend op 14-01-1914, enerzijds door de gemeente en anderzijds door de C.E.F., of Centrales électriques des Flandres te Langerbrugge.

Daarna werd een gemeentewet opgesteld waardoor iedereen verplicht was de openbare diensten toe te laten palen of stijlen voor de draden aan zijn huis te laten bevestigen of op zijn eigendom te laten oprichten, dit gezien het algemeen nut.

Een petroleumlantaarnpaal, lamp type Washington.
Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove.

Tegen het einde van de eerste wereldoorlog was de elektriciteit een bijna onmisbare kracht- en lichtbron geworden, en het bestaande net diende uitgebreid te worden.

Men nam opnieuw kontakt met de C.E.F., die na een studie een uitgebreid voorstel deed, dat hoofdzakelijk op het volgende neerkwam:

1.   Het ganse projekt zou minstens 18.500 F. kosten, gebeurlijk vermeerderd wegens de oorlogsmoeilijkheden.
2.   Het huidig net van 2.500 meter zou als volgt verlengd worden:
  - Weststraat tot Stuiver, over
- Jagerspad tot spoorweg
- Leest tot splitsing aan Beke
- Beke naar Kruisstraat (Zomergem)
- Beke naar richting Gent
- Hoeksken
- Oostmoer

1.200 meter
714 meter
1.600 meter
400 meter
260 meter
500 meter
2.550 meter

  hetzij in totaal 7.225 meter verlenging.
3.   Gebeurlijk zouden op de Dam, Berg en Hoekje nog verdere verlengingen aangelegd worden.
4.   De lampen van het openbaar verlichtingsnet zouden verdubbeld worden, wat zou neerkomen op 1 lamp per 125 m.

Gezien de slechte financiële toestand van de gemeente (oorlog), werd het voorstel slechts na grondige studie aanvaard.  Het was trouwens een dringende noodzaak geworden.

De Kere vóór 1914. Rechts de herberg "Elk Weerd Hem".
Op de wegwijzer, een "petrollamp".
Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove.

Tegen het einde van 1920 verhoogt de C.E.F. eenzijdig haar tarief, zonder de mening van gemeente noch abonnenten te vragen.  Na hevig verzet verklaart de C.E.F. zich akkoord om het oude tarief te behouden, op voorwaarde dat de gemeente een minimum afname van 100 KW uur zou bereiken.

Waarschoot kon zich hiermee evenmin akkoord verklaren en vestigde de aandacht op het feit dat dergelijke voorwaarden enkel konden leiden tot energieverspilling.

In die tijd was er nog geen sprake van energie-tekort en welke argumenten de gemeente ook maar naar voor bracht, het was allemaal boter aan de galg.  Noodgedwongen was ze verplicht de eisen van de C.E.F. in te willigen, wat anderzijds ten goede kwam van de bevolking, daar de openbare verlichting nu langer kon aanliggen om het vereiste verbruik te bekomen.

In 1924 werd de wijk Arisdonk voorzien van elektriciteit, en gezien die aansluiting een groter verbruik meebracht werd op 24-09-24 een nieuw kontrakt gesloten waarbij de eenheidsprijzen opnieuw werden verlaagd.

Inmiddels was de elektriciteit alom bekend geraakt en iedere wijk die nog niet aan het net was aangesloten, stuurde petities naar het gemeentebestuur.  Die aanvragen werden door de gemeente onverwijld doorgestuurd naar de centrale, inmiddels van naam veranderd, en die nu de "Centrales électriques des Flandres et Brabant" of C.E.F.B. noemde.

Straatlantaarn Petroleumlamp voor binnenverlichting

In 1928 wordt weerom een nieuw kontrakt gesloten met de centrale en voortaan kon de gemeente genieten van een "nachttarief".

Gezien het voordelige van die "Nacht-verlichtings-tarief" besloot de gemeenteraad in zitting van 12-02-29 om de openbare verlichting gans de nacht te laten branden, tot veiligheid van de inwoners.

Het volk van toen had dergelijke wonderen nog nooit meegemaakt; stel U voor: Verlichting gedurende gans de nacht !

Nu was gans de gemeente, met uitzondering van de Dam, de Zoutweg, de Koude-Keuken, de Voorde en de Witte Moer van het elektriciteitsnet en de openbare verlichting voorzien.  Men zal wel begrijpen dat die verlichting op sommige buitenwijken zich beperkte tot een schamel lichtje dat aan een boom of pilaar bevestigd was.

Het zou nog duren tot in het jaar 1953 vooraleer het elektriciteitsnet zou doorgetrokken worden tot op de Zoutweg en de Koude-Keuken, en nog 6 jaar langer, tot in 1959, vooraleer de Voorde en de Witte Moer elektriciteit en openbare verlichting kregen.

Thierry Catteeuw

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  03-08-2019