Oud Sleidinge (2)
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1978, 11ste jaargang, nr. 3

OUD SLEIDINGE (2)

De twee belangrijkste waren ongetwijfeld: Hooiwege (1281 : hoiwesch; 1310: Hoyweghe) en Volpenswege (1361: Volponds weghe; 1400: Wolpontsweghestratkin), later uitgegroeid tot de twee administratieve wijken van Sleidinge-St.-Baafs.

De overige twee wegen lagen meer westelijk, doorsneden Sleidinge-Keure, een nog woester gebied, en zijn dan ook van jongere datum.  Het betreft hier de Langedam en het Eeksken, in latere bronnen ook betiteld met de veelbetekenende naam: Moervoorde.

Vlak vóór de kerk lag en ligt nog steeds het driehoekig dorpsplein : de dries (1418: driesch), later de Plaats (1588: plaetse).

Het oudst ontgonnen akkercomplex werd gevormd door de Erritakker(1400 : Herritacker).

Ver van de dorpskern verwijderd, strekten zich geïsoleerde woonkernen uit, die men vaak met "hoek" betitelde in de betekenis van "uithoek", zoals Schroonhoek (1418: tsrueden houc), Asterhoek (1465: astrouc) en de reeds eerder vermelde Veldhoek (1418 : velthouc), ofwel met "einde" (letterlijk en figuurlijk als het einde, het uiterste beschouwd) : Broodseinde (1502 : broets hende), Loppenseinde (1502 : loppins hende).

Nog andere middeleeuwse nederzettingen te Sleidinge zijn: het Zwaantje (1463: zwaenken), genaamd naar een aldaar bestaande herberg "Het Zwaantje" en de Vier Huizen (1520: IIII huusen) met de Putten (1418: pitte).

Op het platteland waren de gehuchten en geïsoleerde woonkernen verbonden door wegen.  De benaming "straat", zoals wij die nu kennen, sloeg oorspronkelijk enkel op een met aaneengesloten huizen omzoomde weg.  Later spreekt men op het platteland ten hoogste nog van een straat om de richting aan te geven.  Toch treffen wij te Sleidinge naast de Weststraat - de centraal gelegen straat - nog twee specifiek middeleeuwse straatbenamingen aan: de Wurmstraat (1383: Wueremstrate) en de Wellingstraat (1445: Wellynck strate).

Later zal men ook spreken van Kerkstraatje (1418: tkercstraetkin), Molenstraatje (1494: muelenstraetkin) en andere, waarvan de bestemming en de aard duidelijk in de naam besloten liggen. (A. De Vos)

In 1650 vermelden De Potter en Broeckaert een Maescruysstrate en in 1700 de plaatsnamen Welle (Wellink ?) en Wulfgaverken.

De oudste vermelding van de dorpsnaam dateert uit 1220 : Scleidingha, in het archief van Sint-Veerle, Rijksarchief te Gent.  Verder ontmoeten wij nog: Scledingha in 1223 (Stadsarchief te Kortrijk, Groeninge, nr 3), Sleydinghen (in 1266), Sledingam (in 1268), Sledinghen (in 1330) en Scleydinghe (in 1476).  In de 16e en 17e eeuw schrijft men zelfs herhaaldelijk Sleyne, naam die nu nog courant in de volksmond voortleeft.

De Marktplaats te Sleidinge in 1910.
Prentkaart uit de verzameling van Alf. Ryserhove, Knesselare.

De oorspronkelijke naam is afgeleid van het Germaanse slaidö-, slaidingja- en betekent "glibberige plaats" (M. Gysseling, Toponymisch Woordenboek van België... vóór 1226).  Het woord is verwant met het Duitse gleiten (uitglijden), Schleiden (1104), ausgleiten (glibberen) en stemt goed overeen met de primitieve toestand van de moerassige bodem.  Met een zeeleiding, een afgesloten weide of een vergader- en pleitplaats heeft de dorpsnaam alleszins niets te maken.  Onmiskenbaar is het een Germaanse inga-naam, nauw verwant met slede en met het dialectwoord "slieren" (slibberen, glijden).

Vóór 1200 is er geen spraak van Sleidinge, toen nog een woeste en drassige uithoek van het grote Evergem.

"Prof. Verhulst toonde aan dat de Merovingische fiscus Marca in de 7e eeuw door koning Dagobert aan de pas gestichte St-Baafsabdij te Gent werd geschonken.  Door de invallen van de Noormannen was de abdij vrijwel machteloos geworden.  Hiervan maakten de graven van Vlaanderen en hun militaire vazallen dankbaar gebruik om door allerlei usurpaties en inpalmingen belangrijke gebieden van het oorspronkelijk domein tot zich te trekken.  De graaf stelde een voogd aan, die de materiële belangen van de abdij moest behartigen, maar zich alras tot een felle tegenstander ervan opwierp.  Die voogden waren de heren van Dendermonde.

Van Sleidinge zelf was er toen nog nauwelijks sprake.  Het ging gewoon met Evergem mee, zonder daarom uitdrukkelijk te worden vermeld.  Pas in 1248 bracht de graaf orde in de zaken: het nauwelijks ontgonnen Sleidinge werd toen in twee helften verdeeld.

Het oostelijk gedeelte, de wijken Hooiwege en Volpenswege bleven aan de Gentse St-Baafsabdij en vormden samen met Wondelgem en de vier wijken van Evergem het Graafschap Evergem.  Deze belangrijke heerlijkheid, die de drie parochiekerken van Evergem, Sleidinge en Wondelgem omvatte, kreeg een volle schepenbank van 7 schepenen: 3 voor Evergem, 2 voor Sleidinge en 2 voor Wondelgem.  Dit deel van Sleidinge werd dan ook steeds Sleidinge-St-Baafs genoemd.

Het westelijk deel van Sleidinge, met belangrijke gedeelten van Lovendegem en Waarschoot, kreeg samen met Desteldonk in het jaar 1248 eveneens een wettelijk statuut: de keure van Desteldonk-Sleidinge.  Hierdoor wilde de graaf expliciet een ontwikkelingsfase voltooid zien.  Dit westelijk deel wordt in de bronnen dan ook steeds Sleidinge-Keure of kortweg "De Keure" genoemd.  Het werd verdeeld over de wijken Broek en Berrent en telde eveneens een volle schepenbank van 7 schepenen, waarvan 3 voor Sleidinge, 2 voor Lovendegem en 2 voor Waarschoot.

Beide grote heerlijkheden bezaten de drie graden van justitie (lage, middele en hoge rechtspraak).  Die twee grote heerlijkheden sloten op 23 december 1656 een conventie af, waarbij de gemeenschappelijke lasten voor de kasselrij van de Oudburg - waaronder Sleidinge administratief ressorteerde - werden verdeeld op basis van 11/20 voor StBaafs en 9/20 voor De Keure.

Daarnaast bestonden te Sleidinge nog drie belangrijke enclaves, heerlijkheden die enkel lage justitie bezaten. Het betreft hier de heerlijkheden de Langemate, ter Hinnen (toebehorend aan het St-Veerlekapittel te Gent) en Nieuwenhove.  Tenslotte was er nog het Laatschap van Speibroek, met lage justitie, dat aan de abt van St-Baafs toebehoorde, maar op het grondgebied van De Keure was gelegen.

De heren van Sleidinge-St-Baafs waren, zoals gezegd, de abten van de St-Baafsabdij.  Bij de oprichting van het Bisdom Gent in 1559, ging het patrimonium van St-Baafs over naar het nieuwe Bisdom en werden de bisschoppen aldus automatisch heren van Evergem en dus ook van Sleidinge-St-Baafs.  De heren van De Keure waren de Graven van Vlaanderen, later de landvorsten, vertegenwoordigd door de hoogbaljuw van de Oudburg te Gent".  (A. De Vos).

De heerlijkheid ter Hinnen was 69 bunder 63 roeden groot; zij had een baljuw, burgemeester en schepenen. Ook de heerlijkheid de Langemate behoorde - evenals ter Hinnen - aan de proost van het St-Veerlekapittel te Gent.

De heerlijkheid Nieuwenhove bestrekte zich, behalve in Sleidinge, ook in de parochies Lovendegem en Waarschoot. Zij bezat eveneens een baljuw, burgemeester en schepenen, doch oefende - net als ter Hinnen en de Langemate - enkel de lage justitie uit (boeten van drie pond en minder). De heerlijkheid Nieuwenhove was op het einde van de 18e eeuw in het bezit van de heer Van Hoorn, uit Brugge.

Een hoekje van de Marktplaats te Sleidinge in 1901.
Prentkaart uit de verzameling van Alf. Ryserhove, Knesselare.

De Potter en Broeckaert vermelden verder nog een enclavement van de heerlijkheid Ter Straten, met baljuw, burgemeester en schepenen, alsook hoge en lage justitie; de heerlijkheid Ten Broeke, tijdens de 18e eeuw in het bezit van de baron van Lovendegem, die recht gaf op alle graden van justitie en op straatschouwing.  Deze laatste heerlijkheid staat volgens genoemde auteurs aangegeven in het Zoendinc Bouk van Gent, onder het jaar 1364, blz. 27.

Ten slotte spreken zij over een Laatschap van Sleidinge ten Hulle, dat een achterleen zou geweest zijn van de heerlijkheid de Avrije in Ertvelde en Kluizen en "bedraghende thien schellinghen parisis, die diversche laeten ghelden van huerlieder lande, te weten zes deniers parisis metten bundere (= per 900 roeden), eenen Baillieu die erft ende onterft, wet haudt mette laeten, dootcoop ende wandelcoop, tol, vondt ende boete van dry ponden parisis, ende twee manschepen elck een bunder groot, thiendevry... "

De tienden van Sleidinge werden geheven door de abdij van St-Baafs (later door de bisschoppen van Gent), het kapittel van Doornik, het kapittel van St-Veerle te Gent, de kapelaan van de kapelanij Ten Broeke en enige andere wereldlijke personen.

In het jaar 1601 - dus op een zeer ongelukkig moment, na de troebelen - werden de aan St-Baafs toebehorende tienden, namelijk de Volpont-, Otter- en Hooiwegetienden, de Heren-, Kerk- en Moertiende, globaal door Joris Goethals, Joris van der Eecken, Christoffel van de Voorde en Gijsbrecht Hebbrecht, in naam van de inwoners van Sleidinge, voor de som van 58 pond 6 schellingen 8 deniers per jaar gepacht.

De parochie Sleidinge is in de loop van de 13e eeuw als dochterparochie afgesplitst van Evergem.  Zij behoorde toen tot het oude bisdom Doornik, dekenij Gent.  Sinds de oprichting van het bisdom Gent in 1559 ressorteerde Sleidinge onder de dekenij Evergem; na het Concordaat in 1801 kwam de parochie onder de dekenij Eeklo, maar behoort thans opnieuw tot de dekenij Evergem (A. De Vos).

De kerk van Sleidinge is toegewijd aan Sint Joris, maar sedert de overdracht in 1659 van de relieken van de H. Godelieve, uit het Klein Begijnhof te Gent, is hier ter plaatse een bloeiende eredienst tot laatstgenoemde heilige ontstaan, die de devotie tot de oorspronkelijke kerkpatroon in de schaduw stelde.

Pastoorslijsten komen reeds voor vanaf de 14e eeuw, zij het met enige hiaten.  Er is een merkwaardig Fundatieboek van 1418 in het kerkarchief bewaard.

De oudste delen van de kerk dateren uit de 13e eeuw en behoren tot de vroeggotiek.  Het venster aan het doksaal, wellicht in zijn oorspronkelijke toestand bewaard, is nog steeds spitsbogig.

De achtergevel van de kerk - het oudste gedeelte - laat onder zijn huidige kalkwitsellaag nog voldoende doorschijnen dat het eerste kerkdak zeer spits moet zijn geweest. Verder zijn de bakstenen van de achtergevel en de onderste muurgedeelten van dezelfde afmetingen als die van de muren in de kruisbeuk (te zien in het traphokje van de toren) en van de achthoekige toren met zijn gotische ramen.  Ook in de zuidermuur, tot ongeveer halfweg het voorste gedeelte van het kerkgebouw, vindt men die afmetingen (stenen van 30 cm op 8 cm).  Zij contrasteren duidelijk met die van de andere, later gebruikte bakstenen.  Op de plaats waar zich vermoedelijk de sacristie bevond, is in de muur — op ongeveer twee meter hoogte — nog duidelijk het gemetseld welfstuk van een sacristieraampje zichtbaar.

Een ander bewijs voor de vroeggotische bouwstijl biedt de oostzijde van de toren, waar de scherpe nok van het oude dak, merkelijk hoger en spitser dan dat van de huidige middenbeuk, nog duidelijk is te merken (A. De Vos).

Een stemmig beeld van het Dorp te Sleidinge in 1908.
Prentkaart uit de verzameling van Alf. Ryserhove, Knesselare.

De Potter en Broeckaert zeggen wel dat de primitieve kerk van Sleidinge zeer klein was, doch zij geven er geen enkel bewijs voor.  Integendeel, zij zeggen zelfs dat er hen omtrent die oude kerk geen dokumenten in handen zijn gekomen.  Van het interieur geven zij evenwel een beknopte beschrijving, zoals het was in 1865, toen zij de kerk bezochten:

"Er zijn drie altaren; het rechterzijaltaar is toegewijd aan den patroon der kerk, Sint Joris, en versierd met een schoon tafereel, de Overwinning van dien heilige op den draak voorstellende, vervaardigd in 1860 door Jozef Pauwels, van Sleidinge; het linkerzijaltaar is aan O.L. Vrouw toegewijd.  Daarnevens hangt een kleinere schilderij van de genoemde kunstenaar, verbeeldende de H. Godelieve".

Hier hebben de auteurs van de "Geschiedenis der gemeenten van Oost- Vlaanderen" zich blijkbaar vergist. St-Joris' overwinning op de draak is niet het werk van Jozef Pauwels, maar van Niklaas de Liemaeckere, bijgenaamd Roose, die ook de Hemelvaart van O.L. Vrouw schilderde, boven het altaar van O.L. Vrouw.  Nog hoger hangt een Kroning van Maria, die wél van de hand van de Sleinse kunstenaar Jozef Pauwels is (1860).

Het mooi barok hoofdaltaar is bekroond met het schilderij Golgotha van meester Jozef Paelinck (1781-1839).

Boven in het koor hangen er vier medaillons, waarop de vier evangelisten worden voorgesteld.

De Kruisweg is vervaardigd door de Evergemnaar A. De Baets (1794-1855).  De doopvont, in gekleurd marmer, werd in 1663 gemaakt door de Gentse meester Jacques Cot.

"De predikstoel, in eikenhout, is gebeiteld door P.C. De Preter, uit Borgerhout (afgewerkt in 1854-57); daaronder staan twee levensgroote beelden, in wit marmer, voorstellende St. Michiel, die aen duivel verplettert.  Deze fraaie groep is mede door De Preter vervaardigd" (De Potter/Broeckaert).

In dit stemmig en schoon kerkgebouw steken veel mooie brandglasramen, geplaatst meestal tussen 1930 en 1932.

Bij de kerkschat horen o.a. twee grote koperen koorkandelaars en een hele reeks andere.

Er zijn een paar mooie 17e-eeuwse kelken en een reliekcapsule van de H. Godelieve (1659).

Al deze en nog vele andere voorwerpen waren te zien op een tentoonstelling, ingericht door de Culturele Raad te Sleidinge in het jaar 1972 (A. De Vos).

"De kerk van Sleidinge is rijk aan oude priestergewaden.  Men treft er, onder andere, een schoon missael aan, van zilveren sloten en hoeken voorzien, dragend op de buitenzijde het volgende opschrift: "Gejont door de dochters van Sleydinghe St. Baefs, 1750"; een oude offerschaal met uitgesleten randschrift, in de trant van die van Nürenberg: een kelk, geschonken door Maarten Steyaert, pastoor te Sleidinge van 1678 tot 1715; enz..." (De Potter/Broeckaert).

Het orgel is van de hand van de Gentse orgelbouwersfamilie Van Peteghem, werd in 1821 vergroot en in 1948 grondig hersteld door de firma Loncke, uit Esen-Diksmuide.

Bemerk ook nog langs de buitenzijde van de kerk de schilderachtige ommegang ter ere van de H. Godelieve, met een uitbeelding van het Vagevuur (A. De Vos).

De Castillon geeft omstreeks 1722 over Sleidinge nog de volgende bijzonderheden op :

"Er is in deze parochie, aan St. Joris toegewijd, één pastoor, één onderpastoor en één koster.

De patroon der kerk is de bisschop van Gent, die de lasten bedeelt (patronaats- en tienderecht).

De pastoor heeft recht op de vlastiende, bewoont een onbelast huis en geniet al de offers.

De onderpastoor bekomt van de bisschop jaarlijks 300 gulden en van de parochie 18 pond groot, in vergelding voor het lezen der eerste mis op zon- en feestdagen.

Er zijn ruim 2000 communicanten".

Met communicanten bedoelt men alle gelovigen boven de twaalf jaar, die verplicht waren met Pasen te communiceren.

De kerkbaljuw genoot in 1639 slechts een jaarlijkse vergoeding van tien schellingen groot.

Een aantekening in de kerkrekening over hetzelfde jaar 1639 schijnt erop te wijzen, dat de kerk na de geuzentroebelen toen pas volledig hersteld of vergroot was, vermits er een kerkwijding plaats greep op 15 augustus en men alsdan de tempel extra versierde met groen en meitakken uit de bossen:

"... Item betaelt by ordonnantie van kerkmeesters Zegher Goethals, Andries van Hyfte, Lieven Bloc ende Cornelis Tanck, onderteekent 18 November 1639, an Lieven de Pau, de somme van thien schellingen over met zynen waghen ende peerden ghelevert thebben uyt zyne bosschen zekere meyen, jeghens de kerkwydinghe thalf Ougst, wesende onser Lieven Vrauwe dach Hemelvaert 1639".

ALFONS RYSERHOVE
Wordt voortgezet.

Separator

Oud Sleidinge 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  18-07-2019