Een pastoor uit het Meetjesland
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1985, 18de jaargang, nr. 3

EEN PASTOOR UIT HET MEETJESLAND

Sies Sonneville

1. Van jonge man tot pastoor in Watervliet.

Omwille van het feit dat niemand met Sies Sonneville gemeenschappelijke belevenissen had, lang vóór hij in Watervliet werd benoemd, is het ondoenbaar zijn handel en wandel in zijn jeugd na te gaan.  Uit onduidelijke verhalen ontwaart men evenwel de kwajongen en de toekomstige jager.  Tijdens zijn collegetijd moet hij zich eens, samen met een paar vrienden, toegang verschaft hebben tot de wijnkelder van de leraars.  Blijkbaar aangetrokken door de edelste der dranken hebben ze enkele kleinodiën meegenomen naar veiliger oorden.  Bij gebrek aan een kurketrekker hebben ze dan maar de halzen van de flessen stuk geschoten met een karabijn.  Uiteindelijk hadden ze er geen enkel voordeel bij want, nog juist op tijd belette iemand hen te drinken van de wijn waar ongetwijfeld massa's glasschilfertjes in neergekomen waren en dus een ernstig risico vormden.  Zou het kunnen dat de jonge Sonneville uit dit voorval zo'n gevoel van onvoldaanheid heeft overgehouden, dat geen enkele hoeveelheid nog in staat was het kompensatiepeil te bereiken ?  Hoe dan ook, de heer Verstuyft, die naderhand soms belast was met het aanvullen van de Watervlietse pastorijkelder, stelt zich nog steeds guitige vragen omtrent de absorberende kapaciteiten van zijn schoonoom.


Moeder Sonneville op het voorouderlijke erf.

Het bleek reeds dat Sies, samen met Honoré Coppieters uit Overmeire, de latere bisschop van Gent, zijn humaniorastudies voltooide in het Sint-Vincentiuskollege van Eeklo.  Deze instelling draagt sedert tientallen jaren de bijnaam "boerencollege".  Misschien is het daarom dat hij er zich meer thuis voelde dan in welke Gentse school ook.  Hij, de zoon van boer Sonneville, opgegroeid tussen het vee, stoeiend in de weiden of op de hooischelf, meezingend met de mensen op het veld, die roken naar zweet en naar stallen !  In Eeklo was er nog groen op de speelplaats en kon men bij gelegenheid de reuk opsnuiven van gedroogd aardappelloof dat verbrand werd in de hovingen, achter de huizen van de Zuidmoerstraat.

Wanneer de rhetorikastudenten hun levenskeuze bekend maakten, waren er vroeger in een katholiek kollege steeds enkele kandidaten-priesters bij.  Sommigen bevestigden wat de gemeenschap vermoedde.  Anderen, waarvan de medestudenten ook sterk in een geestelijke roeping geloofden, bleken dan toch een afwijkende weg op te gaan, en nog anderen, waarvan niemand het dacht, trokken naar het seminarie.  Sies zal wellicht een plaats gevonden hebben in deze laatste kategorie, zoals misschien ook wel zijn vriend Coppieters.

Of het voor de familie onverwacht kwam is niet zo zeker.  De Sonnevilles waren een geslacht van geestelijken; dat heeft elke vader in die struik aan zijn kinderen verteld.  Uit de generaties die zijn voorgegaan, zijn kanunniken opgestaan en vikarissen, en ook in de kerk van Sleidinge werd een grafsteen ingemetseld van een pastoor Sonneville, die daar vroeger stierf.  De meervoudsvormen steunen op objektiviteit en niet alleen op familietrots, dat bleek uit vele doodsprentjes.  Men neemt het aan met een soort vanzelfsprekendheid dat nonkel "Nonkel de Paster" werd.

De priesters uit de familie lieten mekaar hun boeken na.  Dit verklaart de aanwezigheid van vele oude, meestal Franse, werken in de persoonlijke bibliotheek van paster Sies, onder meer de volledige werken van Bossuet.  Na zijn dood werden ze alle geschonken aan de universiteit van Leuven.

In 1893 werd Franciscus Sonneville tot priester gewijd en onmiddellijk benoemd tot subregent aan het Sint-Antoniuskollege te Ronse.  Uit die periode is ons helemaal niets bekend, alleen dat het duurde tot 23 september 1897 eer hij tot onderpastoor in Wichelen werd aangesteld.  Hiermede eindigt trouwens de opsomming van zijn mutaties, vooraleer hij in Watervliet aanbelandde.  Die eenvoudige loopbaan past bij de man, maar bewijst tevens zowel zijn honkvastheid als de waardering van zijn parochianen.  Wanneer het in de verte rommelde van misnoegen, zelfs ten onrechte, bleef een overplaatsing meestal niet te lang uit.

Het moet zowat 1904 of 1905 geweest zijn toen hij in Destelbergen op bezoek was bij de familie Williame.  Hij werd er getroffen door een ziekte, waarvan de naam uit de herinnering werd weggewist, doch die elk vervoer van de patient uitsloot.  Het onverwacht gebeuren veroorzaakte uiteraard paniek, doch niet omwille van de verzorging.  De onderpastoor was bij goede vrienden en hij werd er gedurende een jaar liefdevol verpleegd.  Zijn immobilisatie moet vroeger geëindigd zijn, aangezien hij peter werd van een dochtertje, dat in het gezin van zijn gastheren middelerwijl geboren werd.  Dit kan vraagtekens doen rijzen omtrent zijn relatie met zijn ouders, die dan weer niet zouden stroken met zijn gehechtheid aan zijn familie.  Alles vindt een uitleg in de karaktertrekken van de stam Sonneville.  Op de hoeve in de Kerkstraat werd gearbeid: tijd om ziek te zijn kon er niet af, en eventuele ziekenzorg werd, van oudsher, tot een minimum herleid.  Vader was nog niet lang overleden en moeder was halverwege de zestig.  Sies zal wel begrip gehad hebben voor de situatie, maar het zou niet verwonderlijk zijn indien hij tijdens zijn verzorging het onderscheid in de waarden vanuit een ander standpunt leerde bekijken: het verschil tussen, in eerste instantie, de zorg om de mens, of de zorg om de voorspoed.  Als dat waar is, zou het verblijf in het gezin Williame zijn leven en zijn werk hebben getekend.  Voor de rest van zijn leven is hij ten andere in nauwe betrekking gebleven met de kinderen uit dit gezin.  Naderhand werden ze zijn wijnleveranciers: nu en dan gaf hij twee- of drieduizend frank en vroeg daarvoor "zoveel mogelijk flessen".  Azijn mocht het niet zijn, maar de dure crus vonden evenmin genade.  Hij was een wijnliefhebber doch geen wijnkenner: veel flessen, was zijn zorg.  Dit is ietwat strijdig met wat sommige familieleden tot nu toe dachten... het is ook zo lang geleden !  Trouwens, destijds meenden sommigen dat alle Bordeaux even goed waren.

Sies Sonneville, handelaar in boter en eieren
Sies Sonneville, handelaar in boter en eieren !

De onderpastoor van Wichelen moet nóg eens zeer ernstig ziek geweest zijn, zodanig dat men vreesde voor de afloop.  Verscheidene parochianen brachten hem een bezoek, doch van een gesprek kwam niet veel terecht door de hoge koorts, die hem nu en dan deed ijlen.  Per definitie duurden die bezoeken niet lang.  Op zekere dag werden een paar mensen buiten geleid, toen Sies weer tot het bewustzijn kwam.  Hij hoorde hoe de huishoudster in de aangrenzende gang mantels en hoeden aanreikte, terwijl op gedempte toon verteld werd hoe de Schelde, in de gemeente, krioelde van de vissen.  Het is duidelijk voor al degenen die hem hebben gekend, wat zo'n gesprek aan reaktie moest verwekken.  Onmiddellijk is hij één en al aandacht.  Niets ontgaat hem van de gefloerste stemmen, de koorts is weg, de oogjes flikkeren.  Hoe zwaar wegen nu die dekens op zijn lichaam en hoe besloten is die kamer !  Vissen blijven niet steeds op dezelfde plaats en weldra weet gans de gemeente het !!!  Het kan niet betwijfeld worden dat hij voor de rest van de dag en de ganse avond heeft nagedacht en overwogen wat hem te doen stond om te kunnen genieten van die hemelse situatie...  's Nachts is hij stilletjes opgestaan en heeft zich aangekleed.  Hij trok er op uit met zijn netten.  Nota bene, hij was een kunstenaar in het breien van visnetten !  Van dan af ging zijn herstel in spoedtempo.

De jonge pastoor Sonneville van Watervliet.
De jonge pastoor Sonneville van Watervliet.

Tijdens de oorlog 14-18 ontstond, zoals tijdens de tweede wereldbrand, weerstand tegen de bezetter.  Het verzet had niet dezelfde omvang en ook niet dezelfde middelen die het een kwart eeuw later zou hebben.  De twintigste eeuw heeft ons volk de oefening niet gespaard en, precies lijk in andere zaken, leert men zich verzetten al doende.  Sies werd lid van 'de weerstand.

Veel last met de Duitsers had hij in den beginne niet, tot op een dag, of liever, tot op een nacht zijn stropersbloed weer wild werd.  Hij trok er op uit om patrijzen te vangen in de velden van Wichelen.  Het regende pijpestelen die nacht, en de grond lag doorweekt.  Hij kwam niemand tegen uiteraard, want de avondklok was ingesteld.  In een hokje, gelegen aan zijn jachtterrein, waar de soldaten soms kwamen schuilen bij ontij, trok hij vuile kleren aan en legde zijn soutane, en al wat erbij hoorde in het stalletje.  Zo was hij toch beter uitgerust om de modder te trotseren, en zo begon hij zijn werkzaamheden, waarbij hij er zorg voor droeg geen gerucht te maken.  Kort nadien kwamen patrouillerende Duitsers in het hokje schuilen en vonden de priesterkleren.  Op zijn minst toch verdacht, he ?  Omzichtig speurden ze de omgeving af, het geweer in aanslag.  Maar de velden zijn ginder niet zo wijds als in Watervliet en weldra hadden ze de stroper ontdekt.  Geen diskussie mogelijk: hij had de bevelen overtreden door de avondklok niet te eerbiedigen en hij werd aangehouden.  Die nacht heeft hij verder doorgebracht in de nor van de Rijkswachtkazerne.  Akkoord, 's anderendaags werd hij na ondervraging vrij gelaten, maar het is toch zijn aangenaamste herinnering niet geworden.

Hij is er dan niet lang meer gebleven.  Om redenen die niet duidelijk zijn, doch die in verband moeten gebracht worden met zijn aktiviteiten in de weerstand, kwam hij terug naar Destelbergen.  Zijn baard liet hij groeien, een volle rosse baard; zijn priesterkleren had hij afgelegd en liep rond als leek.  Zijn identiteitskaart vermeldde als beroep: "handelaar in boter en eieren".  Het was een totaal andere verschijning geworden.  Die periode duurde verscheidene maanden, wat het bisdom heel die tijd scheen te respekteren.  Er moet bijgevolg een mogelijkheid van gevaar hebben bestaan.  Anderzijds blijkt uit de benoeming te Watervliet dat de risico's overdreven geacht werden, aangezien de identiteit van Sies Sonneville weer aan de openbaarheid werd prijs gegeven, terwijl het land nog onverminderd bezet was.  Op het bisdom kon men de tijd nemen, om de kat uit de boom te kijken in eerste instantie, en naderhand om aan die duivelse (bij manier van spreken natuurlijk) Sonneville de gepaste plaats te bieden.  Zo'n kruid gedijt niet in de stad.  In de salons van de heren zou hij de tapijten bevuilen met zijn slijkerige schoenen, zowel letterlijk als figuurlijk.  Die man hoort thuis in de natuur, waar de horizonten het verst zijn, waar de mensen aan de grond kleven en weerbarstig en weerbaar geworden zijn door hun strijd met de aarde.  En zie..., daar in het noorden van het Meetjesland, in de rijkste polders van Vlaanderen, sterft op 21 januari 1918 Karel Verbraeken, pastoor van Watervliet.  Op 7 februari 1918 werd Franciscus Sonneville, op zevenenveertigjarige leeftijd, tot de opvolger benoemd.

J. De Paepe.

Separator

Een Pastoor uit het Meetjesland 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  02-12-2019