Oud Maldegem
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1985, 18de jaargang, nr. 4

OUD MALDEGEM (2)

Dat Maldegem er nog vrij goed afkwam, was niet alleen te danken aan de maat­regelen getroffen door het gemeente­bestuur en aan de over­heids­steun; de kant­werk­school van E.H. Pastoor Vinckier draaide op volle toeren.  Deze kantwerk­school was in februari 1842 opgericht.  Ze kreeg 500 fr. staats­toelage en 200 fr. gemeente­toelage.  Er waren twee meesteressen en men maakte er Valencien­neskant.  Het aantal leer­lingen bedroeg 225, waar­onder 80 van 6-10 jaar, 70 van 10-15 jaar, 55 van 15-20 jaar en 20 van méér dan 20 jaar.  Hun loon was de opbrengst van de kanten­verkoop (Alf. Van Maldeghem: Een Kijk..., blz. 81).

De kerk en het dorpspleintje te Kleit voor de oorlog 1914-18
De kerk en het dorpspleintje te Kleit voor de oorlog 1914-18.

In 1858 bestonden naast de "kantwerkschool van E.H. Pastoor" (290 leerlingen) nog twee andere: deze van Frederica Van Puyvelde met 41 leerlingen en deze van Barbara De Muynck met 10 leerlingen.  Tien jaar later, in 1867, had men Sophie Westerlinck met 139 leerlingen en Vrouw Courtmans met 41 leerlingen (Ibid., blz. 81).

Op het einde van de 19e eeuw zal Pastoor Bouckaert opnieuw een kantwerkschool oprichten.  Deze zal blijven bestaan tot aan de Tweede Wereldoorlog ("Liber Memorialis", Parochie Ste-Barbara, Dekenij te Maldegem).

Het getal landbouwbedrijven te Maldegem bedroeg in 1846 volgens de algemene statistiek 1158, waaronder er één was van 95 ha, één van 86 ha, drie van 50 tot 60, drie van 45 tot 50, vier van 40 tot 45, acht van 35 tot 40, acht van 30 tot 35 ha, enz.  Er waren 675 landbouwbedrijven van 50 aren en minder.  De statistiek van 1846 vermeldt volgende teelten: 135 ha 53 a waren bezaaid met tarwe, 4 ha 79 a met masteluin, 863 ha 26 a met rogge, 35 ha 74 a met gerst, 234 ha 93 a met haver, 37 ha 14 a met bonen, 385 ha 72 a met boekweit, 2 ha 07 a met koolzaad, 119 ha 88 a met vlas, 3 ha 27 a met beetwortels, 77 ha 57 a met wortelen, 185 ha 47 a met klaver, 28 ha 12 a met spurrie.  Er waren 307 ha 23 a beplant met aardappelen, 14 ha 90 a braakland, 10 ha 86 a 51 ca beemden en weiden, 88 ha 97 a boomgaard, 38 ha 58 a tuin, 1300 ha 92 a bos en 33 ha 52 a heide en onbebouwd land.  Bij verkoping golden de landen toen 300 tot 2250 goudfrank per hectare en bij verpachting 9 tot 68 frank.

Dorpszicht te Kleit omstreeks 1909
Dorpszicht te Kleit omstreeks 1909.

Het dagloon van de veldarbeiders beliep voor de mannen één frank en voor de vrouwen 72 centiem, zonder de voeding.  Er waren toen 287 mannelijke en 165 vrouwelijke loontrekkende dienstboden (De Potter en Broeckaert, blz. 16-17).

In hetzelfde jaar 1846 telde men te Maldegem 364 paarden en veulens, 19 ezels, 1489 koppen hoornvee, waaronder 50 trekdieren, 208 kalveren, 826 schapen, 1696 varkens en 540 geiten (Ibid.).

Het is wel interessant enkele statistieken met elkaar te vergelijken, volgens de tellingen van 1836, 1846 en 1895:

Soort:
 
1836
 
1846
 
1895
 
paarden 364 364 319
ezels 16 19 24
hoorn dieren 1323 1489 3046
kalveren 337 208 1600
varkens 3267 1696 8129
schapen 1027 826 378
geiten 257 540 971
bijenkorven 764 98

De kinderen van Ivo Sierens en Elodie Van Landschoot
De kinderen van Ivo Sierens en Elodie Van Landschoot te Kleit.  De foto werd genomen aan de nog bestaande woning, Urselseweg, in Maldegem.
Van links naar rechts (zittend): Irma Sierens, Emiel Sierens, Edmond Sierens, Bertha Sierens en Octaaf Sierens.
Tweede rij, van links naar rechts: Zulma Sierens, Alida Sierens, Alice Sierens, Clara Sierens en Evelina Sierens.

Het aantal varkens van 1846 is bijna op de helft gevallen van het aantal van 1836.  Dit is wellicht te wijten aan het feit dat men de varkens voornamelijk met aardappelen en roggemeel voederde en deze door de mislukking van de oogst 1846 goeddeels ontbraken.  Voorzeker is men dan overgegaan tot het gedwongen afslachten van zeer vele varkens.  Het aantal geiten daarentegen is fel gestegen.  Het aantal "koeien van de arme" verdubbelde, namelijk van 257 tot 540 eenheden, hetgeen in de gegeven omstandigheden eveneens goed te begrijpen is.

Het aantal schapen is in 1846 lichtjes gedaald.  Op het eerste gezicht lijkt dit tegenstrijdig met het feit dat het aantal geiten fors gestegen is.  Dit is echter wellicht een teken dat de schaapboeren met hun herders moesten wijken, omdat er steeds minder braak- en heideland overbleef, ten gevolge van de voortschrijdende ontginning.  Hetzelfde zou kunnen gezegd worden nopens de afname van het getal bijenkorven in 1895 (Joël De Lille, op. cit., blz. 24-25).

De straatweg te Kleit met de stenen molens van Cackaert en Ceulenaere
De straatweg te Kleit met de stenen molens van Cackaert en Ceulenaere, tussen de beide wereldoorlogen.

Het aantal varkens in 1895 is formidabel, 8129 eenheden tegenover 1696 in 1846.  In massale hoeveelheden werden toen varkens uitgevoerd naar Engeland.  Vooral in de tweede helft van de 19e eeuw maakte de zwijnenkweek een grote vooruitgang.  Dat was immers de tijd van de grote industrialisatie, de geweldige uitbreiding van de steden en meteen de aangroei van de bevolking aldaar.  Het platteland moest die bevolking bevoorraden.  Maldegem voerde gans de 19e eeuw varkensvlees uit naar Londen (Daniël Verstraete: De historische Geografie van het Maldegemveld vanaf de 17e eeuw, onuitgegeven thesis, 1943, blz. 143).

Aan een bespreking van de gegevens betreffende de teelten van 1846 zullen we ons niet begeven.  We laten liever de cijfers spreken door de telling van 1846 te plaatsen tegenover deze van 1804 en 1895.  Aldus kan men zelf de evolutie van de landbouw en van de teelten gedurende de 19e eeuw nagaan:

Aard van de teelten:
 
1804
 
1846
 
1895
 
tarwe 18 ha 135 ha 96 ha 31
spelt 3 ha 17
masteluin 4 ha 79 35 ha 84
rogge 885 ha 863 ha 26 1479 ha 82
gerst 10 ha 35 ha 74 20 ha 77
haver 221 ha 234 ha 93 416 ha 33
boekweit 245 ha 385 ha 72 105 ha 40
paardebonen 37 ha 14 0 ha 14
erwten

70 ha

0 ha 70
kemp 17 ha
vlas

44 ha

119 ha 88

124 ha 52
tabak 1 ha 18
suikerbieten 1 ha 98
voederbieten 3 ha 27 139 ha 10
voederwortelen 77 ha 57 82 ha 79
raapkolen 49 ha 71
aardappelen 300 ha 307 ha 23 721 ha 92
klaver 221 ha 185 ha 47 185 ha
spurrie 26 ha 19
luzerne 0 ha 44
krok 0 ha 15
serradelle 5 ha 44
gemaaide weiden

387 ha

10 ha 86

161 ha 12
afgegraasde weiden 356 ha 57
andere voedergewassen 20 ha 32
witloof 38 ha 58 43 ha 99
boomgaarden 88 ha 97 134 ha 96
Ray-gras 12 ha 68
sierbomen 4 ha 25
teenbossen 34 ha
parken (meer dan 50 a) 14 ha 01
braakland

663 ha

14 ha 90 15 ha 49
heide 33 ha 52
          Nateelten:
wortels 0 ha 37
rapen 1102 ha 93
spurrie

28 ha 12

213 ha 41
rogge in 't groen 12 ha 83
(Alf. Van Maldeghem: Een Kijk..., blz. 72-73. - Joël De Lille, op. cit., blz. 25-26).

Huwelijksfoto van Emiel Sierens en Bertha Longueville
Huwelijksfoto van Emiel Sierens en Bertha Longueville te Kleit op 14 april 1926.  Van deze mensen zijn er nog een vijftal in leven.
Van links naar rechts: Zittend: Edmond De Roo, Evelina Sierens, Emiel Sierens, Bertha Longueville, Maurits Longueville en Emma Longueville. 
Tweede rij: Germaine Van Ooteghem, Edmond De Rocker, Irma Temmerman, Edmond Sierens, lrma Sierens, Désiré Van den Eeckhout, Bertha Sierens en Octaaf Sierens.
Derde rij: een onbekende, Romanie Van Landschoot, Alice Sierens, Alida Sierens, Clara Sierens, André Longueville, Zulma Sierens en Martha Longueville.

Uit de belangrijke telling gehouden in 1846 kunnen wij echter ook nog andere gegevens halen.  Vooreerst het aantal personen (ouder dan 12 jaar) die rechtstreeks bij de landbouw waren betrokken; men had:

a)  familieleden gewoonlijk met landarbeid bezig:
  mannen: 1451
vrouwen: 896
samen: 2347
b)  gehuurde dienstboden (knechten en meiden):
  mannen: 287
vrouwen: 165
samen: 452
c)  dagloners, gepresteerde arbeidsdagen gedurende het jaar:
  mannen: 51.284
vrouwen: 47.493
samen: 98.777

98.777 werkdagen = ± 400 personen aan 250 arbeidsdagen per jaar.

Dit alles geeft voor 1846 minimum 3200 personen die te Maldegem betrokken waren bij de landbouw.  De kinderen beneden de 12 jaar zijn daarin niet begrepen.  Dit maakt dat zeker 4000 personen rechtstreeks afhingen van de landbouw.

Rotsaert Molen, nabij de Stationsstraat
Molen Rotsaert, nabij de Stationsstraat, onttakeld in 1925.

Er waren te Maldegem honderd bedrijven van méér dan 10 ha grootte.  Dit is wellicht te verklaren door het feit dat de grond voor een goed deel in handen was van een beperkt aantal families-grootgrondbezitters.  Op kop daarvan stonden de Pecsteens: Carolus Pecsteen bezat toen 468 ha en Gustaaf Pecsteen 293 ha.  Dit wil zeggen dat méér dan 10% van de Maldegemse bodem midden de 19e eeuw in handen was van die twee mensen.  Daarnaast bezaten die heren nog ontelbare huizen die op cijnsgrond stonden (G. De Lille, op. cit., deel 3, blz. 13).  De 675 bedrijfjes van 50 aren of minder werden wellicht geleid door mensen voor wie het zelfstandig landbouwer zijn niet de enige bezigheid was.  Somtijds gingen ze hun werkkracht een deel van het jaar verhuren op de grote bedrijven of oefenden ze bv. het nevenberoep van spinner of wever uit.

Maldegem herstelde zich vrij vlug van de hongersnoodsjaren.  In 1848 had men reeds 185 geboorten tegenover 197 overlijdens.  In 1849 waren er al méér geboorten dan sterfgevallen, namelijk 225 tegenover 206, om in 1850 een normale toestand te kennen met 208 geboorten tegen 132 overlijdens (Bevolkingsregisters van Maldegem, Gemeentehuis).

De De Vildere Molen op het Molentje
De houten molen De Vildere op het Molentje, nu verplaatst naar Limburg.
(Foto R. Tondat).

Het is om in gevallen als de rampjaren 1845-47 te voorzien, dat op 14 maart 1849 op advies van de minister door het gemeentebestuur wordt overgegaan tot de oprichting van een landbouwmaatschappij.  Deze zou iedere eerste maandag van de maand om 9 uur op het gemeentehuis samenkomen.  Ze bestond uit de volgende heren: J.C. Domers, J. Van Nieuwenhuyse, Charles Bekaert, J. De Smet, J. De Candt, A. Coene, P.J. Cuelenaere en Ch. Fr. De Smet (Gemeenteverslagen, 14/3/1849).  Het was waarschijnlijk een doodgeboren kind, want van deze landbouwmaatschappij zijn verder geen sporen meer bewaard (Joël De Lille, op. cit., blz. 27-29. - Gemeentearchief van Maldegem).

Vanaf 1840 beschikken wij voor Maldegem over belastingsrollen; het zijn de lijsten van de Hoofdelijke Omslag.  Daarin vinden we, naast andere gegevens over de belastingbetalers, ook het beroep van deze mensen.  Hier volgen dan de lijsten van de beroepsstructuur der Maldegemse bevolking aan de hand van de belastingsrollen 1840, 1850, 1860 en 1870:

Beroep 1840 1850 1860 1870
landbouwers/grondeigenaars 157 171 188 106
arbeiders 126 106 197 236
wagenmakers 4 6 7 5
hoefsmeden 5 5 7 8
timmerlieden 7 7 9 9
metselaars 8 3 1 -
kuipers 4 3 2 -
huidevetters 2 2 2 5
koperslagers 2 2 2 2
kleermakers 7 6 4 4
schoenmakers 4 5 2 2
klompkappers 5 5 3 5
vleeshouwers 4 4 6 4
bakkers 12 15 18 9
mulders 3 5 6 5
kooplui 25 14 19 24
winkeliers 19 28 25 35
brouwers 5 4 5 5
tappers/herbergiers 26 26 18 15
andere 224 149 93 76
Totaal aantal
belastingsplichtigen:
647 569 614 548
(Joël De Lille, op. cit., blz. 29-30).

De overwegende - in aantal althans - groepen belastingbetalenden zijn de landbouwers, grondeigenaars en de arbeiders, dit zijn de landarbeiders.  Dit is normaal voor een overwegend landelijke gemeente, zoals Maldegem toen was.  Naast deze grondbelangen - de renteniers en de bijzonderen of particulieren horen daar ook bij - treft men een aantal ambachtslui en mensen uit de dienstensector.  Dit is even normaal.  Toch moet men bij dit alles opmerken, dat binnen bepaalde klassen en groepen grote onderlinge verschillen kunnen bestaan.  Dit is het meest duidelijk bij de landbouwers.  Men heeft kleine en zeer kleine boeren.  Men heeft ook grootgrondbezitters/boeren.  Hoewel minder geaccentueerd heeft men dit ook in andere beroepsklassen, zoals daar zijn de bakkers, wagenmakers, brouwers, herbergiers e.d.

De Rotsaertmolen gezien vanuit de hof van de heer Edmond De Meyere
De "Rotsaertmolen" gezien vanuit de hof van de heer Edmond De Meyere.

Wat ook opvalt als men de cijfers overloopt, is het groot aantal kooplui en handelaars.  En inderdaad de handel was daar levendig te Maldegem, in de grensstreek.  Zo kwamen in 1861 te Maldegem ter markt:

1835
10994
2161
8156
671
224
488
423
 zakken tarwe
 zakken rogge
 zakken haver
 zakken boekweit
 zakken gerst
 zakken bonen
 zakken lijnzaad
 zakken koolzaad.

Daarnaast werden op de jaarmarkt van 6 mei 1861 verkocht: 34 melkkoeien, 13 ossen, 34 vaarzen, 18 jonge ossen en 14 kalveren (Alf. Van Maldeghem: Een Kijk..., blz. 85).

De markt was zodanig bloeiend dat men in de jaren 1860 besloot over te gaan tot uitbreiding van de bestaande marktplaats.  In 1867 werd "het steen" afgebroken (Ibid., blz. 85).  Het was echter niet enkel op de markt dat men handel dreef.  Na 1862 ging men handeldrijven met Engeland, in geslachte konijnen en speenvarkens.  Deze laatste kregen te Maldegem de typisehe naam van "Engelsmannetjes".  Een aanzienlijk aantal speenvarkens werden hier geslacht, soms tot 6000 per jaar.  Dit bleef zo duren tot enkele jaren vóór de Eerste Wereldoorlog.  Deze handel, die voornamelijk in de winter bedreven werd, was mogelijk gemaakt door de spoorlijn die vanaf 1862 over Maldegem en Brugge naar Oostende liep, van waar de "Engelsmannetjes" werden verscheept (G. De Lille, op. cit., deel 3, blz. 26).  Op het einde van de jaren 1880 was de wekelijkse markt echter dood.  Men zou moeten wachten tot 1912 eer de maandagmarkt terug leven vertoonde.  In 1892 had men echter reeds een woendagse varkensmarkt ingericht.  Trimestrieel werden premies uitgereikt aan hen die het meest dieren op de markt hadden gebracht en aan hen die er het meest hadden gekocht.  Doch ook deze woensdagmarkt ging teniet en werd in 1912 bij de maandagse markt gevoegd (Alf. Van Maldeghem: Een Kijk..., blz. 85).

Nog een houten molen te Maldegem omstreeks 1905
Nog een houten molen te Maldegem omstreeks 1905.

De oorsprong van de markt te Maldegem is zeer oud.  Op 11 augustus 1350 heeft graaf Lodewijk van Male de eerste patentbrieven voor de wekelijkse markt gegeven.  Dit bewijst dat Maldegem toen al een zeker centrum moet geweest zijn.

Een oorkonde uit 1674 luidt:

"Bailliu, burghemeesters ende Schepenen van den Ambachte en Baronye van Maldeghem, maecken een ygelijck kennelijck dat sy hebben verkreghen Octroy van Sijne Majesteit, op den 26 Novembre 1674, om binnen het Dorp en de plaetse van 't selve Ambacht van Maldeghem te houden alle Maendaghen van de weke eenen Vrijen Marcktdagh van alder-hande Goederen, koopende ende verkoopende; Voorts twee Vrije Jaer-marckten, te weten: op Donderdagh ende Vrijdagh naer Sinxen, ende op den 4 ende 5 van Septembre van elck jaer ende alsoo voorts van weke te weke, ende van jaer te jaere voor altoos gheduerende.  Daeromme alle de ghone willende komen ende frequenteren de voorn. Martkten, zullen ghenieten van de privilegien bij het voornoemde Octroy verleent, ende ghelijck andere Marckten ghenieten.  Elck zegg'et den anderen" (Ibid., blz. 84).

De houten windmolen van op de Briel in 1919
De houten windmolen van op de Briel in 1919.

De schikking van 1674 over de jaarmarkten moet nadien veranderd zijn, aangezien nu reeds meer dan honderdvijftig jaar de twee jaarmarkten plaatsgrijpen op de eerste maandagen van mei en september.
In 1912 is er, in samenwerking met enige ingezetenen, aan de heropbeuring van de maandagmarkt fel gewerkt en een schone uitslag is bereikt geworden.  Er werd in het begin geen plaatsgeld geheven en er werden premies uitgereikt voor de boter- en eiermarkt.  Tegenwoordig is de Maldegemse markt tamelijk bloeiend.

In 1929 kwamen, benevens de talrijke kramers met allerhande koopwaren en artikelen, ter markt: 144 stieren, 360 melkkoeien, 480 vaarzen, 3620 biggen, 146.780 kg. boter en 2.788.000 eieren.

In 1797 werd aan Jacob-Francies Bogaert 5 schellingen courant betaald "over het brengen op de markt dezer commune van het eerste graan" (dit was een oude gewoonte).

Vóór Wereldoorlog I werd tijdens de jaarmarkten de varkensmarkt op het Westeindeke gehouden.  Op de tweede Paasdag en op de tweede Sinksendag was het varkens- en veemarkt op het Molentje.

De hoeve Papinglo
De hoeve Papinglo, overblijfsel van de middeleeuwse proosdij.

De plaatsrechten op de markt brachten in 1809 915 frank op, in 1840 690 fr., in 1861 1247,90 fr. en in 1930 11.500 fr.  (Alf. Van Maldeghem: Een Kijk..., blz. 85).

In 1927 telde Maldegem aan ambachtslieden en werklui, méér dan 21 jaar oud, in nijverheid en handel:

20
3
2
10
25
22
3
14
309
27
62
2
47
20
87
24
16
85
2
6
1
4
6
202
12
3
12
3
1
2
3
14
17
3
98
2
2
82
18
3
12
14
2
12
1
1
1
15
1
1
38
42
broodbakkers
beschuitbakkers
pasteibakkers
mulders
beenhouwers en varkensslachters
paardenslachters
haringrokers
brouwersgasten
vlasbewerkers
weefsters (in 1930 veel meer !)
kantwerksters (veel minderjarigen)
matrassenkloppers
sigarenmakers en tabakbewerkers
lakennopsters
kleermakers en -maaksters
schoenmakers
kloefkappers
vellen bewerkers
pelzenmaaksters
huidevettersgasten
breister
strijksters
modewerksters (veelal minderjarig)
borduursters
huisschilders
lood- en zinkbewerkers
houtzagers
beeldhouwersgasten
stoelvlechter
schupmakers
kuipers
mandenmakers
rietmeubelmakers
uurwerkmakers
meubelmakers, timmerlieden, schrijnwerkers en wagenmakers
rijtuigmakers
gareelmakers
metselaars en metselaarsgasten
smeden
lichttekenaars
drukkerssgasten
velomakers
emailleurs
werktuigkundigen en paswerkers
bezembinder
strodekker
zeeldraaier
tuinbouwwerklieden
molensteenscherper
kasseilegger
allerlei in de nijverheid
allerlei in de handel.

De hoeve Papinglo
Oprit van de oude hoeve te Papinglo (1756).

25
4
2
12
3
1
11
5
5
5
1
4
2
9
1
10
6
1
1
bezemmakerijen
brouwerijen
blauwververijen
broodbakkerijen
hoefsmederijen
jeneverstokerij
kleermakerijen
kloefkapperijen
windmolens
kuiperijen
huidevetterij
naaiwinkels
olieslagerijen
schoenmakerijen
stoelmakerij
timmerwinkels
wagenmakerijen
waskaarsmakerij
zadelmakerij
200  à 300 huisgezinnen hielden zich bezig met vlashekel en, vlaskloppen en vlasspinnen (Alf. Van Maldeghem: Een Kijk..., blz. 80-81).
Het kasteel van de heer Frederik Dhont
Het prachtige kasteel van de heer Frederik Dhont ("Sint-Anna") bij het begin van de Westeindestraat, vóór de oorlog 1914-18.

In 1853 was de bevolking verdeeld onder:

mannen: vrouwen:
landwerkers 1280 1490
lijnwaadwevers 32
spinsters 55
katoen- en wollewevers 4 2
kantwerksters 360
vlasbewerkers 211 129
bezembinders 80 75
allerlei ambachtslieden 340 90
Het kasteel Sint-Anna
Het kasteel "Sint-Anna", later Tekenacademie en thans Politie commissariaat te Maldegem

De Edestraat ('t Peurken) te Maldegem
De smalle Edestraat ('t Peurken) te Maldegem kort na de eeuwwisseling.

In 1930 gaf Alfons Van Maldeghem een lijst op van "de verdwenen groote nijverheidsgestichten" te Maldegem:

De brouwerijen Van Mullem, Soenen, Tytgadt, Van Wassenhove, Verstrynge, Herpelinck en Brouwerij "Het Steen"; de stokerijen Van Hoorebeke, J. Franck en Wwe Vande Putte; de azijnfabrieken Van Hoorebeke en De Candt; de huidevetterijen Reychler, De Jaeger, Verstrynge, Vermast, Van Moffaert, Potvliege en De Lille; de maalderijen (wind- en stoom-) Himschoot, P. De Vos, Kinderen De Vos, Ch. De Clerck, Potvliege en Notebaert; de tabakfabrieken L. Van Wassenhove, Kinderen De Meyere, M. De Meyere en Aug. De Lille; de vier steenbakkerijen op Papinglo, op Eelvelde, op de Doorn en langs de Urselweg; de roetkaarsmakerij van Pauline Franck in de Voorstraat; de fabriek van beenderzwart en kunstvette Tunnstedt en Co; de suikerijfabriek De Buck; de blauwververij Rotey; de talrijke bezembinderijen te Kleit; de kantwerkscholen en de borduurwerkhuizen Van Reybroeck en Dhaveloose.

De kerk van Maldegem en op de voorgrond het oud Schepenhuis
De kerk te Maldegem met op de voorgrond het oude Schepenhuis in de Marktstraat.

Alfons Van Maldeghem gaf ook een hele reeks oude uithangborden en opschriften van herbergen:

  De Moriaan - bij J. De Mol
De Barrière - Ch. De Lille
Sinte-Barbara - Martinus De Lille
Sint-Hubert - weduwe P. De Clerck
't Zwaantje - Henri Vermeersch
Hertog de Croy - Jan De Baets
De Aap - Joseph Standaert
De Nachtegaal - Jan Bourgonjon
De Halve Maan - Ant. De Mey
Het Molentje - weduwe H. Everaert
De Bloem - Jozef Tanghe
Le Pont Levis - Pieter Mouton
De Ster - Jac. Van Poucke
De Doorn - Ignaas Maes
Het Vossenhol - Bernard Heyneman
De Kroon - Guillaume De Brabander
In de Graanmarkt - L. De Lille
In Sint-Crispijn - J. Versluys
In den Papegaai - Ch. Deliaert
Sint-Joseph - Jos. Van Quaethem
A la belle Vue - J. Boels
De Raaf - ?
Het Hof Sint-Sebastiaan
Het Hof Sint-Jooris
Hof van Brussel - Bernard De Clerck
In den Yzeren Weg - weduwe Willems
De Drie Koningen - Cuelenaere
Het Schaak - H. Gyselinck
La tête d'or
De Vos - F. De Laere
De Hert
De Vrede - Bernard De Meyere
In Waterloo - D. D'Huyvetters, Fort
In den Ossekop - Borgonjon
In het Steen - Kinderen Boes
Hôtel des Flandres - Kinderen Storme
Het Land van Cadzand - Fr. Boes
Het Brouwershuis - Jac. Willems
De Nieuwe Hof - O. De Wandele
De Vrede - J. De Candt
De Nachtegaal - op Moerhuize
Tivoli - Laureyns
Hof van Holland - K. Geirnaert
De Gouden Leeuw - De Lille
De Biemarkt - Eeckhout
Oud-Stadhuis - weduwe Borgonjon
De Stroodekker - Jan Dauw
De Muffel - weduwe De Brabander
Den Huzaar - op Burkel
De Koffiekan - Constant Van Houtte
De Vier Eemers - Jozef Van Landegem
De Ploeg - Chr. Baert
Het Kasteel - A. De Candt.
(Alf, Van Maldeghem: Een Kijk..., blz. 82-84).

Algemeen panorama op Maldegem
Algemeen panorama op Maldegem (Uitgave De Lille, 1909).

De Potter en Broeckaert vonden in 1868 te Maldegem niet minder dan 143 herbergen en verkopers van sterke dranken.  Verder zeggen zij dat er toen zeven graandwindmolens waren, waaronder ook een olieslagerij, vier brouwerijen, twee stokerijen en een olieslagerij door paarden bewogen.  "Er wordt hier een groote handel gedreven in granen en vlas, alsmede in geslacht verkensvleesch, bestemd voor Londen.  De slachterijen liggen evenwel gedurende de warme lente-, zomer- en herfstdagen stil, doorgaans van half Mei tot half September, aangezien het vleesch ongezouten moet verzonden worden" (De Potter -Broeckaert: Maldegem, blz. 17).

De speelplaats van de Broederschool
Op de speelplaats van de Broederschool ("Sint-Antoniusschool") tussen de twee wereldoorlogen.

In het 19de-eeuwse Maldegem waren de grondbelangen dus overwegend.  De landbouw werd voor een belangrijk gedeelte bedreven in het kader van grootgrondbedrijven: 62 bedrijven waren in 1846 groter dan 20 ha.

Naast de zopas genoemde bedrijven had men echter ook nog tal van kleine uitbatingen, die veelal zelfs te klein waren om in het levensonderhoud van een gezin te voorzien.  Het beroep van landbouwer was dan gecombineerd met dit van dagloner of wever.

De Kruislievenheer van Baron Minne
De grote bronzen Kruislievenheer van Baron Minne, geplaatst te Maldegem op de splitsing  van de grote wegen naar Bruggge-Oostende en Knokke.

Handel en nijverheid waren te Maldegem echter ook niet onbelangrijk.  Van primordiaal belang was de handel in landbouwproducten (voornamelijk graan- en vleeshandel), die internationaal bedreven werd.  Secundair en eerder van plaatselijk belang was de kleinhandel (voornamelijk winkeliers).  Op gebied van nijverheid hebben we buiten enkele grotere inrichtingen - die dan nog meestal geen lang leven beschoren waren - voor het 19de-eeuwse Maldegem vooral de ambachtelijke sector die van belang was.  Naast de beide groepen in handel en nijverheid - die wij grotendeels mogen gelijkstellen met de bezittende klasse - hebben we echter ook nog een zeer talrijke groep bezitslozen, dit zijn de personen die geen belasting betaalden.  Zij leefden van wat ze konden verdienen met het verhuren van hun arbeidskracht of, in tijden van nood en werkloosheid, van de bedelarij.

Het Kasteel Rezinge te Maldegem
Het Kasteel Rezinge te Maldegem, voor de oorlog 1914-18 (Rotsart de Hertaing).

Alles samen genomen hebben we dat in de economische piramide, die tevens samenvalt met de sociale, het grootgrondbezit primeert.  Handel en (kleine) nijverheid staan slechts op de tweede plaats.  De onderste laag van de maatschappij werd gevormd door de bezitslozen.  Dit drukt zich ook uit in de aanwezigheid van de onderscheiden groepen in de gemeenteraad.  Laten we hier eerst zeggen dat de bezitslozen wegens het cijnskiesstelsel omzeggens gedurende de hele 19de eeuw te Maldegem niet aan bod kwamen.  Dat was ook elders zo.  Nu, voor de beide andere groepen hebben we dan het genoemde verschijnsel.  Wanneer dan, naarmate de 19e eeuw verloopt, de handel en nijverheid gaandeweg aan belang winnen, zullen we zien dat deze groepen zich meer en meer zullen pogen naar voor te dringen en dat zij dit ook zullen pogen tot uitdrukking te brengen met een grotere vertegenwoordiging in de Maldegemse gemeenteraad (Joël De Lille: De Politieke Dynastieën..., blz. 32-34).

Het Molenboek van de Provincie Oost-Vlaanderen (1962) vermeldt voor Maldegem niet minder dan 21 windmolens.

Een houten windmolen werd opgericht in 1765 op het Molentje, Kleine Warm, Sectie B nr. 1488.  Hij behoorde oorspronkelijk aan de erven Pecksteen en aan de Kinderen van Jan D'Hondt-Pecksteen te Brugge.  Vóór 1845 werd hij reeds verkocht aan Charles Dhondt, rentenier te Brugge.  In 1848 kwam hij door verkoop in handen van Philippe De Vilder, molenaar te Maldegem, die hem in 1867 opnieuw verkocht aan Karel De Vildere-Coppens, eveneens mulder te Maldegem.  In 1903 werd er een stoommachine geplaatst en werd het dus een "korenwind- en stoommolen".  In 1915 werd de molen afgestaan aan de Kinderen De Vildere: 1) Alida, 2) Emma, 3) Theofiel, 4) Hector en 5) Celesta, mulders te Maldegem.  Bij erfenis in 1921-22 viel de molen ten deel aan de vier eerstgenoemden, landbouwers te Maldegem en kwam in 1954 in het bezit van Alida, Emma en Hector De Vildere, bijzondere.  In 1955 werd de molen verkocht aan een landbouwer uit de Kempen en volgde de totale afbraak.  De wijk het Molentje verloor zijn ziel !

 Alfons Ryserhove
(wordt vervolgd).

Separator

Oud Maldegem 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice

Meest recente bijwerking :  21-04-2021