II.  DE LANDBOUWWERKTUIGEN


A.  VELD

1.  Van Hak tot Brabantse Ploeg

Wie zaait op een vuil, verwaarloosd stuk grond zal niets oogsten.  Dat weten wij en dat wisten onze voorouders ook.  Hun grote bekommernis zal wellicht geweest zijn: Hoe krijg ik een zuivere, losse laag aarde waarop ik zaaien kan? Met hun handen trokken ze al het onkruid weg, maar dit was niet voldoende, de aardschors was nog hard en met hun handen alleen konden zij zich hierbij niet behelpen.  Zij hadden een werktuig nodig.  Zij bouwden een haakvormig scherp voorwerp en zo trokken ze de bovenste aardlaag stuk.  Het eerste landbouwwerktuig was geboren en gedurende eeuwen was dit het enige dat de landbouwer bezat.

Uit dit eerst geboren werktuig «hak» (afb.: 1,a) genoemd, ontstonden er drie andere die tot in onze dagen bewaard gebleven zijn: het houweel (afb.: l,b) (kapper), de spade en de ploeg.  Het houweel ontstond doordat men het bovenste, scherpe deel van de hak wegliet.  Zo bleef het onderdeel bewaard.

Er ontstonden verschillende types.  Het voornaamste is de kapper.  Deze kapper had een zeer lang blad.  Onlangs gaf een boer mij een demonstratie.  Het was werkelijk merkwaardig, hoe met een handige beweging de binnenste aarde boven kwam.  Het land werd aldus goed en veel sneller bewerkt dan met een spade (afb.: l,c).  Deze laatste ontstond doordat men de steel niet loodrecht op het blad bevestigde, maar hem er plat aan vast maakte.  Het enige verschil tussen de spade van nu en die van vroeger is het volgende.  Tot het einde van de 17de eeuw liet men het hout ver over het metaalblad gaan, thans wordt een gedeelte van het metaalblad rond het hout gedraaid.

De spade en de gewone kapper worden thans nog gebruikt; de ploegkapper daarentegen is verdwenen.

Uit de hak ontstond eveneens, zoals ik hierboven opmerkte, de ploeg.  Een beknopt overzicht van zijn ontwikkeling is wel de moeite waard.

Het eerste voorwerp dat door een dier getrokken werd en dat tot dienst had de aardschors te breken, was de «kromhout» (afb.: l,d).  Het dier werd aan de horizontale balk aangespannen en de korte, scherpe arm verbrijzelde de bovenste aardlaag.  Om het werktuig beter te kunnen besturen werd de korte arm verlengd.

Bekijken wij eens een schets van een oude ploeg (afb.: I,c).  Zo raken we vertrouwd met de namen van de onderdelen.


Afb. 1

Uit het kromhout ontstonden twee nieuwe werktuigen.  Eerst het «aratrum» of de Romeinse ploeg.  Deze had naast een scherpe punt (ploegijzer) nog aan beide kanten een zijplankje (riester) dat de aarde op de kant wentelde.  Het nadeel hiervan was, dat de aarde aan twee kanten geworpen werd.  We hebben hier dus een symmetrisch werktuig.  Hieruit ontwikkelde zich de binoot en de beerploeg, die we verder bespreken.

Het tweede werktuig is dan de eigenlijke ploeg.  Hij leek op het aratrum maar had slechts aan één zijde een riester, zodat de aarde aan één kant verwijderd werd en men dus beter de grens zag tussen bewerkt en onbewerkt land.  De ploeg is dus een asymmetrisch werktuig.

Een groot nadeel bij die werktuigen was, dat de voorbalk rechtstreeks aan het trekdier gebonden lag.  Door zijn bewegingen schudde de ploeg op en neer.  Om hieraan te verhelpen bracht men, in de 13de eeuw, een tweewielig wagentje aan waarop de ploegbalk rustte.  Het dier trok nu de wagen en de ploeg behield gedurende het werk dezelfde stand.  De Franse naam «charrue» en de Westvlaamse naam «karmiole» herinneren ons nog hieraan.  Van «carriolle», dat wagentje betekent in het Frans, ging men naar «karmiolle» enerzijds en naar careulle-caru-charrue anderzijds.

Vanaf de 16de eeuw werd in ons land het voorwagentje vervangen door één wiel (cfr tekening 1,e die een 16de eeuwse ploeg afbeeldt).  Vanaf de 18de eeuw werd dit wieltje op zijn beurt vervangen door een voetje, ook «sleper» genaamd.  Het voordeel hierbij was dat het geheel lichter en dus handiger werd.

De ploeg kreeg nadien nog een element bij: de «kouter».  Dit is een hard mes, oorspronkelijk uit eikenhout, dat de aarde moest opensnijden zodat ploegijzer en riester gemakkelijker de aarde indrongen.

Op grote hoeven bracht men het zelfs zo ver dat, wanneer men aan het einde van het veld kwam, de riester aan de andere kant geplaatst werd, de verriestbare ploeg.  Zo moest men niet nutteloos teruggaan.

Een grote stap werd gezet, toen iemand in de eerste helft van de 18de eeuw er aan dacht, schaar en riester uit één stuk te vervaardigen.  Het werd een metalen blad dat vooraan vertikaal stond en naar achteren toe naar beneden plooide.  Het voordeel hiervan was, dat die scherpe, metalen voorkant beter de aarde opensneed en dat de wrijving die door balken, uitsteeksels en hoeken werd veroorzaakt, nu met dat éne stuk was uitgeschakeld.  Ook kon men het ploegblad een grotere hoogte geven, wat een diepere grondbewerking toeliet.  Gevolg van dit alles was, dat men met een veel kleinere trekkracht veel beter werk kon verrichten.


Afb. 2
 

De ploeg werd naar zijn afkomst «Brabantse Ploeg» (afb.: 2) genoemd.  Hij betekende een echte ommekeer in onze landbouwgeschiedenis.  Nu nog steunt de bouw van de moderne ploegen op hetzelfde principe.

Gedurende eeuwen werd dit alaam door de wagenmaker van het dorp vervaardigd.  Buiten het ploegijzer was alles van hout.  Op het einde van de 19de eeuw begonnen enkele dorpssmeden, die weldra grote fabrikanten zouden worden, volledig metalen ploegen bouwen.  De eerste hadden dezelfde bouw als die van hout, maar weldra kregen ze een eigen vorm.  Met metaal kon men de ploegstaart gemakkelijk dubbel maken, zo hield men het werktuig vaster in de handen.  Het is normaal dat de opkomst van de ijzeren ploeg de dood betekende van de houten.  Omstreeks 1935 werden, naar mijn weten, de laatste vervaardigd.

Keren we even terug in de geschiedenis.  Tegen het gevaar van gronduitputting paste men het drieslagbedrijf toe.  Dit betekent dat men het land om de drie jaar braak liet.  Het veld dat daar zo een jaar verwilderd lag, kreeg een harde aardschors.  Om de ploeg niet te beschadigen ging men eerst over het veld met een beerploeg (afb.: 3,a).  Deze bezit slechts een groot, scherp, pijlvormig ploegijzer en dus geen riester.  Hierdoor werd de grond eerst over heel de lengte gebroken en nadien ging men er met de gewone ploeg over.  In sommige streken gebruikte men in de plaats hiervan de binoot (afb.: 3,b), een verbeterde aratrum.  Hier werd de aarschors niet alleen gebroken, maar tevens aan beide kanten van de schaar open gespreid.  De opkomst van de Brabantse ploeg enerzijds, de aanwending van rijkere landvetten die het braak liggen overbodig maakte anderzijds, hadden tot gevolg dat binoot en beerploeg maar weinig meer werden gebruikt, tenzij voor de aardappelteelt (zie verder).


Afb. 3
 

Hier eindigt deze korte geschiedenis van de ploeg.  Nu kunnen we overgaan naar een akkerbewerking omstreeks 1850.

2.  Akkeralaam

Het doel van dit hoofdstuk is kennis te maken met de voorwerpen die gebruikt werden voor de veldbewerkingen.  We zullen de werktuigen niet gewoon aanhalen en beschrijven.  Beter is het, het werk op de akker gedurende wat meer dan een jaar systematisch te volgen en de voorwerpen op het moment dat we ze nodig hebben, in de cyclus in te schakelen.  Zo zien we op een logische en eenvoudige wijze de tijd waarin de werktuigen gebruikt werden en het werkdoel dat deze hadden.

We beginnen in de maand september, tijd van ploegen; dan wordt eerst het wintergraan gezaaid en na de winter de zomergewassen.  We volgen daarna de groei en de teelt van de planten, en eindigen, in oktober van het volgend jaar, met de oogst van het laatste gewas.

Herfstmaand en Zaaimaand (september en oktober)

De oogst is nog maar pas binnen of het paard wordt reeds voor de ploeg gespannen.  Na één lange werkdag is het stoppelveld verdwenen.  Een ruwe laag bruine aarde glanst onder de frisse avondzon.  Het is niet meer nodig de ploeg hier nogmaals te beschrijven.  Wel wil ik opmerken dat men, sinds het einde van de 18de eeuw, niets anders meer gebruikt dan de Brabantse ploeg.  Vorm en grootte veranderden wel met de jaren, het grondprincipe bleef echter hetzelfde.

Het land kon nu nog niet bezaaid worden, daar de aardkluiten nog te groot zijn.  Het veld wordt effen gemaakt door middel van de eg, een houten geraamte doorstoken met houten pennen.  De oudste en tevens de meest verspreide eggen waren de driehoekige.  Dit model heeft haast geen ontwikkeling gekend.  De tanden stonden oorspronkelijk loodrecht op de balken, maar werden nadien een weinig schuin naar voren gericht, opdat de eg aldus dieper in de grond zou dringen.

De evolutie van de vierkante eg (afb.: 4,a) is iets ingewikkelder.  In de middeleeuwen verscheen in sommige gewesten, vooral in de lichte gronden, een vierkante eg.  Men spande de paarden aan het midden van één der randbalken.  Het gevolg hiervan was, dat het werktuig heen en weer slingerde.  Om dit te voorkomen, werd in de 18de eeuw het trekdier aan één der hoeken aangespannen.  Ook de vorm veranderde.  Oorspronkelijk had het geraamte de vorm van een mooie rechthoek met loodrechte tanden.  Deze werden echter vlug schuin ingeplant, zoals bij de driehoekige eg.  Opdat de eg nog beter in de grond zou blijven, zaagde men de balken iets gebogen en het volledig geraamte trok men wat uit de haak.


Afb. 4
 

Men ziet in dat de driehoekige eg veel gemakkelijker te bouwen en ook veel handiger was.  Hoe komt het dan dat de vierkantige tot in onze dagen toch de voorkeur genoot? De verklaring is dat de vierkantige eg veel meer bewerkingen toeliet.  Wanneer het land pas geploegd lag, werd het paard aangespannen in de hoek, zodanig dat de schuine tanden naar het paard toe gericht waren en de eg dus diep in de grond getrokken werd.  Hierdoor verbrijzelde men al de grote aardkluiten.  Nadien bond men het paard aan in de tegenoverliggende hoek, zodat de tanden over de grond sleepten en de bodem zachtjes harkten.  Men kon ook het paard nog zijdelings vastbinden.  Nu ging de eg van links naar rechts.  Dit deed men om het kleine onkruid los te trekken.  Deze laatste twee werkmogelijkheden had men dus niet bij de driehoekige eg, waar men maar op één plaats het trekdier kon aanbinden.

Er bestond nog een derde soort eg, de trapeziumvormige.  Het trekdier bond men aan het midden van de kleine basis.  In het midden van de grote basis stak een stok recht naar boven waarvan het uiteinde een handvat vormde.  Ook lagen de tanden verder van elkaar.  Dit werktuig gebruikte men om de rapen uit te dunnen.

Het veld ligt nu mooi effen en de tijd is gekomen om de wintergewassen te zaaien.  Met grote passen en het bekende gebaar stapt de boer zaaiend over het veld.  Het zaad draagt hij mee, ofwel in een zaaikleed, een soort lange linnen zak die men over de nek vastknoopt, ofwel in een mandje dat op zijn linkerarm steunt.  Het gebeurde zelden dat de boer in voren zaaide.

Het voornaamste werk is klaar.  De boer gaat nog even met de eg over de akker, met de tanden naar achteren gekeerd, om het zaad met een fijne aardlaag te dekken.  In het Vlaamse landsgedeelte gebruikte men soms voor dit werk de sleep (horde) (afb.: 4,b).  Dit is een soort uit eikentakken gevlochten mat, of een driehoekig geraamte waarop men een paar planken had genageld.  De bewerking werd gewoonlijk gedaan voor teelten met klein zaad, zoals vlas, opdat de dekkende laag niet te dik zou zijn.  Soms ook gebruikte men na het ploegen de sleep in plaats van de eg.

Alles staat nu klaar voor de komende lente.  Het zaad ligt veilig geborgen in de aarde.  De boer verdwijnt van de akker.

Wintermaand, Harde maand, IJsmaand, Sprokkelmaand (november, december, januari, februari)

De winter is, zoals deze namen het trouwens zeggen, een harde, koude tijd.  Storm, regen, vorst wisselen mekaar af, sneeuw bedekt bijwijlen het land.  In het midden van februari klaart het weder wat op, maar de koude dringt nog overal binnen.  Bij velen is de houtvoorraad reeds op, sprokkelhout kan door arme mensen best gebruikt worden.

Als de sneeuw wegsmelt krijgen de akkers een vuile, doornatte kleur.  Wie dan in het land van Waas gaat wandelen, zal zeker merken dat de velden niet plat zijn gelijk in de andere streken, maar bolrond.  Dit kwam natuurlijk niet vanzelf.  Het is de landbouwer die deze vorm gegeven heeft opdat het water zou kunnen wegvloeien.  Door het ploegen, het slepen en de regen komt de aarde stilaan opnieuw naar de boorden.  Regelmatig moest de boer dus de aarde terug naar het midden brengen.  Oorspronkelijk gebeurde dit met karren.  Grond van de zijkanten en van de sloten werd opgeladen en naar het centrum gevoerd.  Deze bewerking noemde men karren.

Op een bepaald ogenblik, wanneer weten wij niet, verscheen een zeer eigenaardig werktuig, «Molberd» (afb.: 5) genaamd.  Het is een reuzenschop die door één of twee paarden getrokken wordt.


Afb. 5

In het boek van Paul Lindemans, Geschiedenis van de Landbouw in België, kan men op blz.  195 over het werken met dit tuig lezen «...  de peerdeknecht houdt de steel van 't molberd vast; zolang het molberd geen aarde moet afhalen, duwt de knecht op den steel, zodat het molberd opwaarts rijzende voortglijdt...  als men aan hoogten komt die moeten afgevoerd worden dan heft de knecht den steel opwaarts, zoodat het molberd voortvarende de aarde opschept totdat het vol is; dan duwt de knecht weder op de steel en rijdt met de afgeschepte aarde tot aan een lagere plaats; daar slaat hij de steel voorwaarts over zoodat het molberd van onder te boven keert...» Uit de tekst kan men afleiden dat dit werktuig ook diende om gewone oneffenheden te verwijderen.  Zou het oorspronkelijk doel van het molberd niet geweest zijn, mollennesten, die soms een halve meter hoog kunnen zijn van akkers en weiden weg te voeren.  De naam wijst min of meer in die richting.

Akkermaand (maart)

Deze oude maandnaam situeert onmiddellijk de werkzaamheden van de landbouwer.  De eerste mooie dagen zijn in aantocht.  De boer trekt opnieuw naar het veld.  De overblijvende brake gronden moeten voorbereid worden voor de zomergewassen.  De eerste bewerking is het voeden van de grond.  Hiervoor gebruikt men stalmest, ofwel vloeimest.  Iedereen heeft wellicht in onze streken reeds de driewielkar of tweewielige kar gezien, geladen met een grote houten ton.  Door het openen van de kraan wordt de vloeimest over de akker verspreid.  Dit is de meest voorkomende vorm van beerbak.  Sommige streken hebben een ander, een eigen type van beerbak.  In de streek van Brugge gebruikte men in de plaats van de gewone ton een brede halve ton, met ronde onderkant en platte bovenkant.  Ze waren meestal paars geverfd.


Afb. 6
 

In de streek Wachtebeke-Zaffelare had men een gewone bak, die boven open was.  Met een schep putte de landbouwer de aal uit de bak.  (afb.: 6).

Na dit misschien minder aangenaam maar toch onmisbaar werk wordt het land geploegd, geëgd en ten slotte gezaaid.  Bij dit laatste hield de boer rekening met allerlei factoren, zoals de stand van de maan, de zon, sterren enz.  De zomergewassen kunnen nu kiemen, de wintergewassen echter steken reeds de kop boven de grond.  Een ander werk staat de landbouwer te wachten: het onderhoud van de planten.

Grasmaand (april)

In april, hebben de boeren het druk.  Het onkruid komt te voorschijn.  Het bekruipt het veld vanuit de grasranden die dit omringen.  Daarom zal de boer zo vlug mogelijk de kanten van de akker met een spade afsteken.  Nadien gaat hij met de eg over het veld en, zoals boven reeds werd vermeld, maakt men het paard aan één der zijhoeken vast, opdat de eg overal zou indringen.  De planten moeten ook vastliggende wortels krijgen.  Daarom zal men de grond vastrollen.  Hiervoor gebruikt men de rol.  Deze verscheen slechts op het einde van de 18de eeuw.  Het is werkelijk eigenaardig, dat dit zeer eenvoudig werktuig pas zo laat uitgevonden werd.  Wat deed men dan vroeger? Op oude schilderijen die landschappen voorstellen ziet men soms lange rijen mensen die elkaar de hand geven.  Kijken we even naar hun schoeisel.  We zien dat ze geen gewone klompen dragen, maar klompen met een grote platte onderkant.  Al zingend en dansend werd de grond platgetrapt.  Daarom zei men wel eens van iemand met grote platte voeten: hij heeft «lochtingvoeten».  Op zeer grote bedrijven loste men dit probleem soms anders op.  Men liet de schapenkudde enkele uren op het veld lopen.

Omstreeks 1850 verschijnt het eerste werktuig dat hetzelfde doel nastreeft.  Het is een stenen achtkantige rol, (afb.: 7) draaiend op een metalen as.  De algemene naam hiervoor was «welde».  Men houwde ze achtkantig of zeskantig uit: zo kreeg men regelmatige kloppen die de grond goed samendrukten.

De schapenkudden verdwenen en de nood aan welden of rollen werd steeds groter en groter.  Daar het vervaardigen van stenen rollen veel werk vroeg dacht men eraan deze uit eiken boomstammen te maken.  Tot vóór de eerste wereldoorlog werd dit werktuig haast overal gebruikt.  Een rol wordt nu nog in Limburg «wel» genaamd.  De bewerking heet: het land wellen.


Afb. 7
 

Op het einde van april, begin mei is het koren reeds flink opgeschoten.  Opnieuw zien we het ganse gezin op het veld.  Met de hand trekken ze het onkruid weg.  In sommige streken wordt het onkruid met een kapper verwijderd.  De boer is tevreden.  Iedere morgen kijkt hij door het venster naar de flink groeiende gewassen.  Indien het weer gunstig blijft wacht hem een rijke oogst.  Onverwachte omstandigheden echter kunnen zijn hoop verijdelen.  De landbouwer had vroeger twee grote vijanden.  Eerst de veldmuizen die door hun aantal soms in een nacht hele velden kapot peuzelden.  Sommige hoeken van de gemeente kenden geregeld zulke plagen, zodat men deze wijken dan muishoeken noemde, namen die tot in onze dagen bewaard bleven.

Voor de tarweplaag, ook «het zwart» genoemd, was de boer eveneens heel bang.  Veroorzaakt door Roest Zwammen, kon deze plaag de ganse tarweoogst van een streek doen mislukken.  Machteloos tegenover deze twee plagen, nam de boer zijn toevlucht tot bedevaarten en novenen.

Bloeimaand (mei)

De aardappelteelt heeft aan een ramp haar uitbreiding te danken.  Deze echter was noch door muizen noch door schimmels veroorzaakt, maar door een hevige vorst die op 10 januari 1740 begon en pas op het einde van maart verzachtte.  De graanplanten waren kapot gevroren.  Voedsel ontbrak.  De enige redding was de aardappel, het enig gewas dat laat geplant kon worden.  Het zou verkeerd zijn te denken dat de aardappelteelt dateert vanaf dit jaar, zoals vele geschiedenisboeken ons leren.  De waarheid is dat de aardappelen reeds lang geteeld werden, maar nog als luxe-voedsel werden beschouwd.  De dagelijkse kost was de «potagie», een mengsel van bonen en rapen, met brood.  In 1740 nam de aardappel de plaats in van brood.  Het volgend jaar was er opnieuw brood, maar hoe eigenaardig ook, de aardappel behield men en deze zou weldra de plaats innemen van de potagie.  Het gevolg hiervan was dat, wanneer nu de aardappelen een plaag kregen, men opnieuw zonder voedsel zat.

Reeds meermalen had men ondervonden dat men in droge grond de beste aardappelen teelde.  Daarom dacht men eraan de knollen wat hoger dan het normale niveau te planten.  De aardappelen werden gewoonweg op de grond gesmeten en met een schop of kapper trok men er wat aarde over.  Alzo had het veld het uitzicht van een stuk land vol molshopen.  In de 18de eeuw volgden de grote landbouwbedrijven een andere werkwijze.  De aardappelen legde men in rijen.  Nadien ging men tussen de rijen met een binoot d.w.z.  een ploeg die de aarde aan twee kanten werpt (zie hoger), zodat men regelmatige, lange, evenwijdige ruggen bekwam.  Sommige boeren gebruikten in de plaats van de binoot hun oude beerploeg.  Onder aan de ploegstaart nagelde met een driehoekig plankje.  Deze plank hield de grond tegen en verwijderde deze links en rechts.  (afb.: 9,a)

Daar deze teelt slechts tamelijk laat bij ons haar uitbreiding nam, werd de meimaand door het volk niet de aardappelmaand genoemd.  Wellicht ware dit anders het geval geweest.

Zomermaand, Hooimaand (juni, juli)

Thans ziet men doorgaans gedurende de hooimaand geen hooi meer liggen.  Vroeger echter maaide de boer van einde juni tot half juli.

Met de zeis (afb.: 8,a) op de rug trekt de boer naar de weiden.

Hoewel de vorm van de zeis altijd ongeveer hetzelfde is geweest, heeft het toch enkele veranderingen ondergaan.  Oorspronkelijk was de steel een gewone stok.  De zeissteel rustte bovenaan op de linkerschouder en met de rechterhand in het midden van de steel maaide de boer.  Vanaf de 15de eeuw krijgt de zeis in het midden een handvat.  Dit verlichtte aanzienlijk het werk.  In de 16de eeuw wordt ook bovenaan een handvat bevestigd, zodat men nu het uiteinde van de steel niet meer op de schouder laat rusten, maar met de linkerhand vasthoudt.  Alzo kan men een veel grotere zwaai nemen.  Dat het blad van de zeis snel bot is mag ons niet verwonderen.  Geregeld moet men het van de steel losmaken om het te «zetten».  Met een hamer klopt men lichtjes op de snede.  Om een stevige steun te hebben slaat de boer eerst een soort reuzen nagel in de grond, zodat hij als het ware een klein aanbeeld heeft.

Als hij het gras heeft afgemaaid, verdwijnt de boer van de weide.  Het zijn de meiden die nu blootsvoets het hooi zullen keren.  In sommige streken gebruikte men hiervoor de gaffel (afb.: 8,c).  Dit is een stok met een vertakt uiteinde, in de vorm van een riek.  Hieruit ontstonden onze bekende tweetandige hooirieken.  In andere streken verkoos men de rijf (Afb. 8,b) een soort hooiark met tanden aan beide kanten.  Eens dat het hooi zijn goudkleur gekregen heeft, komen de zware hooiwagens het veld opgereden.  De voorraad zal zijn plaats vinden onder het dak van de schuur.


Afb. 8
 

Oogstmaand (augustus)

De oogst begon ongeveer de laatste week van juli en eindigde omstreeks 15 augustus (in Frankrijk slechts einde september).  Het werk was zwaar en langdurig.  Daarvan getuigen de talrijke mooie Franse en Duitse oogstliederen.  Dat men voor dit werk veel volk nodig had, zo men klaar wilde komen vóór het graan te rijp was geworden, weet iedereen.

Oudere boeren weten nog te vertellen, dat vroeger uit onze dorpen ganse «legers» mannen, geladen met pik en pikhaak, voor enkele weken naar Franktijk trokken om daar de onmetelijke velden af te pikken.  Oorspronkelijk hadden zij geen pik of pikhaak mee maar een gewone kleine sikkel (Afb.: 8,d).  Met dit werktuig «sneed» men het koren.  Hoe men hier te werk ging, staat beschreven in het boek, Geschiedenis van de landbouw in België van P.  Lindemans.  «Met de sikkel kan men op tweeërlei wijze oogsten.  Bij de eerste greep de oogster de halmen onder de aren, en sneed ze met de andere hand halverwege af.  Hij had bij dit werk een zeer speciale houding: het ene been geplooid en het andere naar achteren gestrekt.  Van de afgesneden halmen maakte men schoven in één band, en de zeer lange stoppels die er bleven staan, werden ter plaatse door het vee afgegraasd.

Voor de tweede methode zat de oogster geknield bij het werk en sneed hij de halmen dicht bij de grond af.  Aldus had men meer stro.  Dit werk was tamelijk licht en werd dikwijls door vrouwen uitgeoefend.»

Hoelang bij ons de sikkel hiervoor gebruikt werd, weet men niet.  In Frankrijk was het tot in de 18de eeuw.  Wel weet men dat in de 16de eeuw hier en daar in onze streken de pik en pikhaak (afb.: 8,e,f) opkomen.  De pikken hadden een gesmeed blad, dit vertegenwoordigde een zeker gewicht en maakte het werk tamelijk zwaar.  Om bij transport pik en pikhaak beter te kunnen dragen heeft men vroeger de pikhaaksteel van een opening voorzien waardoor het blad van de pik geschoven werd.

Lang heeft men ook in plaats van het te pikken, het koren gemaaid met de zeis.

Deze werktuigen worden nu nog gebruikt, pik en pikhaak voor het koren, zeis en sikkel voor het gras.

Het was de gewoonte in onze gewesten dat de rijke boeren de arme dorpsbewoners op het land lieten komen om de overblijvende korenaren te lezen.  Om misbruiken te voorkomen werden de velden 's nachts bewaakt, tot de oogst binnengehaald was.

Hoewel nog enkele andere veldvruchten moeten geplukt worden mag men zeggen dat zolang de boer geen nagewassen teelde, het binnenhalen van de oogst de jaarcyclus besloot.  Van nu af aan reeds zorgt de boer voor de oogst van het volgend jaar door het ploegen, het mesten en het zaaien, zoals we in het begin van dit hoofdstuk hebben gezien.

«Oogst geschoren, winter geboren» luidt het spreekwoord.  De dagen korten snel, weldra is het bamisweer.

Pikmaand ( september)

Deze naam leert ons dat men vroeger in september nog veel pikte.  Nu is het vooral de tijd om de aardappelen te rooien.  Hiervoor gebruikt de landbouwer opnieuw binoot of beerploeg.  Met de binoot gaat hij onder de lange ruggen en zo worden de aardappelen omgewoeld en aan de oppervlakte gebracht.  Ze worden dan door heel het gezin opgeraapt en in grote manden geworpen.  Zelden gebruikte men de beerploeg om te rooien.  Zij die het wel deden, vestigden achteraan op de ploeg een soort kleine eg (afb.: 9,b), die de ruggen openspreidde en de aardappelen blootlegde.


Afb. 9
 

Zaaimaand, Bietenmaand (oktober)

Oktober, de zaaimaand, zou men thans in sommige streken, terecht «bietenmaand» mogen noemen.  In één van de Scheldepolders in de buurt van Wachtebeke heb ik voor een paar jaar nog de bieten zien uithalen naar de oude trant.  De boer reed met een speciale wagen (afb.: 10), getrokken door drie paarden, over de doornatte velden.  Een drietal bijzonderheden van deze wagen hebben mijn aandacht getrokken: de vorm van de laadbak (cfr.  tekening), de dikte van de wielen en het kleine laadvermogen.  Deze bijzonderheden zijn gemakkelijk te verklaren.  Vroeger hadden alle wagens deze typische bak, bekijken we maar oude schilderijen.  De schuine bak bouwde men niet om esthetische redenen, maar om praktische.  Zo wist men precies waar de wagen geladen mocht worden.

Bekijken we even de tekening.  Het bakgedeelte boven de achteras is zeer hoog, daar mag men het maximum laden.  Vooraan stijgt de bak maar lichtjes.  De voorwielen zijn klein en kunnen dus gemakkelijk tot aan de as in de modder zakken.  Ze moeten dus minder belast worden.  Naar het midden toe is de bak het laagst.  Daar mocht men slechts het minst laden.  Inderdaad, bij dèze wagens rustte alles op één eiken middenbalk en men moest vermijden dat de wagen middendoor brak.

Op middeleeuwse schilderijen vindt men wagens waarvan voor- en achterkant even hoog zijn, wie goed toekijkt zal merken dat voor- en achterwielen dan even groot zijn.

De dikte van de banden en het kleine laadvermogen zijn nodig opdat de wagen door de lading niet tot over de as in de modder zou zakken.  Oude boeren wisten mij te vertellen, dat voor de eeuwwisseling nog kortere wagens, met grotere wielen maar smallere banden, voor dit werk gebruikt werden.


Afb. 10
 

De hier beschreven wagen prijkt thans in onze verzameling.

Het is één van de laatste drie dergelijke wagens die in de streek van Wachtebeke nog bestaan.  Alle zijn buiten dienst, de laatste sedert de winter 1964-1965.  In Zeeuws-Vlaanderen kan men nog enkele wagens aantreffen die qua uitzicht op de hierboven beschreven gelijken.

Was het land te nat om met deze wagens over het veld te rijden, dan gebruikte men grote sleden waarop men de bak van een driewielkar vestigde.  Daarmee trok men over het veld om met een kleine lading bieten naar de rijweg terug te keren.  Daar stonden de wagens klaar, om beladen te worden.

Zo eindigt dus in een doornat veld, tijdens guur en killig weer dit laatste landelijk werk.
 

Lees verder:  B. Het Hof

Ons voorwoord

De Inhoudstafel

Het Meetjesland
Tijdschrift «Ons Meetjesland»

MijnPlatteland homepage
MijnPlatteLand.com

Meest recente bijwerking :  27-05-2021
Copyright (c) 2024