Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1972, 5de jaargang, nr. 4

OVER PIERLALA TE URSEL...

      « Komt hier al bij, aanhoort dees klucht,
het is van Pierlala,
een drollig ventje vol genucht,
de vreugd van zijn papa;
wat in zijn leven is geschied
dat zult gij horen in dit lied:
't is al van Pierlala sa sa, 't is al van Pierlala !» 

De oorsprong van dit oude volkslied reikt tot in de 16e eeuw.  Het is echt Vlaams en zeer goed bekend, in verschillende varianten.  Een paar jaar geleden werd op de Vlaamse TV. een balletspel opgevoerd naar het thema van dit lied; en veel vroeger, ter gelegenheid van Expo Brussel 1958, zong het koor van het Rode Leger, in het Russisch paviljoen, dit Pierlala-lied in het Nederlands.  Onder de Franse overheersing verscheen in het Gentse een versie van dit lied, vol bijtende spot op de Franse bezetter...

Maar wie is deze Pierlala ?

Net als zijn grote broer in Vlaanderen, Tijl Uilenspiegel, is ook Pierlala een legendarische figuur.  Zulke figuren hebben dit voor op de gewone stervelingen: zij trotseren de tijd, de eeuwen, ja sommige sterven nooit !  Eén punt hebben onze Uilenspiegel en onze Pierlala gemeen: beide zijn zeer sterk in de kluchten en in het uithalen van poetsen en fratsen.  Maar Pierlala is niet altijd zo hevig politiek georiënteerd als Uilenspiegel.

— «Jongen,» zei zijn moeder Blandine tegen hem, «trek u al die boel niet ter harte !  Vaag daar uw broek aan !  Kijk eens wat Uilenspiegel is tegengekomen met al die politiek, gans zijn familie is uitgemoord...»

Pierlala trok dan zijn schouders op.  Hij bewonderde in stilte de kranige Uilenspiegel; hij beminde ook wel zijn volk, doch had niet hetzelfde vechterstemperament als Tijl.   Moeilijke problemen en zwarigheden wist hij altijd af te weren met een klucht of een kwinkslag, zijn pijp rokend en een pot bier drinkend.

Het eigenaardige met onze held is dat hij wel kan ziek worden en sterven zoals ieder ander mens, maar dat hij telkens opnieuw uit zijn kist komt.  Op de duur deed men zelfs geen moeite meer om hem met kist en al onder de grond te stoppen, want vroeg of laat kroop hij er toch weerom uit; er is eenvoudig geen doen aan !

De wieg van Pierlala stond te Ursel, op de hoek van de Pierlalawegel en van het ijzeren Hand.  Maar het huisje is lang verdwenen, het is allemaal zolang geleden, want als jongeling heeft Pierlala meegeholpen aan de opbouw van het mooie kruiskerkje, dat sindsdien in de loop der eeuwen meer dan eens verbouwd werd.  Enkel de toren van Ursel is nog in de oorspronkelijke staat gebleven.

De kerk van Akkergem werd door dezelfde bouwmeester opgericht als de kerk van Ursel.  Men vertelt dat de man van de tinnen gesprongen is te Akkergem, omdat de toren daar scheef stond.  Pierlala heeft veel verdriet gehad, toen hij het nieuws over de dood van die man vernam.  Met heimwee dacht hij terug aan de vele gezellige stonden op de bouwwerf en aan de talloze tinnen potten gerstenat, die hij samen met mijnheer genut had, op de hoeve dichtbij de kerk, daar waar nu Emiel Verwilst woont.

Daaruit is met zekerheid op te maken dat Pierlala hier te Ursel, in het platte Meetjesland, reeds eeuwen rondwaart en vegeteert.  Hij was de zoon van een wagenmaker en in de stille, rustige buurt groeide hij op tot een rijzige, taaie, magere jongeling.  Zijn moeder zegde dat het een «deurjager» was; hij at en dronk zoveel hij maar kon, doch werd er niet vetter van.  Dus was hij zoals men hier in de volksmond zegt; «mager en taai gelijk de dekwissen» !

Pierlala was allerminst een huisduif.  Hij zwierf door Noord-Frankrijk, Holland en Duitsland, de streek van het platduits waar men zijn dialekt goed verstond en waar nu nog sporen te vinden zijn van zijn verblijf aldaar, in volksliederen en gezegden over de zekere «Beurlala».

Maar zijn geboortedorp vergat hij nooit.  Meermaals kwam hij, na de zoveelste heropstanding uit zijn kist, zo maar door de straten van Ursel gewandeld.  Hij is er zo vaak geweest, dat zijn geest er immer voelbaar is blijven hangen.  Lange tijd vertoefde hij ook te Gent, waar hij optrad als markt­kramer of liedjes­zanger, samen met Proven­çaalse troebadoers.  De Gentenaars hebben veel van zijn geest overgeërfd, bv. hun kritische aanleg en hun specifieke humor.  Tussen de twee wereld­oorlogen verscheen zelfs te Gent onder zijn naam een weekblad zonder veel skrupules, «een roddel­blaadje vol spot en schimp­scheuten», — maar dat wel eens de nagel op de kop sloeg !

In de 18e eeuw vestigde Pierlala zich als herbergier te Ursel, op de Katerhoek, — dus juist iets voor hem, die zo graag en zo regelmatig een pot pakte.  Hij huwde met Ursula, een gezonde klosse uit Wessegem.  Zij hielden een geit, konijnen, wat kiekens en een zwijntje.  De zaken floreerden goed; iedereen kwam wel eens binnen in die herberg, al was het maar om Pierlala eens te horen afgeven en kritikeren op alles en nog wat.  Daar werd veel bier verkocht en de waard moest niet ver lopen om zijn bier te halen, want de familie Lampaert had juist een begin gemaakt met de uitbating van een brouwerij, waar heden nog bier verkocht wordt door dhr. Urb. De Keyser.  In zijn kroeg speelde Pierlala op de doedelzak of op de vedel, zong en danste (hoewel de toenmalige pastoor er een beetje tegen was).

Men maakte daar veel leute en plezier.  Maar Pierlala deed ook de baan, hij kocht al eens een ketelzwijntje, wat kiekens of konijnen en voerde dan zijn waren, de vrijdagmorgen, heel vroeg, met zijn ezel naar Oostmolen, naar het schip.  Op die tocht was hij altijd vergezeld door de Kleitse bezembinders, die kwamen van over bos en heide.  Het schip lichtte het anker om 4 uur en te 8 uur was het te Gent.

In die jaren was het erg woelig in het dorp.  Men zat voortdurend gestraft met vreemde troepen: Fransen, Spanjaarden, Hollanders en Denen; huurlingen die soms wel eens slaags raakten met patriotten.  Op andere gemeenten viel dat zo niet in het oog, maar Ursel lag juist op de scheidingslijn van twee kasselrijen, twee invloedrijke blokken; het Gentse (de Oudburg van Gent) en het Brugse Vrije.  En toch heeft Pierlala in de tijd van de patriotten zijn schoonste dagen gekend.  Hij was weer een echte «straatzeile» !  Zo maar voor zijn plezier trok hij naar de Dries, kocht eerst een pot bier in «Het Kruis van Boergondië», waar nu Omer De Rycke woont met zijn moeder, bleef een beetje praten over de slechte tijd en ging dan verder voorbij het aloude Koningshof, sprak nog wat met de boer van 't Blauwgoed — een oude hoeve, waar toen nog een schone brede walling rond lag — ging even kijken op het hof te Lembeke (de Driepikkel) of men er soms geen biggen had en trok dan naar de houten molen op Knesselare-Dries.  Daar op die molen hielp hij wat mee met de mulder.

Molenaarswerk deed Pierlala graag.  In de buurt waar hij woonde waren er drie stenen molens, twee op de Katerhoek en een op de Roze.  Hij voelde zich thuis bij het geluid van de knersende molenstenen en het heen en weer slaan van de houten luiken, telkens als een zak graan naar boven werd getrokken met katrollen en repen.  Ook hanteerde hij het raderwerk om de wieken wat tot bedaren te brengen, wanneer de wind heviger opstak en alles piepte en kraakte.  Dan keek hij even door het raampje naar de verre horizonten en liet de wind met stoten op zijn gezicht blazen.

Net als bijna alle kleermakers en neringdoeners van het dorp had ook Pierlala een tamelijk grote «brokke land» in pacht aan de «Breere» (Barrière), twee en een halve kilometer ver.  Twee dagen te reke kon men Pierlala heen en terug naar de «Breere» zien rijden met de zware kuip beer op de kruiwagen; maar toch ging hij ondertussen wel eens binnen om een druppelke te drinken bij «Beste De Vogelaere».  Op zijn magere akker oogstte hij nochtans niet te veel, tenzij wat Franse negenwekers, bols of industries (variëteiten van aardappelen in die tijd).

Daar Pierlala en Ursula rasechte Vlamingen waren «qui se nourissent avec des pommes de terre» hebben ze «veel taten gegeten met kaantjessaus en een sparlatje erbij».  Pierlala ging ook menigmaal bij grote boeren werken in de Vrekkemstraat.  Daar dorste hij, samen met een paar knechten, de oogst af in de winter en mende de paarden in de zomer.  Zo kende hij op de duur geheel de draai en de keer van de boerenstiel.  Ja, zelfs bij de behandeling van het vlas hielp hij mee, hij sprong in bij het slijten, boten en zwingelen. En de wildstroperij had natuurlijk geen geheimen voor hem, in die bosrijke streek !...

Op zekere dag wandelde hij eens langs de «lochtingen», dat was langs het wegje dat nu de Pierlalawegel heet.  Hij liep zo wat te mijmeren.

- 'k Zou wel ne keer tot bij dat manneken gaan, zegde hij bij zichzelf.

Op de aardeweg gekomen, rechtsaf een eindje in de velden, stond een boerenhofje en daar even voorbij een klein huisje, dat met de voorkant uitgaf op het zuiden, met de ruimte van de velden ervoor.  En daar woonde broeder Braem.  Pierlala had er wel al 't een en 't ander over gehoord, maar hij wilde er eens het fijne van weten.  Aan de voordeur gekomen hoorde hij dat manneken zingen en spelen op een spinet, een devoot en oud Vlaams liedeken.  Pierlala bleef roerloos staan om te luisteren naar dat oud manneken, half broeder en half eremijt, dat daar binnen zat te zingen en te musiceren met een oude, gebroken stem.  Hij was ontroerd bij de tekst van dat lied:

o Soeten Jesus, Godt en mensch,
Doet mij de gunst daer ick naer wensch ;
Komt, spant mijn hert eens op het raem, 
Borduurt daer uwen soeten naem,
Beschrijft het wit van mijn gemoed
Met purper van uw dierbaer bloed !

Na nog een poosje gewacht te hebben klopte hij aan. — «Binnen», riep het ventje en samen gezeten aan de haard zaten ze lange tijd te vertellen over de zin van het leven en de geest van onthouding.  Broeder Braem rookte niet of dronk geen sterke dranken; hij at ook geen vlees.  Van alles moest men zich kunnen onthechten om uiteindelijk de ware, levende Kristus aan te voelen en te ontmoeten.  Pierlala was wel geïnteresseerd en vond het zeer mooi; maar hij ontstak zijn pijp met een brandend stukje hout uit de haard en dacht eraan van meteen, op de terugweg, even binnen te gaan «In de Vrede - bij Sofie», om een goede druppel.

Broeder Braem vertelde nog over zijn belevenissen van vroeger, de vreemde mensen en streken die hij had gezien toen hij te voet naar Rome bedevaartte en over de 14 kleine kapellekens die hij, met medewerking van mijnheer pastoor zou laten bouwen, langs hier voorbij de Berkenkapel en langs de Roze tot aan het beenderhuis bij de kerk, enfin ongeveer de lengte van de omloop die Kristus heeft afgelegd bij de kruisdraging naar Golgotha.

Pierlala was innerlijk tevreden over zijn bezoek aan dat kluizenaarken en nam zich voor nog dikwijls hier terug te komen. Hij nam afscheid en ging verder, sloeg de Wulfburgslag in en kwam op de steenweg naar Zomergem, dichtbij de herberg «In de Vrede — bij Sofie».  Natuurlijk stapte hij daar binnen om een lekker glas bier van de ton.

Hij kwam daar dikwijls en Sofie, toen in de fleur van haar jaren en een niet te versmaden Vlaamse «brokke vlees», kon toch zo goed zijn kluchten oplachen.  Ze verstonden mekaar onbewust, zonder dat hij er acht op sloeg.  En zo heeft hij haar eens een klinkende zoen gegeven... — Ja, zei Pierlala, een mens zit vol kontrasten en uitersten.  Eerst bij broeder Braem, religieuze beschouwingen, meditatie en gebed — en kort daarop bij Sofie bier en druppels drinken, dus gulzigheid — vuilkens vertellen en dom doen — zonde...  Een beetje de middenweg trachten te houden, niet te overdreven kerkelijk en ook niet al te werelds... en hij nam zijn vedel en speelde een lustig lied.  Dat was de filosofie van Pierlala !

De man heeft op de Katerhoek een onbezorgd, vrij en gelukkig leven gekend in zijn estaminet «De Bierboom».  Al zijn streken en knepen vertellen, zijn kapaciteiten en gaven vermelden zou een gans boekdeel vullen.  Hij leerde zijn volk drinken, hij leerde zijn volk lachen en zingen, hij leerde zijn volk ook God te loven en te danken om al het schone en het goede dat het leven bieden kan.  Men mag hem interpreteren zoals men wil, maar slecht kan men hem niet noemen.  Want hij bezat een hart van krentebrood. Later zou men zingen van:

Als Pierlala in zijn kiste lag,
Hij lag met zijn billekens bloot;
Zijn wijveken gaf er een kletseken op
En Pierlala verschoot. ..

Maar op de duur stierf zijn Ursula echt.  Pierlala had schrikkelijk veel verdriet.  Hij kwijnde zienderogen weg.  Hij was altijd mager van zijn eigen geweest, maar nu was hij nog het vel over de benen.  De dokter van Zomergem kwam, te voet langs de Gentweg, om Pierlala te genezen, maar verloren gedaan.  Dood.  Men lei hem proper in de kist en zette die in de herberg.  Pierlala had geen kinderen en geen familie.

De vlasboters in de Pierlalastoet te Ursel.

Foto Marcel De Muynck, Ursel.

De buren waren er evenwel als de kippen bij.  Hij was nog niet helemaal koud achter zijn oren, of ze verdeelden het geld en de meubeltjes onder mekaar, nog vóór de baljuw de tijd had om de boel te komen aanslaan.  Ze zaten te vezelen bij het licht van de petroleumlamp:
— Ik zal de doedelzak nemen, pak gij dat boek waar de geneeskrachtige kruiden in afgebeeld staan...  En de geit...

Een wijf wilde absoluut nog een goede kapmantel en een bindersmutseken, terwijl een andere de schone kazefik van Ursula nam.  De kist stond in hun nabijheid en iemand zegde:
— Moest Pierlala dit eens zien ! Maar ja, de doden keren niet meer weerom...
— Ik wel, zei Pierlala, ik wel !

Het deksel van de kist rees omhoog en vloog eraf en daar stond weerom de Pierlala van vroeger. Hij grabbelde de bezem vast en zwaaide en veegde ermèe al die mannen en vrouwen uit zijn huis.

Daarna zat hij een poosje stilletjes te wenen over van alles; omdat de wereld zo is, omdat het leven zo is...

De volgende morgen is hij weggegaan, met de vedel aan zijn zijde en de mispelaren stok in de hand, over vele nieuwe horizonten naar andere oorden, om daar met zijn grappen en kluchten, zijn fabels en zijn liederen de mensen aan het lachen te krijgen.

Het heeft 150 jaar geduurd vooraleer hij ditmaal terug naar zijn geboortedorp kwam.  De herberg van Sofie was wel wat meer verlaten, sedert de guitige klant Pierlala verdwenen was.  Sofie had een soort heimwee naar die wondere, aantrekkelijke kerel en zo ging ze bij de gebuur Petrus — een slechte timmerman, maar een goede beeldhouwer — vragen een beeldje te snijden, het portret van Pierlala.  En ze heeft het beeld ook een lekje verf gegeven, in de kleuren van zijn klederdracht.

— Ge weet wel, hé, Petrus, zei ze, Pierlala liep altijd eigenaardig aangeschoten. Ook zijn eeuwig lange pijp niet vergeten, hé, Petrus, en zijn riem en zijn hoedje ...

Ieder jaar, ter gelegenheid van de wijkkermis, stak Sofie het houten beeld op het dak en stilaan werden die feestelijkheden genoemd; de kermis van Pierlala.

Toen hij in 1908 terug op zijn dorp verscheen, was het in de ogen van Pierlala bijna een gans ander dorp geworden.  De beek met de tronken erlangs, midden op Ursel-Plaats, was toegelegd en de knotwilgen waren gerooid.  Stoomtrammekens reden nu van uit Ursel naar alle richtingen, heinde en verre, naar Aalter, naar Tielt, naar Brugge, naar Zomergem en Gent en last but not least naar Eeklo.  Sofie was reeds lang gestorven.  In die herberg woonde nu al de derde Sofie en ze was ook al zo oud als de straat.

Zijn oude herberg op de Katerhoek droeg nog immer het opschrift: «De Bierboom».  Hij wandelde ook eens langs het Almeystraatje, nu het Schaperstraatje genaamd. — Kijk, zegde hij, hier is bijna niets veranderd gedurende die 150 jaar, nog immer hetzelfde uitzicht op de achterkant van de kerk !  Men zou dit hoekje moeten bewaren, want 't is er schoon en er heerst stilte in dit straatje.  Hier heeft de tijd stil gestaan; dit is nog het oude Ursel.  En zeggen dat ik vroeger, in de jaren 1400, daarboven op het kruis van de toren heb gestaan, — ja, wadde, zei Pierlala.

Hij bestelde een pint bier in «De Bierboom» en de baas kende hem niet meer; maar hij maakte zich bekend en geheel de gebuurte kwam in beroering.  Pierlala is weergekeerd !

Dat moest natuurlijk gevierd worden.  Er was een nieuwe brouwer, een van Ursel, De Keyser, die de brouwerij van de Lampaerts had overgenomen en op de Katerhoek moest er feest zijn in augustus, op dezelfde dag van de Pierlala-kermis, vroeger «In de Vrede».  Men dacht: Sofie is oud, ze sluit haar drankhuis, ze zal wel het beeldje afstaan om het hier, op het dak van de herberg «De Bierboom», uit te steken.  De brouwer redeneerde immers aldus: «De Vrede» is maar één café en de verkoop van bier is er nog maar mager ook, doch op de Katerhoek staan er niet minder dan vier estaminets, dus kan ik hier wel een goede slag slaan; we gaan er ons voor inzetten !

En de brouwer trok naar de oude Sofie, om haar dat beeldje te vragen.  Hij bood er zelfs veel geld voor.  Maar neen, hé, Sofie bleef hardnekkig weigeren, geen doen aan, het beeldje bleef bij haar en zij zou het uitsteken op de kermis van de wijk.

Doch ook de brouwer hield vol.  Hij liet een ander beeldje namaken, ongeveer naar het model van dit op «De Vrede».  Hij voerde publiciteit en zette iedereen aan om mee te vieren.  De bakker van het dorp, August Van De Veire, een man met zin voor humor, een moppentapper, maakte een schoon gedicht op Pierlala.

Er was veel volk op dit feest van 23 augustus 1908.  Pierlala was in zijn nopjes.  Het plaatselijke a-capella-koor zong het lied van Pierlala, het nieuwe beeldje werd plechtig ingewijd en de fanfare van Adegem speelde dapper.  En bier dat er toen gedronken werd !

Het gedrukt programma van die dag vermeldt «om 5 ure in den namiddag luisterrijke feestelijkheden ter gelegenheid der plechtige instellatie van zijn majesteit Pierlala, bij zijne aankomst in den Katerhoek».  Eerst had «de solemnele troonbeklimming van Pier» plaats; vervolgens werd «de Brabançonne» uitgevoerd door de muziekmaatschappij St. Jooris, uit Eeklo.  De zangmaatschappij St. Cecilia voerde daarna «als hulde aan zijn majesteit» het feestlied uit en ten slotte, «na een kwaart uur rust», trok een «triomfantelijke optocht rond de gebuurte».  Daarin werd «zijne majesteit Pier gedragen op gekroonden draagstoel, door vier kloeke dragonders» !  Maar bij Sofie was er die dag weinig of geen volk ...

In 1912 rees er een nieuwe herberg uit de grond, een eindje voorbij deze van Sofie.  Bakker Van Laecke woonde daar en hij kreeg het oude Pierlala-beeldje van Sofie, die haar café definitief sloot.  Bij de bakker heette het van dan af ook «In de Vrede».  Vandaar dat er elk jaar twee Pierlala-kermissen plaats hadden op dezelfde dag.

De dorsers, vóór de
molen van de Roze,
in de Pierlalastoet.

Foto Marcel De Muynck,
Ursel.

 

Maar de eerste wereldoorlog volgde spoedig daarop en van Pierlala was niets meer te bespeuren; 25 jaar nadien brak er nog een wredere oorlog uit en daarmee was het gedaan met de gezelligheid van vroeger en met de gemoedelijkheid onder de burgers van het dorp.  Tussen die twee oorlogen in waren er te Ursel nog wel enkele figuren die de geest van Pierlala bewaard hadden: Freed Saey, de oude Corneel, Ward Versluys, Peet Ketelaars en nog enkele andere.  Maar dat waren oude mensen geworden en na de tweede wereldoorlog werd nergens nog met een woord over Pierlala gerept.

De vroeger zo bloeiende wijkkermissen stierven uit.  Een gans nieuwe generatie trad aan met een nieuwe mentaliteit.  In de jaren '50 kwam er een kentering in de manier van organiseren van onze volksfeesten.  Kort na de bevrijding was het al fancy-fair, «Vlaamse Kermis» in onze taal, wat de klok sloeg; over massaspelen en optochten met folkloristische of religieuze inslag werd niet meer gesproken...

Maar de folklore herleefde stilaan opnieuw, want het bloed kruipt waar het niet gaan kan.  Er kwamen Uilenspiegelfeesten te Oedelem, Breughelfeesten te Wingene, gewone folkloristische stoeten bij bepaalde gelegenheden elders.  Geleidelijk kwam de sfeer van 1900 een beetje terug.  Maar er gingen aan de kleurrijke volks­groepen gewoonlijk grote reklamestoeten vooraf, met kostelijk versierde wagens in het teken van de verkoop van schoensmeer en waspoeder, auto's, stofzuigers en lampekappen, en noem maar op.  Langzaam bewogen zij zich door de rechte straten van menig feestvierend dorp in onze Vlaamse gouwen.

En dan kwam 1963.  In Ursel wou men ook iets doen om de aloude jaarlijkse kermis, welke aan het uitsterven was, enig nieuw leven in te blazen.  En wie anders dan de neringdoeners zouden het aandurven een grote stoet op de been te brengen ?  Spoedig was alles in kannen en kruiken.  Het zou een daverende reklamestoet worden, volgens de geest van de tijd.

Maar men had zonder Pierlala gerekend !  Na 55 jaar afwezigheid kwam hij weer onverwacht uit zijn kist gekropen.  Als meer dan 500-jarige dorpeling deed hij zich op die snikhete kermisdag in juni 1963, in de eerste stoet, duchtig gelden.  Hij drukte zijn stempel ook op de reklamestoet !  Van op meer dan één auto of praalwagen propageerde men: Pierlala-schoenen, Pierlala-hespen en Pierlala-konfektie.  Meer dan honderd meter achter de reklame-optocht volgde dan de echte Pierlala-stoet, met platte boerenwagens en Brabantse merries (als die geen veulen verwachtten, wel te verstaan !) en met een massa mensen, mannen, vrouwen en kinderen, volledig in de kledij en in de doening van «la belle époque».  Het was een sukses over gans de lijn, ondanks de stortvlaag op het einde, die in een omzien alle toeschouwers in de cafés joeg, zodat deze uitpuilden aan de voor- en achterdeur en de deelnemers aan de stoet van hun wagens deed wippen, om bij mensen onderweg te gaan schuilen.  Dat had ook zijn charme !

Die dag heeft Pierlala plechtig beloofd elk jaar terug te keren naar Ursel.  En de zonderlinge kwast heeft totnogtoe zijn woord gehouden.  In 1972 is het de tiende Pierlala-stoet geweest, eerste decennium, tweede lustrum.  Zo werd terug aangeknoopt met een rijke traditie.  Tal van muzikanten, dansers en andere groepen, die op wagens huiselijke en volkse taferelen uit het leven van Pierlala uitbeeldden, hebben sinds 1963 aan de optochten deelgenomen.  Wie de stoeten gezien heeft, zal zich nog wel zeer levendig de originele groepen herinneren als: «Het huis van Pierlala», «De doop van Pierlala», «Een beestje in de duik», «De hofstee van Pierlala», «Het trouwfeest van Pierlala», «De dorsers», «De vlasboters», «Pierlala aan de blaasbalg» en zoveel andere.

De guitige legendarische kerel heeft zijn eigen lied bewaarheid:

« De doden keren niet weerom !
— Ik wel, zei Pierlala sa sa,
Ik wel, zei Pierlala» !

M. VERSTRAETE
Ursel.

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MijnPlatteland homepage
MijnPlatteLand.com

Meest recente bijwerking :  21-04-2021
Copyright Notice (c) 2022