Oud-Zomergem
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1986, 19de jaargang, nr. 1

OUD ZOMERGEM (1)

Zomergem behoort tot de grootste en belangrijkste gemeenten van het Meetjesland.  De oppervlakte bedraagt 2792 ha 17 a en het heeft thans een bevolking van bijna 7000 zielen, zonder de fusiegemeenten Oostwinkel en Ronsele.  In 1830 telde Zomergem zelfs 7.396 inwoners, doch dit aantal was in 1885 geslonken tot 5.600, als gevolg van de grote handelscrisis in het midden van de 19de eeuw en van het verval van de plaatselijke weefnijverheid.  Toen verloor Zomergem in 55 jaar circa 1800 inwoners, dus ongeveer 1/4 van zijn bevolking.

Zomergem grenst ten Noorden aan Oostwinkel en Ronsele, ten Oosten aan Waarschoot en Lovendegem, ten Zuiden aan Hansbeke en Merendree en ten Westen aan Bellem en Ursel (oude toestand vóór 1977).  Het is de hoofdplaats van een militie-, een kies- en een vredegerechtskanton, tot welk laatste de gemeenten Bellem, Knesselare, Lovendegem, Merendree, Ronsele en Ursel behoorden.  Op 1 januari 1866 telde het 5834 zielen (De Potter en Broeckaert, Zomergem, blz.1).

Onder het oud régime was Zomergem zetel van een ambacht, dat de belangrijkste delen van Zomergem, Waarschoot en Ronsele omvatte.  Gelegen tussen voorname centra, - op 15,5 km van Gent en 25 km van Brugge, - leefden de mensen van Zomergem steeds in nauw contact met deze steden, temeer daar de gemeente gelegen is op verscheidene oude, middeleeuwse handelswegen.  De voornaamste daarvan zijn de Oude Heirweg of de handelsweg Brugge-Keulen (die liep over de Brugstraat te Ursel en over de wijk Rijvers te Zomergem), in het noorden van de gemeente, en de Gentweg die door de dorpskernen van Knesselare, Ursel en Zomergem loopt.  Beide wegen en vooral de eerste kenden al zeer vroeg een intens trafiek (M. Ryckaert en A. Ryserhove: Te Zomergem op bezoek, 10 augustus 1969, Uitg. Appeltjes van het Meetjesland, Maldegem, blz. 3).

De kerk te Zomergem vanuit de Dreef rond 1900
De kerk te Zomergem vanuit de Dreef, bij het begin van deze eeuw.

Zomergem had in het jaar 1469 slechts 151 haarden of gezinnen (J. De Smet: "Dénombrement des foyers en Flandre en 1469").  In 1586 waren er 354 manspersonen aanwezig (Gent RA, Fonds Oudburg, nr 8).  In 1709 waren er reeds 3139 inwoners of 522 gezinnen.  In 1745 waren er 556 manspersonen aanwezig van 18 tot 40 jaar (dus weerbare mannen).  In 1789 was de bevolking gestegen tot 5400 zielen (Gent RA, idem, nr 1930 en nr 1923.  Ook: Fonds Zomergem, nr 4).  In 1792: 5933 inwoners; in 1796: 5778; in 1800: 6221; in 1830: 7396 (Ibid. Daniël Verstraete: De historische geografie van het Maldegemveld vanaf de 17de eeuw, 1943, onuitgegeven licentiaatsthesis, blz. 157).

Dus in honderd jaar tijd was de bevolking van Zomergem meer dan verdubbeld.  En dit was in de grootste mate te danken aan de industriële ontwikkeling, hoewel ook de vooruitgang van de landbouw een zeer grote rol heeft gespeeld, vooral tot de tweede helft van de 18de eeuw (vóór 1750-1760).

In 1796 bedroeg de bevolking hier dus 5778 hoofden.  Hiertussen waren er 519 wevers families en daarbij 198 spinsters of spinners.  Er waren daartegenover slechts 233 landbouwersfamilies.  Dus zouden wij mogen veronderstellen dat de bevolking verbonden aan de vlasnijverheid, het dubbele bedroeg van deze die verbonden was aan de landbouw; nochtans in acht genomen, dat er bij de landbouwersfamilies gewoonlijk veel meer kinderen waren dan bij de wevers (Daniël Verstraete, op cit., blz. 157).

Het jaar 1830 kende het toppunt van Zomergems bevolking.  Dan waren er 7396 inwoners, terwijl er in 1940 nog slechts 5994 waren.  Vooral de tweede helft van de 19de eeuw zag de bevolking van Zomergem verminderen; het blijkt genoeg uit wat voorafgaat, dat wij hier te doen hebben met een centrum van de lijnwaadnijverheid thuis beoefend.  Maar midden de 19de eeuw vervielen de oude installaties om te spinnen en te weven, zoals daar zijn: het spinnewiel en de handweefgetouwen.  Zij werden vervangen door de moderne machines in de fabrieken van de steden (Gent en Eeklo).  Dit stond in verband met de grote handelscrisis van het midden van de 19de eeuwen dat was de oorzaak van de vermindering van bevolking te Zomergem en omliggende (Daniël Verstraete, op. cit., blz. 157-58).

Het oude Gemeentehuis van Zomergem, vóór de oorlog 1914-18
Het oude Gemeentehuis van Zomergem, vóór de oorlog 1914-18.

Zomergem daalde van 7396 inwoners in 1830 op 7136 in 1840; op 6000 in 1850 en op 5600 in 1885 (Op. cit., blz. 158).

De grote volkstelling vertoont op 15 oktober 1846 voor Zomergem het volgend beeld:

Wijken Huizen: Gezinnen: Bewoners:
  Bewoond Onbe-
woond
Tot:   Mannen Vrouwen Tot.:
Zomergem-Centrum 474 7 481 506 1113 1288 2401
Beke 90 3 93 93 250 224 474
Durmen 118 0 118 124 363 337 700
Hoetsel 66 0 66 66 193 182 375
Korteboeken 53 0 53 53 146 129 275
Langeboeken 102 1 103 106 279 278 557
Meirelaere 147 2 149 158 402 415 817
Nekke 125 5 130 131 315 323 638
Roo 64 1 65 64 199 185 384
Stoktevijver 110 0 110 110 274 266 540
1349 19 1368 141,1 3534 3627 7161
(Population. - Recensement général. - Statistique de la Belgique, 15 octobre 1846).

Volgens het bisschoppelijk verslag van 11 september 1627 telde de parochie Zomergem ongeveer 900 paascommunicanten.  Zij voldeden alle aan hun paasplicht, uitgenomen de vrouw van Joannes Coppens, uit de wijk Beke.  Zij wordt beschreven als een verwoede protestante, een wederdoopster ("annabaptistica perversa"), hoewel haar man en haar kinderen katholiek waren (M. Cloet: Visitaties van Mgr. Triest, 1627, blz. 99).

Gemeentehuis en Markt te Zomergem in 1924
Gemeentehuis en Markt te Zomergem in 1924.

In 1654 waren er te Zomergem reeds 1700 paascommunicanten (Ibid., 28 mei 1654, blz. 521).

Zomergem is thans in de ware betekenis van het woord een echte landbouwgemeente, haar grootste bron van inkomsten en de bestaansmogelijkheden van haar bevolking worden bijna uitsluitend in de landbouw gevonden.  In 1796 echter bedroeg de bevolking aan de vlasnijverheid verbonden, ongeveer het dubbel van deze verbonden aan de landbouw.  De gemeente heeft nooit de stroom kunnen volgen die, vanaf het begin van de vorige eeuw, talrijke plaatsen naar de industrialisatie heeft gevoerd, hoewel Zomergem een verbazend groot centrum is geweest van de lijnwaadnijverheid-ten-huize.  Schuchtere pogingen zijn er genoeg geweest, doch de vele kleine bedrijven en nijverheden, die hier in de loop van de 19e eeuw tot stand kwamen, geraakten nooit tot volle ontplooiing of hielden slechts weinige jaren stand, vooral bij gebrek aan het nodige kapitaal.  De Zomergemse gegoede stand heeft blijkbaar nooit veel gevoeld voor speculatieve geldinvesteringen en belegde liever in gronden, bossen en hoeven.  Negentig procent van de Zomergemse loontrekkenden zijn nu nog pendelarbeiders, die te Gent, Waarschoot, Eeklo en Aalter hun brood gaan verdienen.  Vroeger was de uitwijking van werklozen zeer groot naar Amerika, naar de nijverheidsplaatsen van Noord-Frankrijk en naar de kolenbekkens van Mons, Charleroi en Luik (M. Ryckaert en A. Ryserhove: Te Zomergem op bezoek, blz. 3).

Zomergem is een zeer oude gemeente.  Dat blijkt reeds uit de ligging van de kerk, die helemaal vrij staat, omringd door straten en op een heuvel gebouwd.  Maar het wordt nog meer duidelijk in de spiegel van haar oude toponiemen.

De Graanmarkt te Zomergem, vóór de oorlog 1914-18
De Graanmarkt te Zomergem, vóór de oorlog 1914-18.

De naam Zomergem komt voor het eerst voor in een charter van de Gentse Sint-Pietersabdij uit het jaar 814 (kopie 941), waarbij een zekere Wulfrik een deel van zijn allodiale goederen, die hij te Zomergem bezat, aan voornoemde abdij afstond.

Er zijn veel gissingen gemaakt over de oorsprong van de naam Zomergem.  De dichter Ledeganck, auteur van Het Burgslot van Zomergem, beweert dat deze plaats minder oud zou zijn dan andere aanpalende gemeenten.  Om dit te bewijzen haalt hij een kaart van Vredius aan, uit het jaar 861, waarop Merendera en Ronseleda aangeduid staan, terwijl Zomergem erop niet voorkomt.  En nog een andere kaart van Nicasius Fabius, waarop hij zegt dat de beide kleine genoemde gemeenten aangetekend zijn en Zomergem niet.  Dat houdt natuurlijk geen steek, het bewijst enkel de onbevoegdheid van de veel latere topograaf.  Als men de oude jaarboeken van de Sint-Pietersabdij raadpleegt, is men spoedig overtuigd dat Zomergem al in het begin van de jaren 800 bekend was.  Kervyn de Lettenhove vermeldt het, onder de benaming Sumeringehim, als een zeer oude gemeente, gelegen in de pagus Mempiscus (Histoire de Flandre, deel 1, blz. 131).  Van de Putte in zijn Annales abbatiae Sancti Petri Blandiniensis maakt gewag van Zomergem, in 814, onder volgende bewoordingen: "Gero alodem suum dat Sancto petro in Cimbarsaca et Wulfret su urn in Sumerinhim sub Folrado" (Annales Sancti Petri..., blz. 5).  De oorspronkelij ke schrij fwijze was dus helemaal anders dan tegenwoordig.  De oudste vorm is "Sumaringahem".  Pas in de 11de en 12de eeuw schreef men Somerghem, zo b.v. in 1085, 1130, 1166 en 1216; in 1122: Somergem; in 1158: Sommeringhien; in 1163 en 1262: Someringhem; in 1265: Zommeringhem; in 1302: Sommerghien; en in 1330: Zomerghem (De potter en Broeckaert: Zomergem, blz. 2).

Tramstatie en kerk omstreeks de eeuwwisseling
Tramstatie en kerk omstreeks de eeuwwisseling.

Volgens Karel-Lodewijk Ledeganck zou Zomergem niets anders betekenen dan zomerverblijf en eenvoudig zijn oorsprong danken aan zijn verheven en vruchtbare ligging, bij de zoom van het uitgestrekte woud, dat zich in de eerste tijdvakken van onze geschiedenis over Vlaanderen tot aan de Noordzee uitstrekte !  (Voorrede van Het Burgslot van Zomergem, door K.-L. Ledeganck).  De dichter had er nog kunnen bijvoegen dat zomer, Hoogduits Sommer, reeds bij Kero Sumar, Nedersaksisch Sommer, Angelsaksisch Summer, Sumor, tot het oude sommen, vergaderen, terug te brengen is, en aldus beter vergaderplaats kon heten !  (De Potter en Broeckaert: Zomergem, blz. 2-3).

De etymoloog De Smet is echter van een gans ander gevoelen.  Immers, vraagt hij, waarom zou deze gemeente een naam dragen, die evengoed op alle andere plaatsen toepasselijk is ?  Soma, waarvan ons somp, bij Kiliaan sumpe, sompe, en de naam van de gemeente Someren, in Holland, zijn afgeleid, betekent in het Keltisch: moerassige grond.  En alles laat vermoeden, zo gaat hij voort, dat Zomergem van daar komt, en dus woonplaats in het moeras wil zeggen.  De Potter en Broeckaert traden dit vermoeden volmondig bij (Blz. 3).  Zij voegden eraan toe: trouwens de namen van de wijken en hofsteden Durmen, Diepenbeke, Schouwbroek, te Beke, Meerlaar, Stoktevijver, enz., duiden een moerassige grondgesteldheid aan en zijn zeker niet van aard van Zomergem een aangename verblijfplaats te maken !  Heel Vlaanderen was toen nog een moerassige en nietswaardige streek.  Zo armzalig was dit gewest dat, toen Karel de Eenvoudige het in 911 aan de Hoofdman van de Noormannen aanbood, deze vlakaf weigerde: Flandrensem vero provinciam, ut ex ea viveret, voluit rex ei primum impeditione recipere".

De Kleitstraat rond 1900
De Kleitstraat bij het begin van de 20ste eeuw.

"Sumaringahem" is een mooi voorbeeld van een echt Merovingische nederzettingsnaam.  Namen op "-ingahaim" bestaan uit twee elementen: een patroniem, bijna altijd een mansnaam, in de genitief pluralis + haim, heim, ghem, dat woonplaats betekent.  Iemand heette Sumar (zegt de specialist Prof. Dr. M. Gysseling), zij die met hem waren, zijn familie, huisgenoten, gevolg, heetten de Sumaringas; hun woning of dorp heette Sumaringa haim, "de woning van de Sumaringas".  Sumaringa haim is ten slotte Zomergem geworden; in 1122 schreef men reeds Somergem.  Op dezelfde wijze klimmen Adegem en Maldegem op, tot de woonplaatsen van Addo en van Mathalo (Addinga-heim en Mathalinga-heim).

De overige oude namen te Zomergem weerspiegelen doorgaans trouw het primitieve natuurbeeld: Durmen = Dorma, een prehistorische riviernaam; Daalmen of Dalheem = woning in het dal; dit gehucht ligt inderdaad in een inkerving, midden hoger gelegen land; de Steenberg, een kleiachtige heuvel van 28 meter, de hoogste van de streek.  Een bestruikt moeras was een laar: Builare, Meerlare, Vellare, Berrendelare (verbrand laar); Becca = Beke en herinnert aan een waterloop, voorganger van de Lieve.

Vele namen dagtekenen hier ongetwijfeld uit de Merovingische of de Karolingische periode.  "Soms zijn deze natuurnamen later nederzettingen gaan aanduiden, doordat deze de naam overnamen van het landschap waarin of waarbij, of de waterloop waaraan zij ontstonden" (M. Gysseling).

"Zeer duidelijk zijn deze namen te Zomergem een weerspiegeling van het landschap, dat in het westen heuvelig en ten dele nog bosrijk is, in het oosten laag, vlak en vroeger zeer moerassig" (Idem).

De houten molen in de Molenstraat rond 1900
De houten molen in de Molenstraat omstreeks de eeuwwisseling.

Het dorp Zomergem ligt eveneens op een heuvel van 24 meter, waarvan de steilste helling Zomergem-Boven genoemd wordt (reeds vermeld in 1480).

Aangezien men algemeen aanneemt dat de ingahem-namen wijzen op een inbezitname van reeds voorhanden zijnde gronden door Frankische volksgroepen, mag men de mening vooropzetten dat Zomergem al bewoond moest geweest zijn, lang vóór het eigenlijke dorp tot stand kwam en het zijn naam kreeg.  De toponymie voert ons inderdaad terug tot het Keltisch tijdvak, b.v. met de prehistorische naam Dorma (Durmen).  Wanneer wij weten dat Zomergem tot het gebied van de Menapiërs - de pagus Mempiscus - behoorde en dat deze lieden bekend waren voor hun landbouw en schapenteelt, dat de oudste hoeven van Zomergem in de 13de eeuw grote kudden schapen hadden en belast waren met grote vlasrechten, is het zeker niet gewaagd voorop te zetten dat hier mensen zouden geleefd hebben lang vóór de 5de of 6de eeuw.  Enkele prehistorische vondsten, door de heren Plancquaert omstreeks 1860 te Zomergem aan het licht gebracht, deden deze mensen zelfs besluiten dat de bewoners van dit dorp de kunst van het lijnwaadweven reeds onder de knie hadden gedurende het late steentijdperk en toen zelfs tot een betrekkelijke graad van welstand waren opgeklommen (M. Ryckaert).

Al dateert de dorpskern, indien wij deze althans beschouwen als een aaneengesloten gemeenschap van mensen, tezamen levend onder een zekere vorm van bestuur, pas uit de jaren 550-650, toen de eerste kerken in Vlaanderen verrezen, waarrond de inwoners zich meer en meer gingen vestigen en er hun huizen en hoevetjes bouwden, toch is de bewoning veel ouder.  Daarvoor pleiten ook de ligging van Zomergem, de feodale groepering onder een apart Ambacht Zomergem en de status van moederparochie.

De dorpsplaats te Zomergem vóór de oorlog 1914-18
De dorpsplaats te Zomergem vóór de oorlog 1914-18.

Oude nederzettingen en ontginningskernen waren: het centrum, Hoetsel, Daalmen, Schipdonk, Beke, Meerlare, Rapenburg, Stoktevijver, Nekke.  Het is niet uitgesloten dat de primitieve ontginning van Zomergem zich zou ontwikkeld hebben vanuit het zuiden, t.t.z. vanuit de vallei van de Dorma, naar omhoog toe, dus in de richting van Zomergem-Boven en het centrum.  In het zuiden liggen de oude wijken Durmen, Schipdonk, Ro, Hoetsel.  De vroegere berentingen en oude justitierechten aldaar stemmen alleszins tot nadenken (Ibid.).

Administratief ressorteerde Zomergem gedurende het Ancien Régime onder de Kasselrij van de Oudburg van Gent.  Feodaal lag het gegroepeerd onder het Ambacht Zomergem, dat belangrijke gedeelten van Zomergem, Waarschoot en Ronsele omvatte; onder het Land van de Woestijne, met zetel te Aalter; onder de heerlijkheden van Herzele en Schipdonk en mogelijk nog onder andere heerlijkheden met de drie graden van justitie.  Het Proostse in Zomergem, of de heerlijkheid van de Sint-Pietersabdij, was vooral merkwaardig door zijn oudheid (814), niet door de uitgestrektheid van zijn territorium.  Binnen Zomergem lagen verder nog een twintigtal enclaves van kleinere heerlijkheden (M. Ryckaert en A. Ryserhove: Te Zomergem op bezoek, blz. 5).

De heerlijkheden van Zomergem, Herzele en Schipdonk waren belast met de ontvangst van de grafelijke spijkerrente.

Er zijn weinig heerlijkheden in Vlaanderen geweest, waarvan men de oorsprong dieper dan tot de 10de of de 11de eeuw kan doen opklimmen.  De oudstgekende bezitter van de heerlijkheid van Zomergem was Herman van Zomergem, een dapper en voornaam edelman, die in 1085 met graaf Robrecht de Fries en een groot getal andere Vlaamse edellieden en ridders, deelnam aan de eerste kruisvaart (L'Espinoy, Recherches sur les antiquitez et noblesse de Flandre, blz. 248).

Het Hoeksken te Zomergem vóór 1908
Het Hoeksken te Zomergem vóór 1908.

Hij had minstens drie zonen: Boudewijn, ridder, vernoemd in een stuk uit 1122 (Vercauteren, nr 106) en een ander uit 1133 (Brugge, Seminarie, Abdij ten Eeckhout); Walter, ridder, "baro" en "princeps", eveneens geciteerd in 1122 (Vercauteren, nr 106) en op 14 maart 1144 (Duchesne: Guines, Pr., blz. 75); Froulf, Ridder, vermeld bij Galbert van Brugge in 1127, die misschien te vereenzelvigen is met Froulf van Knesselare (Chron. et cartul. monasterii de Dunis, blz. 158, nr XXXIII).

Boudewijn van Zomergem had een zoon Boudewijn, vernoemd in 1133 (Brugge, Seminarie, Abdij ten Eeckhout, vidimus van 27 oktober 1281).

Van Walter van Zomergem stammen Zeger en Gerard van Zomergem.  Zeger wordt meermaals geciteerd tussen 1157 en 1168 als "baro".  Gerard van Zomergem, "baro" en "optimas", wordt vermeld tussen 1143 en 1167 in verschillende charters.  In 1158 hecht hij zijn zegel aan de charter, waarbij Dirk van de Elzas de jaarmarkt van Mesen bekrachtigt en verlengt.  In 1162 komt hij als getuige voor in een charter van de Gentse Sint-Pietersabdij.  In 1165 is hij getuige in een akte, waarbij Filips van de Elzas de abdij van Sint-Nicolaas-in-de-Meers bij Doornik onder zijn bescherming neemt.

Willem van Zomergem was een zoon van Zeger.  Deze Willem was heer van de Woestijne: Ego Willelmus, filius Sygeri de Somerghem, dominus de Wastine, 1203 (Chart. abbaye St-Martin de Tournai, publ. par d'Herbomez, Bruxelles 1898).  Hij was gehuwd met Margareta, vrouwe van Bevere-Oudenaarde en Bruwaan.

De Tramstatie in de Dreef rond 1900
De Tramstatie in de Dreef omstreeks de eeuwwisseling.

Sanderus gewaagt van een heer van Zomergem, die in de oorlog, in het jaar 1140 tussen de Grimbergers en de hertog van Brabant ontstaan, dapper meevocht.  Hij vernoemt ook een andere heer, Bernard van Zomergem, die tot het gevolg van graaf Filips van de Elzas behoorde en tussen de jaren 1172 en 1196 verschillende charters ondertekende (De Potter en Broeckaert, Zomergem, blz. 11).

Deze Bernard nam in 1202 aan de kruisvaart deel (Villehardouin, I, blz. 13, § 8). Een Geeraerd de Someringhem en nog een Herman van Zomergem waren eveneens kruisvaarders onder Godfried van Bouillon.  Filips en Walter van Zomergem zijn ons bekend uit oorkonden van het jaar 1216.  Filips was een zoon van Willem, heer van de Woestijne.  Ook hij was heer van de Woestijne en van Bevere-bij-Oudenaarde.  Hij was gehuwd met Mathilde van Wulveringem (zijn tweede huwelijk) en nam in 1219 aan de kruistocht tegen de Albigenzen deel.  In 1216 gaf hij, met toestemming van zijn moeder Margareta, aan de Sint-Martenskerk te Papinglo - waar zijn tante Mathilde begraven lag - en aan de broeders en zusters die deze kerk bedienden, een rente van 30 stuivers, bezet op de heiden van Steps, Malhem en Scoudeburch, plaatsen die vermoedelijk te Zomergem lagen.  Filips van de Woestijne of van Zomergem leefde nog in 1247.  Van hem kennen wij vier kinderen: Elizabeth, gehuwd met Daneel II, heer van Machelen en Aishove; Aelis, vrouwe van de Woestijne, gehuwd met Wulfard van Zeeland, heer van Maalstede; Willem (1247) en Zeger van Zomergem.  Elizabeth van Zomergem, dochter van voornoemde Aelis, werd vrouwe van de Woestijne en huwde met Jan II van Gistel (E. Warlop: De Vlaamse adel vóór 1300, Handzame, 1968, II, blz. 602-608).

Somergem - De Kerk, l'Eglise

Ten slotte was een Boudewijn van Zomergem (de Sommeringhem) klerk van Margareta van Constantinopel.  Frank van Zomergem komt voor op de lijst van de Vlaamse ridders die deelnamen aan de Slag van de Gulden Sporen, te Kortrijk in 1302.  Hij verloor er zijn paard in de strijd.

Kervyn de Lettenhove, Histoire de Flandre, IV, blz. 624, geeft daaromtrent:
"Comptes inédits relatifs à la bataille de Courtrai:
"II. Encore doit on à plusieurs chevaliers et escuiers pour kevaux ki leur sont mort et qu'il ont pier dus en ces te werre.
"Premierement:
"Pour mon seigneur Franke de Zomerghem, 1 cheval de la valeur de C lb.
"Dépenses: It. pour monseigneur Franke de Sommerghien à l'ostel, xxi lb. xv s.
"It. pour mgr. Franke de Sormerghien, à l'ostel Jean 1e Maistre, x lb iii s." (De Potter-Broeckaert: Zomergem, blz. 12).

Somergem De Gemeenteplaats - La place communale

Hoe lang deze heren Zomergem bezeten hebben, is niet bekend.  Volgens L'Espinoy zou de heerlijkheid onmiddellijk na hen aan de familie van Massemen of de Massemines zijn overgegaan.  Dit kunnen wij echter niet geloven - schrijven Frans De Potter en Jan Broeckaert, want wij kennen een charter uit het jaar 1235, waaruit blijkt dat de heerlijkheid op dat ogenblik aan zekere Boudewijn van der Meersch of van der Weiden (= van Praat) toebehoorde.  Men leest bij genoemde geschiedschrijver dat Lodewijk van Nevers er zijn bastaarddochter Elisabeth mee begiftigde, ter gelegenheid van haar huwelijk met ridder Simoen van Mirabello.  Na de dood van deze laatste, die gedurende bet beleid van Jacob van Artevelde ruwaard van Vlaanderen was, werden de bezittingen van Elisabeth door de graaf aangeslagen.  Dit gebeurde uit hoofde van de grote achterstallen in de rekeningen van de gelden, die - haar echtgenoot - als ruwaard en ontvanger van de inkomsten van de graaf, had gelicht.

Op verzoek van de neef van de graaf, Hendrik van Vlaanderen, werd echter een overeenkomst getroffen op de volgende grondslagen: de graaf en zijn opvolgers zouden het bezit hebben van het Hot ten Walle (nadien genaamd het Prinsenhof) te Gent en van de weiden tussen dit heerlijk verblijf en de Lieve, die Simoen en Elisabeth toebehoorden; zij werden ontslagen van de betaling van een jaarlijkse rente van 200 Pond, aan Elisabeth tot dan toe betaald, als kwijting van een rente te Zomergem; en Elisabeth en Arnaut van Heule, heer van Rumene, haar tweede echtgenoot, bleven in het bezit van de heerlijkheid van Zomergem, maar verloren alle rechten op de heerlijkheden van Eeklo, Kaprijke en Lembeke, die ook aan Elisabeth hadden toebehoord (1353) (Charters der Graven van Vlaanderen, nr. 1719, Rijksarchief te Gent).

Somergem, De gemeenteschool

Korte tijd na het sluiten van deze overeenkomst kocht de graaf de heerlijkheid van Zomergem opnieuw, waarna zij in het huis van Massemen kwam, door het huwelijk van Beatrix van Blaesvelt - natuurlijke dochter van de graaf van Vlaanderen - met Filips van Massemen, gouverneur van Dendermonde.  Deze laatste overleed in 1414 en werd te Zomergem, onder een prachtige graftombe, begraven.

Filips van Massemen werd in het bezit van de heerlijkheid van Zomergem opgevolgd door Boudewijn de Vos, heer van Pollare en Laarne, die in de echt was getreden met Margareta van Lovendegem.

Jan de Vos, kleinzoon van Boudewijn en van Margareta van Lovendegem, die in 1451 nog leefde, verkocht de heerlijkheden van Lovendegem en Ten Broeke in 1461 aan Jan Coustin, ridder, heer van Navilly, eerste kamerjonker van de hertog van Boergondië.  Ook de heerlijkheid van Zomergem was in deze verkoop begrepen.  Maar het duurde slechts een drietal jaren dat Jan Coustin haar in bezit hield, vermits Zomergem, benevens de heerlijkheden van Lovendegem en Ten Broeke, door hertog Filips aangeslagen werden.  De hertog schonk ze aan zijn natuurlijke zoon Boudewijn, bastaard van Boergondië, aan wie ze in het jaar 1483 nog toebehoorden.

Omtrent het midden van de 16de eeuw was Zomergem in het bezit van een Jacob van Boergondië, heer van Phalaix.  De reden waarom die heerlijkheden hem bij vonnis afgenomen werden, is ons niet bekend.  Op 21 maart 1547 werden de heerlijkheden Zomergem, Lovendegem en Ten Broeke door Keizer Karel V verkocht aan Gaspard Douchy.  Deze laatste liet ze echter daarna weer over aan het domein, in ruil voor de heerlijkheid van Kruibeke.  Toen kwam Zomergem eindelijk in handen van de familie Snoeckaert, uit Brugge.

Somergem, Motje (brug)

De eerste bezitter van dit geslacht was Willem Snoeckaert, beter gekend onder de naam van Zenocarus, heer van Binkhorst-bij-den-Haag, geboortig van Brugge, bibliothekaris van Karel V en zijn staatsraad in Holland.  Hij is gekend om zijn werk "De Republicà vità et gestis Caroli V Augusti", te Gent gedrukt.  Hij ligt begraven in de Sint-Donaaskerk te Brugge.

Marten Snoeckaert, zijn zoon, was volgens het getuigenis van Sanderus een voortreffelijk man.  Hij overleed te Gent de 3de september 1652.  Hij legde te Zomergem de grondslagen van een heerlijk kasteel:

"Den 30 Maert 1650 is den eersten steen geleid van het kasteel van den heer van Zomerghem, hetwelk nog den 22 November van dit jaer met schaliën werd gedekt" (Kerkarchief te Zomergem).

Dit heerlijk kasteel stond vermoedelijk aan 't einde van de Dreef, nabij de tramloods.  De voornaamste straat van Zomergem was deze Dreef, rechtstreekse verbinding van het kasteel met de kerk.  In verschillende dorpen noemt zo een dreef zelfs nog altijd Kasteeldreef, b.v. te Lovendegem.

Kan zelfs de benaming "Motje" niet in verband staan met het vroegere kasteel ?...  Vergeten wij niet, dat heel het landschap hier gewijzigd is geworden door het graven van het Schipdonkkanaal en door de hevige beschietingen in beide wereldoorlogen.

Marten Snoeckaert was gehuwd met Jakelijne van den Bussche en liet een zoon na, eveneens Marten genaamd.  Deze werd op 23 september 1642 ridder geslagen en overleed in het groot college te Leuven de 19de oktober 1693, als gevolg van een verwonding die hij in een gevecht tegen de Fransen in 1680 te Landen had opgelopen.  Zijn stoffelijk overschot werd, naast dat van zijn ouders, in de familiegrafkelder te Zomergem bijgezet.

Omtrent deze tijd was de gewone woonst van de heerlijke familie van Zomergem nochtans te Gent, in de Lange Steenstraat:

"....  Een huus ende erfve, met alle de toebehoorten, van vooren tot achter ende van onder tot boven ghestaen ende gheleghen ten voorhoofde binnen deser stede van Ghendt, in de Langhe Steenstraete, by de Liefbrugghe, ghenoempt het Huus van Zomerghem, achter abouterende met eene poorte op de Lieve...." (Not. akten, nr. 280, fol. 28 verso - Raad van Vlaanderen).  Dit huis werd in 1657 door de weduwe van Marten Snoeckaert opgedragen aan haar twee jongste kinderen, Nicolaas en Maria-Ferdinandina Snoeckaert.

Kort samengevat waren de bezitters van de heerlijkheid van Zomergem dus de families van Zomergem-van Praet (in 1203: Wilhelmus, filius Sygeri de Somerghem, dominus de Wastine), Boudewijn de Pratis, alias vander Meersch, in 1235; vervolgens de graaf, de families van Massemen, de Vos, de Bourgogne tot in 1547; daarna voor enkele jaren de Florentijnse financier Ducci (die wij nog niet vermeld hadden) en vanaf 1559 de adellijke familie Snoeckaert, voor anderhalve eeuw.

De Snoeckaerts waren niet enkel dorpsheren van Zomergem, maar ook heren van Herzele, Schaubroeck, Nekke, Beke, Cattenbroeck, Stoktevijver, Schipdonk, enz..., alle heerlijkheden en lenen die binnen de grenzen van Zomergem gelegen waren.

In 1706 verkochten de erfgenamen Snoeckaert alle allodiale en feodale goederen aan Jan-Theodoor de Jonghe voor de som van 70.600 gulden sterk permissiegeld.

Dezelfde heer verkocht alles op zijn beurt in 1738 aan Anne-Marie van den Eechaute, weduwe van Karel-Frans Rijm, baron van Bellem en Schuurvelde.  Haar kleindochter huwde met een de Montmorency en aan deze laatste familie bleef de heerlijkheid van Zomergem behoren tot aan de Franse tijd, die het einde van alle feodaliteit betekende.

Alfons Ryserhove
(Wordt vervolgd).

Separator

Oud Zomergem 1 - 2 - 3 - 4

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  03-12-2019