Adriaan Ryckaert - B IIb

B IIb - Adriaan Ryckaert

fs Joannes Ryckaert (B Ib) en Petronella Van Den Hende

° Eeklo 18/12/1674
x Eeklo 18/10/1698 Isabella Bibuyck
xx Watervliet 28/8/1702 Livina VAN Hecke
xxx Watervliet 11/1/1721 Joanna Kieckemans
x4 Watervliet 24/9/1728 Anna Jacoba De Grave
† Watervliet 11/1/1729
 

Isabella Bibuyck (° Eeklo 22/9/1673 - † Eeklo 24/6/1699) was de dochter van Adriaan en Maria Van Heyle.
Livina VAN Hecke was de weduwe van Frans Van Hecke die overleed te Watervliet op 6/4/1702.  Ze overleed op 11/4/1713.
Joanna Kieckemans overleed in Watervliet op 3/11/1724.
Anna Jacoba De Grave (° Watervliet 31/12/1702 - † Watervliet 4/8/1732) was de dochter van Petrus en Georgia Van Hecke.

Adriaan was een tijd schepen van Watervliet.

Ook al was Adriaan viermaal gehuwd geweest, hij kreeg slechts twee kinderen, één uit zijn eerste huwelijk:

  1. Joannes Baptist Ryckaert
    ° Eeklo 10/1/1699
    † Eeklo 23/1/1699

En één uit zijn vierde huwelijk:

  1. Petronella Thérésia Ryckaert
    ° Watervliet 6/7/1729
    † Watervliet 30/5/1734
     

Adriaan, die dus viermaal was gehuwd geweest, was een zeer welstellend man en woonde als schoenmaker op het dorpsplein te Watervliet, waar hij ook een schoenwinkel had.  Op 21 september 1728 had Adriaan, voor zijn huwelijk met Anna Jacoba De Grave, ten overstaan van de schout van Watervliet, Inghelbert Van Laecken, een huwelijkskontrakt laten opmaken,waarin onder meer vermeld stond, dat bij het overlijden van één van de kontraktanten, de nagelaten goederen moesten verdeeld worden naar rata van de helft aan de langstlevende ecntgenoot of echtgenote en de andere helft aan de kinderen die uit hun huwelijk gesproten waren.  Indien er geen kinderen waren moesten de beide helften van de nalatenschap naar de respektievelijke erfgenamen van beider hunne gaan.

De staat van goed opgemaakt in het sterfhuis van Adriaan laat ons de volgende nalatenschap kennen:

  1. Een woonhuis op de noordzijde van de dorpsplaats van Watervliet, waar Adriaan woonde, met de achterkant van de tuin palende aan de Christoffelpolder-zeedijk, gebouwd op cijnsgrond van de heer van Watervliet, mits een jaarlijkse cijnspacht van
    IS schellingen groten.
  2. 2 gemet land in de Oudemanspolder binnen de heerlijkheid van Waterland-Oudeman tussen de Jeronimuspolder en een kreek.
  3. 3 gemet 158 roeden land, gelegen in de Oudemanspolder, maar op de heerlijkheid van Watervliet

Bovenvermelde goederen waren paterneel, t.t.z., afkomstig uit de nalatenschap van Adriaans ouders, volgens een verkaveling van 8 februari 1715.

  1. Een woonhuisje met omtrent 109 roeden land en boomgaard, binnen Eeklo in het Vincentstraatje, gekocht van Joanna De Pauw, weduwe van Franciscus De Croock, dd. 22/3/1717.
  2. De helft van een hypothecaire rente van 3 pond groten ten laste van de weduwe Sleehaeghe.

Deze goederen waren konkestgoederen, d.w.z. dat zij verworven werden tijdens hun huwelijk.

De volgende goederen waren materneel, dus verworven uit de successie van de ouders van Jacoba De Grave, Andriaans vierde echtgenote, die ook voor een deel voortkwamen uit de erfenis van haar grootouders.

  1. 1/10de deel in een gehuisde hofstede met schuur, stalligen en 30 genet 16 roeden land, gestaan en gelegen te Watervliet in de Clarapolder op Statenbodem, dus op Hollands grondgebied, noordwaarts van de kerk van Watervliet en dicht bij de dijk van de Jeronimuspolder.  De ouders van Anna Jacoba De Grave hadden deze hoeve tijdens hun huwelijk gekocht van Jan De Voght.
  2. 1/10de part van twee gemet land te Watervliet in de Christoffelpolder, "langs de straete die loopt van Watervliet naer Crappersgath", groot 60 roeden.
  3. 1/10 deel in 2 gemet zaailand te Watervliet in de Mariapolder, genaamd het Spletstuck, zuid aan de Cocquytpolder-zeedijk.
  4. 1/5de deel in 2 gemet 150 roeden land te Kaprijke in de Wautersakker, zuid van de Braeckstraat en het Capryckestraatjen, komende uit de nalatenschap van haar moeder.
  5. 1/4de van 400 roeden land in de Mariapolder, uit de erfenis van haar grootvader.
  6. 25 roeden land in Bassevelde uit hogergenoemde nalatenschap.

U ziet dat ook de nagelaten goederen van de ouders van Anna Jacoba De Grave, nog zeer lang na hun overlijden in onverdeeldheid gebleven zijn en er zelfs nog onverdeelde goederen in gemeenzaamheid gebleven waren uit de successie van hun grootouders.

Volgens de staat van goed, opgemaakt na het overlijden van Adriaan, werd in de schoenwinkel op het dorpsplein te Watervliet een zekere hoeveelheid mans-, vrouwen- en kinderschoenen geïnventariseerd, evenals een hoeveelheid pantoffels en laarzen, alles ter waarde van ruim 21 pond groten.  Het meubilair, de huisraad, de garde-robe en de sieraden, zowel van Adriaan als van zijn vrouw, werden zeer hoog geprezen en getuigen van de welstand van het echtpaar.  Als sieraden noteerden wij: twee gouden hangers, een met diananten bezet kruis, gouden oorringen met fijne steentjes bezet, een gouden kruis, een zilveren ring en dito ketting en nog wat "cleynigheden", waaronder een gouden borstspeld.  Dit alles werd geschat voor een waarde van ruim 14 pond groten, een niet onaardig bedrag.

Al deze goederen waren "vry ende onbelast van enighe rente".

SAE n° 1026 f°293 en 1105 minute, st.v.goed sterfhuis van Adriaan Ryckaert, dd. 21/11/1731.

Na het overlijden van Adriaan Ryckaert te Watervliet in 1729, was zijn weduwe, Anna Jacoba De Grave a1daar in 1730 hertrouwd met Charles Van Damme.  Kort daarop geraakten de wethouders van Watervliet en deze van Eeklo verwikkeld in een langdurig proces, dat eerst voor de Rand van Vlaanderen werd gevoerd, die er zich niet over uitsprak en de zaak doorstuurde naar de Grote Raad van Mechelen, in die tijd het hoogste rechterlijk hof van de Nederlanden.

Wat was nu de oorzaak van dit langdurig en vinnig rechtsgeding ?  Deze oorzaak was tweerlei.

Adriaan Ryckaert was aanvankelijk keurbroeder geweest van de Stede ende Keure van Eeklo, door geboorte, omdat hij te Eeklo was geboren uit ouders die eveneens het statuut van keurbroeder van deze keure hadden bezeten.  Daarom werd, zoals wij daarnet zagen, de staat van goed na zijn overlijden verleden ten overstaan van de wet van Eeklo, alhoewel hij te Watervliet was gestorven.  Ook zijn drie echtgenoten, die voor hem overleden waren, zouden normaliter keurzusters van Eeklo moeten geweest zijn uit hoofde van hun huwelijk met een Eeklose keurbroeder.  Adriaan was dus wel keurbroeder gebleven van Eeklo tot aan zijn dood in 1729, zelfs wanneer hij in 1728 te Watervliet huwde met de aldaar geboren Anna Jacoba De Grave en zijn geboortedorp Eeklo verliet om zich voorgoed te Watervliet te vestigen.

Na het overlijden van Anna Jacoba De Grave, die ondertussen getrouwd was met Charles Van Damme, ontstond hogergenoemd proces tussen de wethouders van de stede ende keure van Eeklo en deze van de stede van Watervliet.  De eerste oorzaak was het passeren van de staat van goed van het sterfhuis van Anna Jacoba De Grave.  De wethouders van Eeklo en die van Watervliet hadden elk van hun kant aan Charles Van Damme verzocht om de staat van goed van het sterfhuis van zijn echtgenote neer te leggen op de greffie van hun respektievelijke raadshuizen.  Watervliet eiste dit recht voor zich op omdat Anna Jacoba binnen hun rechtsgebied was overleden, terwijl Eeklo zich dit recht meende te mogen toeeigenen omdat Anna Jacoba, uit hoofde van haar vroeger huwelijk met Adriaan Ryckaert, keurzuster van Eeklo was geweest en dit tot aan haar overlijden gebleven was.  De wet van Watervliet betwiste vinnig deze bewering en meende te weten dat Adriaan Ryckaert, wanneer hij in 1728 te Watervliet met Anna Jacoba De Grave was gehuwd, aan het statuut van keurbroeder van Eeklo had verzaakt en zich te Watervliet kwam vestigen, waar hij nadien altijd is blijven wonen en er ook overleed.

De tweede oorzaak die het voorwerp van een betwisting uitmaakte was het feit dat Charles Van Damme, die na het overlijden van Adriaan Ryckaert met zijn weduwe was gehuwd, zich nadien beriep op het statuut van keurbroeder van Eeklo, omdat hij met een Eeklose keurzuster was gehuwd.

Eerst werd er tussen de wethouders van beide steden langdurig geredetwist, maar aangezien ieder van hen pal op zijn standpunt bleef, werd de zaak afhangig gemaakt bij de Raad van Vlaanderen, het hoogste gerechtshof in Vlaanderen, met zetel te Gent, die cr zich niet over uitsprak en het geval doorstuurde naar de Hoge Raad te Mechelen, het hoogste gerechtshof van het land.

Rakende de eerste zaak, het passeren van de staat van goed van het sterfhuis van Anna Jacoba De Grave, werd op 7/5/1736 de wet van Watervliet in het gelijk gesteld, omdat het gebleken was dat Anna Jacoba geen keurzuster van Eeklo geweest was.  Eeklo hield het been stijf, tekende tegen deze beslissing beroep aan en bracht de zaak voor de Hoge Raad te Mechelen.

Wat betreft de tweede zaak (het keurbroederschap van Charles Van Damme) weten wij dat ook hij geen gelijk zal gekregen hebben, aangezien hij nooit in het keurbroederschap van Eeklo werd opgenomen.  Na zijn dood werd op 23 januari 1753, weerom door de wethouders van beide steden, aan zijn weduwe, toen Maria Lafort, met wie hij na de dood van Anna Jacoba De Grave was gehuwd, schriftelijk verzocht de staat van goed van haar man op hun greffie voor te leggen, vóór 6 maart 1753.

Wat het eigenlijke gevolg van deze processen is geweest weten we niet precies.  Eén zaak is zeker, dat wij noch in het archief van Eeklo, noch in de paperassen van Watervliet, een staat van goed van Anna Jacoba De Grave, noch van Charles Van Damme hebben weergevonden.

SAE n° 210 en 211, Processen.


De ouders van Adriaan:
Joannes Ryckaert (B Ib) en Petronella Van Den Hende

Top van deze blz.
Onze Ryckaert welkomblz
Inhoudstafel  -   Overzicht  -   Zoek-bladzijde

U heeft een aanvulling, een commentaar, een foto of een verbetering ?
Neem dan aub contact op met ons !



MijnPlatteland homepage
MijnPlatteland homepage

Copyright Notice

Meest recente bijwerking :  29/06/2020