Chronologie van Eeklose gebeurtenissen vanaf de Belgische onafhankelijkheid
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1982, 15de jaargang, nr. 1

CHRONOLOGIE  VAN  EEKLOSE  GEBEURTENISSEN
VANAF  DE  BELGISCHE  ONAFHANKELIJKHEID

- 1836 -

06.01.1836: Nadat in juli 1835 de stad besloten had inlichtingen nopens Ange (Engel) Vols of Wolfs in te winnen kwam op 6 januari uiteindelijk antwoord !
Na enig onderzoek in het militair archief kwam aan het licht dat Ange Wolfs, geboren te Lembeke op 7 maart 1792 en zoon van Jan Baptist en Brigitte Kersse (Keers) op 14 april 1813 bij het 1ste artillerie regiment werd ingelijfd.  Op 6 oktober van dit jaar was hij overgestapt naar het 19de linieregiment.  Op 7 januari 1814 verbleef hij in het militair hospitaal.  Bij de kontrole van 6 juni 1814 werd hij van de lijst afgevoerd.  Het militair bureau beschikte over geen enkel certificaat op naam van een Wolfs, ook geen overlij densakte !
Is Ange na het verlaten van het leger in Frankrijk gehuwd ?  Is hij uit militaire dienst ontslagen en kort daarop overleden ?  Vragen die vooralsnog geen oplossing kregen !
"Ridder Stroo werd den 20 juny 1835 senator gekozen voor het distrikt van Eecloo.  Doch byzondere beweegredenen, welke hij verzweeg, maer die door gansch het distrikt geraden en bewonderd werden, deden hem die eer weigeren, - de man was al te zedig om dat verheven en tevens zoo vereerend mandaet aen te nemen...".
In tegenstelling tot de zoeterige 19de eeuwse regionale geschiedschrijving waar beweerd wordt dat Karel Stroo vrijwillig afzag van zijn senatorschap uit bescheidenheid en uit liefde voor zijn stad, komt de strikt administratieve toon veel zakelijker, misschien iets harder, maar ook heel wat waarheidsgetrouwer over.
Op 6 januari ontving Eeklo namelijk de bevestiging dat Stroo bij K.B. van 31 december als senator geweerd was, omdat hij te weinig belasting betaalde.  Weliswaar was Karel een rijk man, maar het gros van zijn bezittingen lagen in Nederland waarvoor hij uiteraard hier geen belasting betaalde.

27.01.1836: Met het oog op het onderbrengen van twee "dekhengsten", uit de nationale stoeterij, moest de stad een voor de dieren waardig onderkomen zoeken.
Bij de openbare aanbesteding op 10 februari boden zich slechts Louis van de Genachte en Livin Goethals aan.  Enkel het bod van Van de Genachte werd weerhouden.
Dit was evenwel niet naar de zin van de provinciale overheid, gezien deze op 17 februari lieten weten dat de gevraagde 2,75 frank daags voor de stal en de 1,25 frank voor de administratie (waarschijnlijk moesten ze ook bijhouden wie gebruik wenste te maken van een hengst) te hoog was.
Indien Van de Genachte zijn prijs niet wou herzien moest de stad maar uitzien naar een andere kandidaat.

10.02.1836: Pieter vanden Bossche, kapitein bij het 1ste bataljon burgerwacht van het kanton Eeklo, werd bij K.B. van 25 januari benoemd tot kolonel van het voornoemde legioen in vervanging van de ontslaggevende Ryffranck.
Na de eedaflegging zou zijn benoeming aan het publiek kenbaar gemaakt worden, teneinde de ingezetenen hem de gepaste eer zouden betuigen !
De wijze waarop Van den Bossche eerst kapitein en vervolgens kolonel werd doet ons vermoeden dat hij de "poulain" van de Eeklose magistraat was.

13.02.1836: Niettegenstaande de stad een goede kliënt was van de heer Gossez uit Lessen, had het heerschap hier 32.000 kasseistenen afgeleverd die kwalitatief beneden alles waren !
De gevraagde maten, 15.000 stuks van 8 bij 10 duim en 17.000 van 12 bij 15 duim, noch de afwerkingsgraad waren volgens afspraak !  Reden genoeg, volgens burgemeester Dhuyvetter, om het vrachtje te weigeren.

13.02.1836: Voor het opmaken van een provinciale landbouwstatistiek werd het gemiddeld gewicht van een mudde tarwe (± 100 liter) geoogst op de Eeklose akkers tijdens de jaren 1834 en 1835 gevraagd !  Voor de rode tarwe bedroeg dit 79 kg. en voor de witte 78 kg.

17.02.1836: Te Namen zat onze stadsgenoot Jan Baptist Demeyer opgescheept met een nogal kiese zaak !  Demeyer die in het walenland gekazerneerd was bij het 2de regiment Jagers te Paard zou reeds eerder in onbepaald verlof geplaatst zijn ware het niet dat hij in de militieadministratie "gehouden geweest is voor eenen dooden".
Bij het stadsbestuur drong hij aan voor de nodige papieren, om hem opnieuw te legaliseren.
Als referentie die hij gaf om ook de wet alhier te kunnen overtuigen, liet hij weten te behoren tot de lichting 1830.  Dat hij er ongelukkig met het nummer 89 ingeloot was en dat zijn oproeping dateerde van mei 1830.
Een dergelijke vergissing bleek, hoe verdragend de gevolgen ook reikten, geen unicum te zijn.  In zijn betoog citeerde Jan Baptist nog twee Eeklonaars, nl. Seraphin Pope en een Vande Woestijne die het slachtoffer waren geweest van een gelijkaardige fout.

20.02.1836: Dat de wekelijkse markt een grote aantrekkingskracht uitoefende op onze handelaars getuigt de ijver bij het verwerven van een stadplaats.
Toen Antone Baudts zijn plaats vrijgaf, waren Angelus Goethals, winkelier en Hyppolite Goethals fabrikant en winkelier er als de kippen bij om de vrijgekomen plaats te bemachtigen.
Het kraam "op het zuideinde der reke rechtover het westgedeelte van het stadhuis" werd toegewezen aan Angelus, wegens de volgorde van aanvraag.

12.03.1836: Het werk: van Pieter vande Putte, - een helaas te weinig gekende Eeklonaar binnen zijn eigen stad, - is wereldvermaard.  Dat deze kunstvorm de familie wel degelijk in het bloed zat getuigen de verschillende Vande Putte's die in het tweede kwart van de 19de eeuw in het vak werkzaam waren.
Op 12 maart wou Jan vande Putte een koperslagerij vestigen in het Sterrestraatje (een tweetal woningen voorbij de ingangspoort van het klinisch laboratorium van dhr. De Jaegher).
Amper een maand later, op 9 april, uitte Antone vande Putte een gelijkaardig verzoek.  Hij vestigde zich op de Markt, west van de Sterrestraat, en Constant vande Putte, koperslager en winkelier verzocht om een overdekt kraam op de wekelijkse markt om zijn werk aan de man te brengen.

30.03.1836: Uit schrik voor de financieel zware druk op de stadskas die het hospitaliseren van zieken en het opsluiten van krankzinnigen met zich bracht, stelde het bestuur alles in het werk om de getroffenen toch binnen Eeklo te houden.
Een van die tientallen gevallen was dit van Jan van Hecke !  De ongelukkige, een wever van beroep was nog thuis bij zijn ouders.  Burgemeester Dhuyvetter had vernomen dat de jongeman krankzinnig geworden was en een gevaar zou betekenen voor de maatschappij.  Politiekommissaris Van Hoorebeke, dokter Waldack en heelmeester Taminiau werden belast met het onderzoek.  Vermoedelijk was het rapport positief, want Van Hecke werd opgesloten !  Vooraleer hem evenwel door te sturen naar een instelling besloot men Jan hier een 14-tal dagen achter de tralies te houden.
Of deze therapie nu werkelijk zo doeltreffend was of het financieel aspekt van doorslaggevende aard was, blijft een open vraag.  Op 2 april werd evenwel besloten Jan bij zijn moeder te laten terugkeren.

02.04.1836: Op het verzoek van Engel (Ange) Steyaert, olieslager, broodbakker en winkelier om op zijn erf in de Molenstraat, een zestal woningen westwaarts van de hoek Molenstraat-Boelare, een olierosmolen op te richten, kwamen van de omwonenden diverse klachten binnen.  Grosso modo kwam het er op neer dat volgens hen de molen in een te dicht bewoonde buurt zou werken, wat ongetwijfeld stank en brandgevaar met zich zou brengen.
Niettegenstaande het stadsbestuur de klacht trachtte te ontzenuwen, door te beweren dat er slechts gering brandgevaar bestond doordat in een olieslagerij geen vuur gebruikt werd en dat desondanks toch maatregelen waren uitgevaardigd om dit gevaar te minimaliseren, gaf de hogere overheid een negatief advies.
Ange liet het niet aan zijn hart komen en diende onmiddellijk een nieuw verzoek in.  Ditmaal zou hij zijn "peerdenoliemeulen, blauwsel- en stijfselfabriek" in het "peerdekerkhofstraetje" (huidige Pastoor De Nevestraat" installeren.
Reeds op 7 mei beschikte hij over alle toelatingen om met de bouw van start te gaan.
De rosmolen zou opgericht worden in de nabijheid van waar nu de werkplaatsen Van Tomme gevestigd zijn.

06.04.1836: In verband met de militieadministratie vroeg men van provinciale zijde inlichtingen nopens Albertus van Kersbilck of Keersbilck, zoon van wijlen Bernard en van Coleta Singier, voorkomend op de militielijst te Wakken.
Na enig onderzoek bleek dat Albert hier reeds 6 jaar verbleef bij zijn oom Ivo van Keirsbilck, koperslager en stovemaker, waar hij naast kost en inwoon een jaarloon van 180 frank opstreek.
Geld dat hij - naar eigen zeggen - grotendeels spendeerde aan het onderhoud van zijn moeder.

13.04.1836: Seraphin Minne, uurwerkmaker in de stad, vroeg ingevolge de wet van 19 brumaire van het jaar 6 (= 9 november 1797) een beroepscertifikaat van goud- en zilversmid.  Seraphin genoegzaam bekend bij de stadsmagistraat ontving onmiddellijk het gevraagde.
Om 9 uur 's morgens liet Bernaerd van de Putte hostelier van "den Oyevaer" politiekommissaris Vincent Charles van Hoorebeke bij zich thuis ontbieden.  Onmiddellijk begaf de kommissaris zich ter plaatse waar hij een zenuwachtige Bernaerd aantrof.  Oorzaak was het niet naar beneden komen van zijn inwonende 29-jarige nicht Julie van de Putte.  Bernaerd had de jonge dame die bij hem dienstmeid was reeds om 7 uur gewekt.  Daar op zijn geklop en geroep geen antwoord kwam, had hij eerst de hoefsmid Augustinus Dierickx ontboden om de gesloten deur te openen.  In de overtuiging dat hen daarbinnen iets vreselijks te wachten stond had Dierickx geweigerd de deur te openen zonder de aanwezigheid van de wet.  Op bevel van kommissaris Van Hoorebeke mocht het slot verbroken worden.  Op het zolderkamertje, op de grond tegen het bed, vond het gezelschap het dode lichaam van Julie.
Onmiddellijk werden vrederechter Franciscus Claeys en heelmeester Taminiau ter plaatse gehaald.  In aanwezigheid van barbier Francies de Pauw en herbergier Charles Verstraete die als getuigen optraden onderzocht dokter Taminiau het lijk om de doodsoorzaak vast te stellen.
Waarschijnlijk was het voor een deel van de aanwezigen geen volkomen verrassing toen de dokter rapporteerde dat Julie die nacht een kind moest gebaard hebben.
Daar er evenwel nog geen boorling gevonden was wees Taminiau op "een nagtvertrek" achter het dode lichaam.  Tot grote ontsteltenis werd daarin, een in bloed gestikt wichtje van het mannelijk geslacht aangetroffen !
Het hele drama vond zijn oorzaak in de vroeg 19de eeuwse, nog nergens staande gezondheidszorg te Eeklo !
Een gezonde jonge, waarschijnlijk onvoorbereide, moeder bracht heel alleen een kind ter wereld.  De geringste verwikkelingen, hier "eenen vloed naer de baeringe" had de dood van de moeder en kind tot gevolg.
Toen kommissaris Van Hoorebeke de bewoners van "den Oyevaer" ondervroeg verklaarden allen niets van Julie's zwangerschap af te weten, ofschoon het bijna allemaal bloedverwanten waren: Bernardine Bourgonjun weduwe van Joannes van de Putte, oud 60 jaar "maeye" (grootmoeder) van de overledene, Bernard van de Putte en diens vrouw Henderica Goethals uitbaters, Marie Judoca De Taeye 45 jaar, weduwe van Francies Buyck, dienstmeid.
Naar hun zeggen was Julie omstreeks 8 uur naar boven gegaan, wel zeggende dat ze zich ietwat misselijk voelde.  Reeds eerder had ze laten verstaan eerstdaags het hotel te zullen verlaten, mogelijk in verband met haar komend moederschap.
Gezien hier van geen misdaad sprake was, werd het lijk vrijgegeven voor teraardebestelling.

18.04.1836: Reeds jaren stonden de bestratingswerken van het trajekt Eeklo-Watervliet op de begroting.  Naar gelang van de beschikbare fondsen in de stadskas en de toegestane overheidssubsidie werkte men elk jaar een deel af.
Bij de vernieuwde aanvraag voor 1836 om 8.000 frank overheidssteun te ontvangen drong de staat aan op rekeningen van de reeds uitgevoerde werken.
De stad bevestigt dat reeds voor 91.194,07 frank geïnvesteerd was, waarmee 460 el (1 el = ± 69 cm) op een breedte van 5 el en 5.498 el op een breedte van 3,30 el geplaveid waren.  Het restant tot aan de wijk de Linde, gemeente Watervliet, schijnbaar het eerste einddoel, bedroeg nog 2.518 el.  De kosten werden geraamd op 42.967,30 frank.  Indien de provincie 20.000 frank van de kosten wou dragen, toonde Eeklo zich bereid om gespreid over de volgende jaren, de resterende uitgaven op zich te nemen.
Onmiddellijk gingen in de stedelijke raad stemmen op voor het plaatsen van tollen.  De geïnde gelden konden enerzijds aangewend worden voor het verder afwerken van het projekt en anderzijds voor het instandhouden van het reeds bestaande wegdek.
In hun ijver plaatsten de raadsleden twee tolhekkens.  Eén in de Peperstraat aan de Bus en een tweede aan de zuidoosthoek van de Goochelaarstraat.
Het tolrecht werd vastgesteld op 2/3 van dit op de grote wegen en diende onderworpen aan de wetgeving dienaangaande van 18 maart 1833 en 12 maart 1834.

Ontwerp van lijnrichtingsplan voor de Buurtweg nr. 1, baan van Eeklo naar Watervliet 1935.     N = Nieuw - O = Oud.

De ontgoocheling was groot toen op 27 september een ongunstig advies in de bus viel.  Oorzaak was het nog niet volledig afwerken van 300 m.  weg in de Peperstraat op de geplande breedte van 3,30 meter.  De raad opteerde om dit stuk weg, waarvan de kostenraming ca. 4.000 frank beliep, eerst te laten in orde brengen teneinde de gewenste tolhekkens zo vlug mogelijk te kunnen plaatsen.

20.04.1836: Louis Jacques Dryoel, Ferdinand van de Gejuchte, Pieter Francies Hoogewijs en Joseph de Rijcke, vier Eeklose miliciens werden als deserteurs opgespoord !

27.04.1836: Het samenstellen van de kiezerslijst ging steeds gepaard met de nodige moeilijkheden.  Heel wat ingezetenen voelden zich steeds verongelijkt dat ze ofwel van de lijst werden geschrapt ofwel er niet waren aan toegevoegd.
Derhalve diende een ellenlange klachtenlijst behandeld te worden.  In wezen was het de belastingsontvanger die de selektie doorvoerde.  Op basis van de betaalde grond- en persoonlijke belasting en het betaalde patentgeld maakte hij de lijst met geweerde en toegevoegde personen over aan het college.  Zo werden zelfs voorname ingezetenen, wegens het niet betalen van hun 30 fr. kiestol afgevoerd.  Door deze maatregel trof men politiekommissaris Charles van Hoorebeke, distrikt-kommissaris Desiré Lejeune, Josef Benoit Ketele, Adrien Piens, veearts Pieter Steyaert, veearts Jan Cremer, Jan Meire, Antone de Rijcke, Joseph Vermeulen, Adrien van der Naillen, Piet er Rijckaert en Paulin Bauwens.  Jean Grahamme, Ferdinand en Constantin Wijffels en François Gamage werden niet in aanmerking genomen om "zijnde niet als belg beschouwd".
Charles van Damme en Charles Blomme waren overleden.  Daarentegen kwamen August de Vos, Jan de Schrijver, Joannes Albert Cornand, Jacobus Francies Rijffranck en Jean Lejeune de lijst aanvullen.  Op 1 mei sloot men de lijst provisioneel af met 252 personen.  Deze werd opgehangen aan de stadhuisdeur waarna elkeen tot 3 mei, dus slechts drie dagen, de tijd had om klacht neer te leggen.
Op 16 mei werden na onderzoek, nog een 60-tal personen aan de kiezerslijst toegevoegd.  Merkwaardig was het groot aantal landbouwers.
Augustin de Clercq, raadslid, Frans van Autryve, zaakwaarnemer, Florentin Vermeulen, boswachter, Benedictus Gimbercie, particulier, Pieter Euerard, rentenier, Jan Antone Versijp, landbouwer, Pieter Huysman, landbouwer, Pieter Gijselman, landbouwer, Pieter Jacob van Hijfte, landbouwer, Vincent Lippens, landbouwer, Jan François Schollaert, landbouwer, Jan Bernard Matthijs, landbouwer, Charles de Sutter, Antone Gijselman, landbouwer, Pieter Vereecke, landbouwer, Pieter Frans Cockuyt, landbouwer, Pieter Jan Laureyns, landbouwer, Jan Frans Haegeman, landbouwer, Jan Francies de Coster, landbouwer, Joannes Bassier, landbouwer, Pieter van Quekelberge, landbouwer, Livin van de Velde, landbouwer, Charles Hesters, landbouwer, Charles Huysman, landbouwer, Jan Baptist de Zutter, landbouwer, Jacobus Leliaert, landbouwer, Jan Baptist Versyp, landbouwer, Bernard Dhaenens, landbouwer, Pieter van Damme, landbouwer, Bernard de Groote, landbouwer, Pieter Jan van (H)ootegem, landbouwer, Francies Matthijs, landbouwer, Bernard van Overtveld, landbouwer, Joannes Slock, landbouwer, Pieter Willems, landbouwer, Jan Baptist de Buck, landbouwer, Charles de Craene, landbouwer, Bernard Lehoucq, wever, Pieter van den Bossche, kolonel Burgerwacht, Celestin van Waesberghe, koopman, Bernard van de Walle, herbergier, Engelbertus Dauwe, notaris, Karel van Poucque, wagenmaker, Louis de Vos, blauwselfabrikant, Engelbert van Doosselaere, koopman, Philippe Lehoucq, koopman, Pieter Karel Sandyck, wever, Francies van Brantegem, schoenmaker, Louis van de Genachte, vleeshouwer, Francies Antone van de Genachte, bakker, Charles van de Woestijne, schoenmaker, Charles Francies de Croocq, wever, Jacobus Hermie, particulier, Joannes van Wassenhove, kleermaker, Leopold de Smet, vleeshouwer, Charles Louis Goethals, mulder.

21.05.1836: Onderzoek van commodo et incommodo (hinderlijke inrichting) omtrent de oprichting van een azijnfabriek door Albert Philips, kuiper, op de Spriet.  "Waar heden de sportzaak Nico Rijnders gevestigd is.  Op 1 juni volgde de toelating.

08.06.1836: In het college werd het probleem te berde gebracht nopens de mogelijks illegale verkoop van garens op de donderdagse marktdag.  Uit binnengekomen klachten bleek dat in "bijzondere huizen" garens op die bewuste dag werden verhandeld zonder het marktplaatsgeld te betalen !
De magistraat moest nu zijn houding bepalen, zodat ze enerzijds binnen de wet bleven en anderzijds de pachters van het marktrecht beschermden.
Na onderzoek bleek dat volgens reglement het verboden was op marktdagen elders goederen te verkopen dan op de markt zelf.  Artikel 114 van de stedelijke politieke ordonnanties van 14 maart 1769 hield immers in dat het "iedereen verboden is de landlieden welke naer de merkt komen met eenig gevogelte, eyeren, boter, vis, garen enz. tegen te gaen of met hun daer over eenen geheymen koop te maken".  Gezien tevens de markten duren tot de middag en bepaald is dat alle goederen die voor dit uur Eeklo binnenkomen onderhevig zijn aan dit recht, vallen naast het feit dat hier een overtreding op de algemene wetgeving gemaakt wordt, de waren onder voornoemd artikel en moesten de desbetreffende plaatsrechten betaald worden.

15.06.1836: Reeds eerder hebben we erop gewezen dat slechts in allerlaatste instantie gebruik gemaakt werd van vreemde instellingen bij ziektegevallen.
Pas wanneer uitbesteding in Eeklose gezinnen onmogelijk bleek deed men een beroep op wat men toen gespecialiseerde gezondheidszorg placht te noemen.
Aan "den directeur van het manszothuys" te Gent betaalde de stad 434,35 frank voor twee maand opname van Louis de Volder en ca. 14 maand verblijf aldaar van Bonefacius Verhé.  Op 27 juli diende de stad een rekening van 118,30 frank te vereffenen voor het verblijf van zes Eeklonaars in het Bijlokehospitaal.

06.07.1836: Was het idee om een wegverbinding tussen Eeklo en Tielt tot stand te brengen reeds een poos levendig onder de gemeenteraadsleden, nu pas kreeg het projekt vastere vorm !  Op vraag van overheidswege wat Eeklo zinnens was te besteden bij de uitbouw, werd niettegenstaande de zware financiële lasten ingevolge de nog aan gang zijnde werken aan de weg Eeklo-Watervliet, toch besloten de voorbereidende werken binnen de stad op zich te nemen.  Zo o.a. het aankopen van de noodzakelijke grond, het uitgraven en aanleggen van het bed en het vervoer van de straatstenen vanaf de Lieve of het kanaal tot het werk.  In de strijd om de uiteindelijke toelating te bekomen zou Eeklo zich meer en meer als pilootgemeente opstellen.  Om zijn aktie kracht bij te zetten had de raad een typeverzoek opgesteld dat aan alle belanghebbende gemeentebesturen, — Poeke, Lotenhulle, Hansbeke, Knesselare, Aalter, Bellem, Ursel, Oostwinkel, alsmede deze van het kanton Kaprijke — werd overgemaakt met de bede het naar het ministerie door te zenden.

20.07.1836: Als antwoord op een provinciaal schrijven van 6 juli omtrent alhier bestaande instellingen (gestichten) voor het onderrichten van weeskinderen en vondelingen liet het stadsbestuur weten dat tot heden binnen Eeklo dergelijke tehuizen niet bestonden.

06.08.1836: Met het oog op militaire inkwartiering en eventuele opeising diende Eeklo als "hoofdplaats van de militaire statie" enkele statistieke gegevens kenbaar te maken.
Bevolking: 8.730.
Aantal woningen waar militairen kunnen gehuisvest worden: 510.  Aantal paarden alhier: 275.
Vermoedelijk aantal rijtuigen met een paard: 156.  Item met twee paarden: 180.
Onder alle rijtuigen zijn er slechts 40 met triemen, de overige zijn driewielkarren.

18.08.1836: C.P. Verplancke met zijn reizend toneelgezelschap richtte zich tot zijn vriend F. Braed, waard in de herberg "Den Groenen Bogaert" alhier, teneinde deze voor hem het nodige zou doen "om permissie te verkrijgen, dat ik geduerende de aenstaende kermis van Eecloo, mijne vertooningen zoude mogen uytoeffenen, als ook, om myne barakke op de merkt te mogen plaetzen".

24.08.1836: Het verzoek van de Maatschappij van Retorica om op 29 augustus over de raadzaal te mogen beschikken voor het geven van toneelvoorstellingen werd afgewimpeld.  Nadat op 31 augustus het nieuw stadsbestuur onder burgemeester Stroo was geïnstalleerd, richtte Retorica op 10 september een analoog verzoek, waarschijnlijk in de hoop ditmaal meer begrip en kultuurliefde te vinden !
Helaas bleek de gestelde verwachting ook nu weer ijdel te zijn... nogmaals werd hun verzoek geweigerd.

31.08.1836: Om 10 uur was de Eeklose magistraat samen in de grote raadzaal van het stadhuis, om over te gaan tot de officiële samenstelling van het stadsbestuur overeenkomstig de wet van 30 maart 1836.
Sekretaris Rodrigos gaf lezing dat:
bij K.B. de heer Charles François Stroo was benoemd tot burgemeester.  De eedaflegging had reeds op 24 augustus plaatsgevonden,
bij K.B. van 19 augustus Bruno Marten en Antoine Vermast, met de leden van de raad, waren aangenomen als schepenen,
extrakt uit het proces-verbaal van de gemeenteraadsverkiezing van 14 juli, die de raadsleden weergeeft in volgorde van het aantal bekomen stemmen.
1. Dhuyvetter Joseph.
2. Dauwe Ange
3. Huysman Bernard
4. Vande Poele Antone Francies
5. Bovyn Jan Baptist
6. Van Hoorebeke Bernard
7. Van Han Ange

Charles de Beir die eveneens verkozen was, had om persoonlijke redenen van zijn mandaat afgezien.
Vooraleer de raadsleden de eed uitspraken, werd het decreet afgelezen "van uitsluiting ten eeuwigen dage der leden van de familie van Oranje Nassau, van alle magt in Belgenland".
Waarna het volledig bestuur in funktie trad.

03.09.1836: Omdat de 39-jarige Pieter van de Woestijn, wever op 1 september de 7-jarige Eduard de Bie, zoon van Karel en Marie Thérèse Philips van de verdrinkingsdood had gered in het bijzijn van Pieter Jan Dherckers 30 jaar en Jan Frans van Hijfte 23 jaar, vroeg het college een provinciale beloning van 15 frank voor de redder.
Een maand later, op 8 oktober, kwam de lakonieke vraag of het levensgevaar dat Van de Woestijne liep tijdens de redding wel voldoende groot was om de premie toe te kennen !  In dezelfde geest antwoordde de wet, dat er weinig wezenlijk gevaar geweest was aangezien het kanaal er ondiep was.  Toch adviseerden ze de premie toe te kennen.  Het is voor de hand liggend, dat we op basis van voorgaand advies later geen uitbetaling aantroffen !

14.09.1836: Vraag van diverse bewoners van het "oosteindeken" (Stationsstraat) om ieder jaar op 16 oktober een gebuurtekermis onder de kenleuze "eendragt baert vrede" te mogen organiseren.  Op 17 september werd het verzoek van de hand gewezen.  Ongetwijfeld vormden politieke motieven de achtergrond van de weigering.  Zelfs tussen het bestuurlijk driemanschap, burgemeester Stroo en zijn beide schepenen Antone Vermast en Bruno Martens kwam het tot diskussie.  Bruno "verklaert zijne stem niet te vereenigen met het aengenomen besluit".
Als bewoners van het Oosteindeken die het rekest ondertekenden noteerden we: Van Damme, P. den Haese, kuiper, Diericx, Maes, Joseph Gimbercie, S. Rommel, Droghenbroodt, Maroy, E. Van Hecke, A. de Vos, Jan de Poortere, Ledeganck, notaris Van der Weenen, Louis van de Gejuchte, Jan Baptist vander Hulst-Cornand.

21.09.1836: Voor het feestprogramma van de Septemberviering dienen we enkel te verwijzen naar voorgaande jaren.
De traditionele mastklimming, loopwedstrijd en bolspel bleef behouden.  De enige wijziging in het hele gebeuren waren de uitgaven en dan nog deels door de steeds maar groter wordende dorst van de agenten.
Hun "taire" bedroeg 50% meer dan de prijzen voorzien voor de loopwedstrijd !

22.09.1836: Op het stadhuis vond de openbare aanbesteding plaats voor de uitbreidingswerken van de loskaai aan het stadskanaal.
Na oproeping en kaarsbranding zijn de werken toegewezen aan Joannes Heysse voor 630 frank.

24.09.1836: Aanvragen voor de oprichting van een tabakfabriek door Ferdinand de Neve in het beluik achter zijn huis, gelegen op het oude kerkhof en voor de vestiging van een roetsmelterij door Jacobus de Nys in het gebouw waar zijn kaarsengieterij reeds gevestigd was.  (zie chronologie 23 juli 1833)
Ofschoon tegen dit laatste enig verzet kwam van de omwonende verwierven beiden op 29 oktober een officiële machtiging.

28.09.1836: De stad betaalde 24,07 frank aan de ontvanger van de Godshuizen te Gent voor onderhoud van Eeklose verlaten kinderen die daar in de loop van 1835 verbleven.
Gelijktijdig kreeg Eeklo zijn onderrichtingen voor het plaatsen van postbussen "voor den dienst der rurale posten en voor schrijvende aen het stadsbestuer".
De dienst der posterijen drong aan op een snelle uitvoering teneinde het land tot een uniform net uit te bouwen.

01.10.1836: Het armenprobleem bleef vooralsnog de gesel van de gemeentebesturen.  In de loop van 1835 had het Bureel van Weldadigheid 617 posten waaraan bijstand werd verleend.  Een bijkomende subsidie moest worden toegestaan om in de voedseldistributie te kunnen blijven voorzien.
De kosten voor het laten opnemen van zieken (1.258,38 frank) en de uitgaven aan een heelmeester en vroedvrouw in vast verband (samen jaarlijks 709 frank) verslonden geld.  Meer en meer drong een eigen tehuis zich op !

03.10.1836: De vernieuwing van het stadsbestuur werd door nagenoeg het hele stadspersoneel gretig aangegrepen om de sluimerende grieven van de jaarwedden nog eens op tafel te werpen.
Hoe dan ook de weddeaanpassingen kwamen er !
  Jaarwedde (1834) Jaarwedde (1.01.1837)
Ferdinand de Heuvel
"lste commies"
  570 fr.   700 fr.
Disiré Vermeersch
"2de commies"
  315 fr.   500 fr.
Pieter de Raedt
"2de commies"
  315 fr.   500 fr.
Jan Baptist Pynaert
veldwachter
  370,37 fr.   420 fr.
Jan Baptist van Hecke
veldwachter
  370,37 fr.   420 fr.
Ferdinand de Hulsters
agent van politie
  370,37 fr.   420 fr.
Karel Vincent van Hoorebeke
politiekommissaris
  800 fr.
 
 
800 fr.
+ 100 fr. premie

Aan de drie bedienden werd een weddeverhoging toegekend op voorwaarde dat ze indien nodig, bij de herstrukturering van het Bureel van Weldadigheid, het schrijfwerk op zich zouden nemen zonder enige bijkomende vergoeding.
Het politiekorps kreeg de aanpassing naar analogie van andere gemeenten waar de wedden ook tussen de 400 en 425 frank lagen.  Politiekommissaris Karel Vincent van Hoorebeke, spande de kroon.  Met zijn toch niet onaardige wedde luidde hij desondanks de noodklok: "waerbij hij te kennen geeft de onmogelijkheid waerin hij is, om zijn bestaen te vinden in het tractement welke hem van stadswege wordt toegestaen...".  Vroeg net als zijn voorganger Vrombaut ooit deed een extra toelage van 100 frank.
De jaarwedde van de stadsontvanger bleef gehandhaafd op basis van het K.B. van 26 augustus 1824, t.t.z. 4% op de eerste 10.000 gulden of 21.164 frank en 1% op de resterende meerontvangst.

19.10.1836: Door het verminderde gevaar van een nieuw Noord-Zuid treffen werd de paraatheid van de burgerwacht zienderogen aangetast.
Waarschijnlijk was dit verschijnsel ook opgemerkt door burgemeester Stroo die er bij de opperleiding op aandrong vaker schouwing te houden !

19.10.1836: In de loop van het jaar zouden de bestratingswerken van het "Krommewalstraetjen" verder gezet worden.
Een aktie die in 1831 reeds op touw was gezet om enerzijds de openbare gezondheid te bevorderen en anderzijds om de stijgende werkloosheid tegen te gaan.
De kosten werden geraamd op 408,16 frank.

02.11.1836: Voorstel van raadslid Dhuyvetter om stappen te ondernemen teneinde te Eeklo weer een rechtbank van 1ste aanleg te krijgen door eventuele uitbreiding met de kantons Zomergem en Waarschoot.  Op 21 december werd besloten een gelijkaardig verzoek over te maken aan de Minister van Justitie.

02.11.1836: De gemeenteraad diende het verzoek te behandelen om op stadskosten de 14-jarige Marie Constenoble, dochter van Joannes en Isabelle Diericx te laten verzorgen.  Het kind scheen aangetast door een oogziekte die haar nu reeds deels het gezicht ontnam.  De heer "Medicina doctor Van Hecke" heeft zich bereid verklaard de genezing te betrachten tegen een vergoeding van 1 frank daags.

De dokter kreeg een proefperiode van één maand, daarna zou de raad, naar gelang van de kansen op genezing, een verdere behandeling aanbevelen.

Op 21 december betaalde men dr. Van Hecke 40 frank.  Over de gezondheidstoestand van het kind vernemen we verder niets.

02.11.1836: In het armbestuur diende Karel de Vlieger vervangen te worden na het beëindigen van zijn vijfjarig mandaat.  Na stemming bleek het uittredend lid weer de volstrekte meerderheid te hebben waardoor hij een nieuwe ambtsperiode aangeboden kreeg.

02.11.1836: Ingevolge de bestuurswisseling waren binnen de talrijke kommissies plaatsen vacant geworden.  Om de goede werking van de onderscheiden organen niet te ontwrichten ging men vrij snel over tot nieuwe benoemingen.
In de Kantonale Raad, waar naast de burgemeester nog twee raadsleden dienden te zetelen, treffen we nu Ange Dauwe en Bernard Dominique van Hoorebeke aan.
De brandweerkommissie bestond voortaan uit Charel Stroo, Bruno Martens, Joseph Dhuyvetter, Ange Dauwe, Bernard van Hoorebeke.

02.11.1836: Sedert circa twee maand regende het klachten over nachtlawaai en rustverstoring, mogelijks in verband met de aanstelling van Stroo als burgemeester.  De wantoestand moet bepaalde ingezetenen danig dwarsgezeten hebben want weldra kwam via een Eeklose inspiratiebron van provinciale zijde kritiek op de stadsveiligheid.  Men vroeg een omslachtig rapport en of er reeds aan gedacht was de plaatselijke burgerwacht in te zetten voor de bestrijding van deze plaag.

21.12.1836: De openbare aanbesteding voor het onderhoud van de straatlantarens werd toegekend aan Jan van Veerdegem, dagloner, voor 1.070 frank.  Als borg tekende winkelier Benedictus Goethals.

21.12.1836: Schril aftekenend tegen onze huidige keiharde zakenwereld illustreert volgend gebeuren het begrip, de goedhartigheid en het wederzijds vertrouwen van de 19de eeuwse mens.
Bij de verpachting van de stadsrechten had Jan vande Genachte herbergier, voor 2.205 frank het recht van de boter, eieren, wild, kippen, en garenmarkt verworven.
Kort daarop verklaarde Jan evenwel dat hij de voorwaarde verkeerd geïnterpreteerd had.  Aanvankelijk dacht hij dat het recht mocht geind worden op elke pak garen dat hier verhandeld werd !
Nu bleek dat het niet per pak maar per koop gold.  Een dergelijke fout betekende voor Jan een regelrechte financiële strop.
De Raad die de vergissing van de man wel inzag was zelfs van mening dat hij nooit zijn pachtsom zou rekupereren.  Derhalve stelde men voor het recht op 29 december opnieuw te verpachten.  Ditmaal was het Bernard Cornelis Robert die het hoogste bod stelde.  Voor 1.810 frank werd hij de nieuwe pachter.  Zeer zeker was Vande Genachte die dag een gelukkig man... van begrip gesproken !

21.12.1836: In de raadsvergadering werd het nieuw huishoudelijk reglement voor het Bureel van Weldadigheid in lezing genomen.
Bij eventuele goedkeuring zou het reeds vanaf 1 januari 1837 van toepassing worden.  Na enkele kleine wijzigingen kreeg het in diezelfde vergadering nog de zegen mee.
Daar de inhoud ons niet alleen een beeld schetst van de werking van het Bureel van Weldadigheid maar tevens de zorg, de bekommernis en de inzet van het arm- en stadsbestuur illustreert tegenover de minstbedeelden, voor zover die ook in praktijk werden omgezet, hebben we eraan gehouden, zelfs op gevaar een ietwat langdradige opsomming te geven, naast een korte samenvatting het reglement integraal weer te geven.
het bureel vergadert op woens- en zaterdag telkens vanaf 8 uur onder het voorzitterschap van de burgemeester of een vervangend schepen,
elke beslissing dient genomen bij een meerderheid van aanwezige leden.  In geval van staking is de stem van de voorzitter beslissend.  Enkel zeer uitzonderlijk zal door een minderheid van leden een voorlopige beslissing kunnen getroffen worden, die nadien moet bekrachtigd of verworpen worden volgens de gangbare normen,
uiteraard wordt van elke zitting een verslag gemaakt en door de leden ondertekend,
volgens beurtrol vervullen alle leden gedurende een maand aktieve dienst.  Ze moeten instaan voor een strikte uitvoering van de genomen beslissingen, distributie aan de armen en het inzamelen van giften,
de zieken zal hij nauwgezet volgen en toezien of de heelmeester of vroedvrouw ze met de nodige zorg behandelt,
elke behoeftige, van waar ook afkomstig, zal na het vervullen van de administratieve formaliteiten onderstand genieten.  Nadien zal aan de gemeente van afkomst de rekening overgemaakt worden.
alle verzoeken uitgaande van de behoeftigen zullen in vergadering plaatsvinden.  In geen geval mogen de armmeesters thuisbezoek ontvangen, tenzij in zeer uitzonderlijke gevallen,
de betalingen geschieden uitsluitend via de ontvanger op ordonnantie van het bestuur.  Enkel het geld dat aan de armen thuisbezorgd wordt krijgen de armmeesters in handen,
als algemene stelregel geldt dat de armmeesters "zullen de behoeftigen altijd met zachtheid bejegenen".

REGLEMENT VAN HET INWENDIG BESTUUR VAN HET
BUREEL VAN WELDADIGHEID DER STAD EEKLO

1. De leden van het bureel van weldadigheid vergaderen bepaeldelijk twee maal in iedere week, dat is: des Woensdags en des Zaterdags telkens van ten achte uren des morgens.

Eene dier zitting is bijzonderlijk bestemd tot aenhoren van zoodanige verzoeken als de armen of andere personen verlangen mogten te doen.

2. De Burgemeester of de hem vervangende Schepen, wanneer hij zulks raedzaem oordeelt woont de vergaderingen bij en in dat geval zit hij in de zelve voor; bij zijne afwezigheid wordt het voorzitterschap door den oudsten der in rang zijnde leden waergenomen.

3. Het bestuer kan niet beraedslagen ten zij de meerderheid zijner leden tegenwoordig is.  Alle resolutien worden genomen bij meerderheid van stemmen, en wanneer de vergadering den Burgemeester of een der Schepenen wordt voorgezeten, zal hij, ingeval van staking, eene beslissende stem hebben.

4. Indien bij eene gewone vergadering de meerderheid der leden niet tegenwoordig ware, zullen de presente leden, in dringende noodzakelijkheid provisioneel kunnen besluiten, de resolutien in zoodanig geval genomen, zullen, wanneer de zelve bij eene latere en talrijker vergadering niet mogten bekragtigd worden, ophouden hare verdere uitvoering te ontvangen.

5. Van de verhandelingen in elke zitting wordt een proces verbael opgemaekt het welk in eendaer toe bestemd Register ingeschreven en door al de present zijnde leden zal onderteekend worden.  Des noods zal een der Commiesen der Secretary door het Collegie van Burgemeester en Schepenen worden aengesteld om de vergadering van het bureel van weldadigheid bij te wonen en de nodige schrifturen te houden.

6. Elk een der leden zal volgens toerbeurt, gedurende eene maend belast zijn met de uitvoering van de genomen resolutien, het doen der noodige bedeelingen, en andere werkzaamheden betrekkelijk het bestuer, zoo mede met het inzamelen van aelmoesen en giften welker opbrengst in de kas vanden ontvanger zal moeten overgestort worden.

7. De dienstdoende armmeester zal zich nauwkeuriglijk moeten gedragen in het verleenen van onderstand naer het gene deswege door het bestuer zal bepaeld wezen, en geene andere bedeelingen mogen doen dan volgens de lijsten welke te dien einde in elke vergadering zullen vastgesteld worden.  In buitengewone gevallen van ziektes of andersints, zal hij echter op eigen gezag zoodanigen onderstand mogen doen als de toestand der armen zal vorderen doch zal daer van verslag moeten doen in de eerstkomende vergadering van het bestuer, het welk de bedeeling als dan finael regelt of deswege al zulke beslissing neemt als het zal gevonden worden noodzakelijk te zijn.

8. De dienstdoende armmeester zal een bijzonder toezigt houden omtrent de behoeftige zieken en de hand houden op dat de zelve door den geneesheer of den heelmeester met de noodige zorg behandeld worden.

9. Wanneer zich een behoeftige aenbiedt om in den publieken onderstand te deelen zal het bestuer of de dienstdoende armmeester omtrent den toestand van zoodanigen persoon een nauwkeurig onderzoek doen en alle mogelijke inlichtingen inzamelen om zich wel te verzekeren in welke plaets hij zijn onderstands domicilie heeft.  Indien hij het te Eecloo niet mogt hebben zal daerom niet te min aen dien behoeftigen den noodige hulp worden verstrekt ten laste van die gemeente alwaer hij later zal gevonden worden te behooren.

In zulk geval zal er goede aenteekening van de uitgereikte bedeeling moeten gehouden worden, en zal onverwijld daer van overeenkomstig de bepalingen van het besluit van den 2 July 1826 n° 132, moeten kennis gegeven worden aen het bestuer der gemeente welke men vermoedt het onderstands domicielie uit te maken.

10. De behoeftigen en al de leden van hun huisgezin welke tot de bedeeling van den armen worden toegelaten zullen dadelijk ingeschreven worden in een daer toe bestemd register het welk de nagemelde aenduidingen zal moeten bevatten, te weten:

  1. volgnommer
2. namen en voornamen
3. of zij gehuwd ongehuwd weduwnaar of weduwe zijn
4. geboorteplaets
5. datum van geboorte
6. woonplaats
7. datum op welke zij te Eecloo zijn komen wonen
8. vermoedelijke redenen hunner aermoede
9. datum op welke zij tot de bedeeling toegelaten zijn
10. datum op welke zij van de bedeelingslijst afgeschreven zijn
11. opgekomen veranderingen
12. aenmerkingen

Al de opkomende veranderingen in het getal of den toestand der bedeeld wordende armen, zullen op dat register, met zorg en nauwkeurigheid moeten aengeteeckend worden, zoodanig dat het armbestuer altijd in staet zij deswege alle voldoende inlichtingen te geven die door de regering of de hooge administratie zouden kunnen gevraegd worden.

11. De behoeftigen welke verlangen eenige verzoeken te doen of eenige bezwaren in te dienen hebben, zullen zich behooren te wenden tot het armbestuer in des zelfs gewone vergaderingen; dien ten gevolge zullen geene der leden afzonderlijk ten hunnen huize aen die behoeftigen altijd met zachtheid bejegenen en zich ook onthouden de de zelve tot het indienen hunner bezwaren tot de regering te verzenden.  Wanneer de beslissing van het stadsbestuer noodzakelijk mogte geoordeeld worden, zal het armbestuer of een zijner leden deswege rapport doen.

12. Al de uitgaven voor den dienst der armen te doen zullen door den ontvanger betaeld worden op ordonnantien door het bestuer af te leveren.  De zelve zullen moeten gestaefd zijn door de vereischte bijlagen en ten minstens door drij leden van het bestuer moeten onderteekend worden.

13. Uit de fondsen op den begrootingstaete toegestaen voor uitdeelingen van geld ten huize enz., zal aen den dienstdoenden aermeester ter beschikking gesteld worden, het gene voor den dienst gedurende de maend vennoedelijk zal noodzakelijk wezen; ten gevolge van dien zal hij geene goegenaemde bedeelingen mogen betalen uit de opbrengst der aelmoesen maer zal het bedrag van de door hem ingezamelde gelden geregeld twee malen in de maend aen den ontvanger moeten overstorten en daer van in de naeste vergadering van het bestuer kennis geven.

14. De schikkingen van het tegenwoordig Reglement zullen met den 1en Janury 1837 ten uitvoer worden gelegd, en zullen in het vervolg zoodanige wijzigingen of veranderingen kunnen ondergaen als door de ondervinding zal aengetoond worden noodzakelijk of nuttig te zijn.

Aldus vastgesteld in zitting van den Stedelijken raed van den 21 December 1836.

Ter ordonnantie
De Secretaris (ondt. Rodrigas P.)
De Burgemeester
President (ondt. Stroo)

24.12.1836: Op het stadhuis ontving men de doodsakte van een zekere "Jonnies Gabriel" fusilier van het 50e infanterie regiment, geboortig van "Escio" (wat Eeklo zou moeten zijn !), gelegen in het Scheldedepartement.  Gabriel was overleden te Maagdenburg op 28 augustus 1813.

Besloten werd, een onderzoek in te stellen of de persoon in kwestie hier ooit wel heeft gewoond ?

31.12.1836: Het armbestuur vroeg toelating om de beschikbare gelden van afgeloste renten, zijnde 7.102,82 frank in afwachting van het gebruik voor het op te richten Gesticht van Liefdadigheid te mogen beleggen.  De stedelijke raad eveneens van mening "dat de oprigting van een zoodanig gesticht niet zoo dadelijk kan geschieden uit hoofde vande te vervullen administrative formaliteiten" pleitte ook om de beschikbare fondsen op korte termijn te besteden.  De "Spaerbank van de Algemeene Maetschappij ter Begunstiging van de Volksvlyt" leek hen het best geschikt.  Het verzoek zou aan de Bestendige Deputatie van Oost-Vlaanderen overgemaakt worden.

1836: In de loop van 1836 openden 12 nieuwe herbergen hun deuren.
—  Pieter van Acker, brouwersknecht, "den Brouwersknegt" in de Korte Moeie.
—  Adolph De Smet, winkelier werd tapper in de "Leopold", gelegen aan de oostzijde van de Boelare.
—  Augustin Verhé, werkman opende "het goedkoop leven" in de Prinsenhofstraat.
—  Jan Francien vande Wiele, wou zijn nieuwe herberg gelegen in de Zandstraat "de Draeibrugge" noemen.
—  in de Kerkstraat ging Joannes Bultynck in "den Biekorf" achter de tapkast staan.
—  de weduwe van Theodore Durieux opende op het Oude Kerkhof "het princenhof".
—  in "De Buytenlust" op Blommekens tapte nu Charles Francies Bassier.
—  café "Bacchus" in het Vrouwenstraatje werd uitgebaat door Joannes de Vroe.
—  de herberg van de weduwe Ruremonde in de Paterstraat werd overgenomen door Hyppolite Beelaert en kreeg de naam van "Sinte Crispijn".
—  in de Molenstraat opende Antone de Cock "de Beestenmerkt".
—  terwijl in de Teirlinckstraat slager Carolus Reedkete "het verksken" en een weinig verder Francies Colombien "het haentje" opende.

Ingevolge de gemeenteverkiezingen van 1836 kregen we een drastische wijziging in de samenstelling van het schepencollege en de stedelijke raad.

Op 27 augustus zetelde het oud college voor de laatste maal.  In de loop van het eerste halfjaar vergaderden ze 70 maal.  Dhuyvetter (67), Martens (70), Aernaut (68) en secretaris Rodrigos (70).

Het vernieuwd team bestaande uit burgemeester Stroo en de twee schepenen Martens en Vermast kwamen vanaf 31 augustus nog 38 keer samen.  Het drietal was in volgorde respektievelijk 38, 38 en 36 maal aanwezig.

Ook hier miste secretaris Rodrigos geen enkele zitting.  De stedelijke raad zat in 1836 slechts 22 maal rond de tafel.  De oude raad zetelde 9 keer, waarvan Dhuyvetter (8), Martens (9), Aernaut (9), Vermast (9), Sierens (8), De Clercq (9), Van Daele (6), Roegiers (6), Remery (9), Van Wassenhove (8) en secretaris Rodrigos (9).  De vernieuwde gemeenteraad: Stroo (13), Martens (13), Vermast (12), Dhuyvetter (12), Dauwe (12), Huysman (6), Van de Poele (5), Bovyn (11), Van Hoorebeke (12), Van Han (10) en Rodrigos (13).

(vervolgt) Erik de Smet.

Separator

Chronologie van Eeklose gebeurtenissen
1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 15 - 16

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice



Meest recente bijwerking :  13-08-2019